Interview

Schrijver en vertaler Imme Dros kan zich een leven zonder taal niet voorstellen

Ze mag dan 85 zijn, Imme Dros werkt nog acht tot tien uur per dag. Thuis op haar bank blijft ze in sneltreinvaart schrijven, vertalen en van alles opzoeken in haar boekenzee. Altijd bezig met taal, en nog even wakker als altijd. ‘Ik schrijf voor mensen van nu.’

Mirjam Van Hengel
Imme Dros . Beeld Jouk Oosterhof
Imme Dros .Beeld Jouk Oosterhof

In taal kan alles. Het holst van de nacht kan gewoon onder je donsdeken liggen, de zoon van Shakespeare kan de trap af lazeren en een Griekse godin kan de oppergod aanspreken alsof ze een telefoontje pleegt: ‘Zeus, Athene hier!’

In haar pas verschenen boekje Taal is alles wat het geval is gaat Imme Dros nog een stapje verder: taal ís alles. ‘Zonder taal geen verhalen’, schrijft ze, ‘geen herinneringen, geen dubbele bodems, geen woordspelingen, geen leugens, geen grappen, geen ironie, geen drama, geen poëzie. Zonder taal geen leven!’

In haar eigen leven is weinig níét verbonden met taal. Haar lees- en leerhonger dirigeerde haar als Texels kind van de zee naar het stadse gymnasium en vervolgens weg van het eiland van haar jeugd. Haar gevoeligheid voor teksten bracht haar haar grote liefde, illustrator en schrijver Harrie Geelen. ‘We studeerden samen, ik hield van hoe hij sprak en we raakten goed bevriend. Toen kwam hij op een dag aanzetten met zijn kapotte aktetas waar alle papieren uit vielen, hoedje op, hij ging optreden voor het studentencabaret. Hij had zelf liedjes geschreven en hij zong een briljante tekst, vond ik. Maar zó slecht, met zulke belachelijke gebaren, die vloekten met de tekst, ik kon er niet tegen. Toen werd ik verliefd op hem. Niks aan te doen.’

85 is ze, en de lijst met boeken die ze voortbracht is eindeloos. Er is het primaire werk: kinder- en jeugdboeken, autobiografische fictie, romans, theaterbewerkingen, libretti, wiegeliedjes, een filosofisch essay. Er zijn de vertalingen: de klassieken, de vele kinderboeken, niet zelden een stuk korter dan het origineel. Ooit zei ze daarover: ‘Het waaide bij ons op Texel altijd zo hard, dat de woorden van je lippen werden weggeblazen, alleen het hoogstnoodzakelijke werd dus gezegd. Dat zie je terug in mijn vertalingen.’

En dan het markantste onderdeel van haar oeuvre: haar hervertellingen. Van de epen van Homerus en de Griekse mythen tot de verhalen van Duizend-en-een-nacht en talloze sprookjes: onslijtbare verhalen opnieuw verteld naar haar smaak en in haar heldere, geestige stijl. Bij Imme Dros worden eigenwijze lezers direct aangesproken (‘wie verder leest moet het zelf dan maar weten’), stift Roodkapje haar lippen en legt eigenhandig de wolf om (en haar oma heet ‘de grote moeder’). Het is allemaal fris, wakker, geschreven in een taal van nu.

Haar meest recente boek is Gisterland (2021), een roman over Anne Hathaway, de vrouw van Shakespeare over wie nagenoeg niets bekend is. Daarin maakt ze van Anne een sterke en eigenzinnige vrouw. Niet uit feministische motieven, zegt ze: ‘Ik ben in haar geïnteresseerd om haar menselijkheid. Dat is altijd wat me interesseert, in álle verhalen.’

Het is vanzelfsprekend te midden van eindeloos veel boeken dat ik Imme Dros spreek, op een montere januariochtend in het Hilversumse sprookjeshuis waarvan je het torentje vanaf de straat boven de bosschages uit ziet steken. Erkers, een groot hoefijzervormig raam in art-decostijl en een handgeschreven briefje op de voordeur: ‘geen collecte; wij gireren al’.

Daarachter: een wonderland van papier en verf, van oude uitgaven en frisse gedachten, van kunstwerken die tegen de muren zijn aangeslibd, decorstukken waar koffie op wordt geserveerd. Daartussen de bescheiden werkplaats van de veelvuldig bekroonde auteur: een bank in de hoek van de kamer waarop gele kussens liggen gestapeld en waarvandaan ze met een enkele zwaai het scharniertafeltje met laptop naar zich toe trekt.

In de loop van het gesprek blijkt onder die gele kussens een kolossale berg boeken schuil te gaan. Waar ze er het ene moment ontspannen tegenaan leunt, begint ze er het volgende enthousiast in te graven om er precies dat boek uit te halen dat ze nodig heeft: essays van Germaine Greer, de vuistdikke en beduimelde Oxford Companion to Shakespeare, maar ook een oud en onbekend boekje getiteld Kan er iets goeds komen uit Nazareth? – na de vraag of ze behalve al die klassieken en sprookjes eigenlijk ook weleens verhalen uit de Bijbel heeft hertaald.

‘Ja, toch wel. Voor een serie op televisie, voor de christelijke omroepen. Dat was een moeizame samenwerking, er was iemand bij betrokken die nogal dwingend was over de lijn van de verhalen. Daar hield ik braaf rekening mee, maar op een gegeven moment had-ie er zelf een paar zinnen in gezet en toen heb ik gezegd: ik laat jullie niet in de steek, ik maak het seizoen af, maar dit gebeurt nooit meer. Er komen geen zinnen in die ik niet zelf heb geschreven en ik stop ermee. Toen heb ik wel nog dat boekje gemaakt met mijn eigen verhalen erin, waren ze woest en zei ik: ja, dat heet auteursrecht.’

Het is opmerkelijk dat u dat zegt, want in het boek over Shakespeare laat u hem uitleggen dat het geen enkel probleem is om teksten van anderen te jatten. Vindt u dat verhalen iemands eigendom zijn?

‘Táál is het eigendom. Verhalen zijn van iedereen, maar taal niet. Een zin als ‘to be or not to be, that is the question’, die kun je niet claimen. Je kunt de gedachte overnemen, je kunt het hele verhaal anders maken en je noemt het roman want een roman is fictie en daarin mag alles, maar je kunt niet zo’n zin gebruiken alsof-ie van jou is.’

Dus de taal is het minst vervreemdbare element van een verhaal.

‘Ja. Al hoeft vertalen bijvoorbeeld niet altijd te betekenen ‘woord voor woord’. Ik vertaal nu iets, daar begint de ene na de andere zin met ‘Tien minuten later’, ‘Een halve dag later’. Godgloeiend, dat is zo vervelend. Ik vertaal het wel, maar ‘Een paar minuten later ging de deur open en kwam de heks binnen’ kan gewoon zijn: ‘Daar ging de deur open en kwam de heks binnen’.

Toen u in de jaren negentig de Odysseia vertaalde zei u: ‘Er valt niet te snijden in een meesterwerk. Het is een organisme en als je er iets uit haalt, hak je er een poot af.’

‘Maar dat is een meesterwerk! Niet alles is een meesterwerk.’

Jaren na die metrische vertaling publiceerde u de hervertelling Odysseus, man van verhalen. Daarin neemt u juist alle vrijheid.

‘Want dan is het míjn verhaal. De verhalen die Homerus heeft gebruikt zijn daarna door ettelijke lui gebruikt, dat is altijd zo geweest. In de loop van de tijd veranderde de held Odysseus bijvoorbeeld van een kiene, geïnteresseerde koning in een smerige misdadiger. Zo is hij bij Homerus helemaal niet. Bij Homerus zijn vijanden vijanden, maar ze zijn in de eerste plaats mensen, ze hebben ook hun gevoelens. Dat is het grootse van Homerus.’

Imme Dros  en Harrie Geelen. Beeld Jouk Oosterhof
Imme Dros en Harrie Geelen.Beeld Jouk Oosterhof

Werkt u altijd hier in de kamer op de bank?

‘Ja. Dus ik zit hier zo’n beetje de hele dag. Ik werk heel snel, heb snel een boek af, omdat ik gewoon veel uren maak. We staan vroeg op, om 5 uur, half 6, dan maak ik ontbijt. Ik maak ook de lunch, Harrie kookt. Heel simpel. We eten geen vlees, dus aardappelen, groenten, flap, wat kaas erdoor, klaar. En vanaf een uur of 8 ’s ochtends werk ik. Dus vaak wel zo’n acht tot tien uur per dag. Dan ben ik wel afgepeigerd hoor, ’s avonds. We gaan vroeg naar bed.’

Het inmiddels bijna zestig jaar getrouwde kunstenaarspaar kent elkaar van hun studie Nederlands in Amsterdam. Zij was 21, had al iets van de wereld gezien, hij kwam rechtstreeks van de middelbare school in Limburg. Zij viel hem op omdat ze er zo fantastisch uitzag. Later op de ochtend zal hij vertellen: ‘Het was 1958, alle meisjes in die tijd hadden van die bloesjes met nette witte kraagjes, een jasje, rokje, platte schoenen. Imme komt aan: ros haar, los, zúlke oorringen van hout, een paars jack, een groene rok of andersom en zwarte netnylons. Ze leek op geen enkele vrouw die ik ooit was tegengekomen.’

Nog altijd ziet ze er prachtig uit. Een vest met geborduurde randen en geschulpte mouwen, een donkere bril (ze kan slecht tegen het licht), de strik in het oranje haar. ‘Ik heb altijd mooie kleren gekocht, en nu heten die vintage. Ik heb nog stukken uit mijn studententijd, de rok die ik kocht van mijn eerst verdiende geld, voor ik ging studeren. Hij werd iets te kort, vond ik, dus ik heb hem wat langer gemaakt, maar ik draag hem nog steeds.’

U bent hier omringd door al die boeken, zoekt u veel op?

‘Aan één stuk door. Zowel op de computer als in boeken. Net nog: ik werk aan de Kronieken van Narnia, daarin zit een raar wezen dat Marshwiggle heet, ooit vertaald met Moeraswiebel. ‘Wiggle’ is wel wriemelen en zo, maar ik vond het toch net niet goed. Dan vind ik in het Middelnederlandsch Woordenboek ‘wiggel’, ‘wiegelen’. Dat kan ik dan gebruiken.

‘Ik zoek soms hele zinnen woord voor woord op en ik blijf erover nadenken. Zo heb ik lang nagedacht over de laatste zinnen van Shakespeares sonnet 116, dat ik heb vertaald voor mijn laatste roman. Heel, heel moeilijk. Ik heb het zo gedaan dat ik erachter kon staan, maar nu is het boek gepubliceerd en wil ik het toch weer anders.’

Die laatste roman is Gisterland, het boek over Shakespeares vrouw Anne, dat gestut wordt door haar eigen leven en haar literaire liefdes. Ze vertelt er haar favoriete toneelstukken van Shakespeare na, laat Shakespeare Homerus lezen en gedichten opdragen aan zijn vrouw. Anne is net als zijzelf ouder dan haar echtgenoot, afkomstig uit een klein dorp en moeder van drie kinderen waaronder een tweeling. De zin waar ze op doelt is zo’n fameuze raadselachtige Shakespeare-strofe: ‘If this be error and upon me proved / I never writ, nor no man ever loved’. Zij vertaalde: ‘Als dit niet klopt en men bewijst me dat / Nooit schreef ik, nooit geen mens heeft liefgehad.’

In de roman zegt Anne dat ze het een mooi gedicht vindt, alleen die laatste zin betwijfelt ze. ‘Nooit geen mens? Dus juist wel een mens? Min maal min is plus’.

‘Er wordt gauw gezegd: ja, bij Shakespeare komt die dubbele ontkenning vaak voor. Dan denk ik: nou, waar dan? En over het algemeen wordt die strofe gelezen als ‘Ik heb nooit geschreven en nooit geen man/mens, liefgehad’. Maar ik lees dat helemaal niet zo! Kijk, dat eerste stukje ‘I never writ’ wordt onmiddellijk ontkracht omdat het in een sonnet staat – hij schreef wél. Dat is dus een pun, een spel met de taal. Maar níémand kan ooit bewijzen dat hij nooit iemand heeft liefgehad, dus het is een zwaktebod als je dat ervan maakt. Het mag van mij allemaal hoor, maar ik denk er anders over.’

Twijfelt u nooit aan uzelf?

‘Nou, ik denk na. Over wat er echt staat. Zo is deze hele roman tot stand gekomen. Mij irriteerde het wat men altijd zei over de laatste zin die Shakespeare heeft geschreven, een zin over zijn vrouw in zijn testament: ‘Item I gyve unto my wife my second best bed with the furniture’ (‘Item: aan mijn vrouw vermaak ik mijn op één na beste bed met het meubel’). Dan wordt aangenomen dat ‘furniture’ verwijst naar de aankleding van het bed en dat Shakespeare haar iets tweederangs naliet. Hoe weten we dat? Staat dat er? Ik ga nadenken: er moest aan het eind van zijn leven van alles in zijn testament worden aangepast en toen heeft-ie er nog één zinnetje voor haar bij geschreven. Eén zinnetje! En dan Shakespeare, die zijn hele leven niets anders heeft gedaan dan met taal bezig zijn. Die elk sonnet een woordspeling, een pun meegeeft. Dus dat ene zinnetje in zijn testament – natuurlijk zit daar een pun in! Het is iets speciaal voor zijn vrouw, dat denk ik, iets tussen hen. En zo kom ik via dat ‘tweede beste bed’ dan op een ‘eerste beste bed’: hun huwelijksbed, een bed van liefde’.

U schrijft uitvoerig over het huis waar Shakespeare woonde, over de slaapkamer, maar ook over de trap naar de kelder waar in uw versie het zoontje dat stierf van af is gedonderd.

‘Die trap en die kelder heb ik gezien, in Stratford-upon-Avon. Ik heb zelf een hekel aan trappen, ik val er vaak af, misschien omdat ik op school rechts moest leren schrijven terwijl ik links was, dat heeft mijn coördinatie, mijn evenwichtsgevoel beïnvloed.’ Ze dwaalt af, vertelt een verhaal over tekenen op een schoolbord met twee handen, schiet in de lach. ‘Maar die trap. Ik keek daarnaar en kreeg iets heel akeligs over me. Echt het gevoel: ga daar vandaan. Dat onthoud ik. Wat ik vaak hoor is: ja, die zoon, waarschijnlijk overleden aan de pest. Maar er was in dat jaar helemaal geen pest in die omgeving.’

U doet veel research naar de historische omstandigheden. Gaat u daar mensen ook beter van begrijpen?

‘Om mensen te begrijpen ga ik altijd terug naar Texel, naar mijn jeugd. Daar weet ik het meest van en daar ben ik zo mee verbonden, dat is waar ik vandaan kom en waar ik alles heb geleerd over hoe mensen met elkaar omgaan, contacten, hoe mensen zich gedragen. Indrukken uit de kindertijd zijn de sterkste die er zijn, die worden er bijna in gerámd. Daarna komt er zoveel binnen dat je moet gaan kiezen, maar als je klein bent heb je niets te kiezen, dan komt alles binnen en het beklijft.’

Imme Dros. Beeld Jouk Oosterhof
Imme Dros.Beeld Jouk Oosterhof

Anne Hathaway is bij u een krachtig kind en een eigenwijze, zelfstandige vrouw. In zekere zin heel modern: u schrijft ook over haar seksualiteit, over het plezier met Will in bed, over haar liefde voor een eerdere man. Daar werd destijds doorgaans niet zo expliciet over geschreven.

‘Nee, maar daar heb ik niets mee te maken. Ik leef niet in die tijd en ik schrijf niet in die tijd. Ik schrijf voor mensen van nu. Het lijkt mij sterk dat je niets achter de rug hebt in de liefde als je 26 bent, zoals Anne toen ze met Shakespeare trouwde. Over Anne heb ik altijd alleen maar gelezen dat het een boerenvrouw was die niet kon lezen, niet kon schrijven, dit niet en dat niet, en ik dacht: wat een onzin. Ik kom ook uit een klein dorp, Oudeschild, dat was ongeveer een matriarchaat met al die mannen op zee, en de vrouwen wisten zich echt wel te redden. Shakespeare was altijd weg, als toneelspeler, zij redde zich prima, ook als vrouw. Ik vind dat mensen mensen zijn, en dat je ze moet bekijken en beoordelen op hoe ze zijn, in gevoel en verstand. Als ik over jongetjes of mannen schrijf doe ik dat op dezelfde manier. Er is geen verschil.’

Dertig jaar geleden verscheen Een heel lief konijn, daarover zei u dat het gaat over hoe een mens niet weet hoe hij is en zeker niet hoe hij nog kan worden. Exact die zin komt terug in Gisterland.

‘Dat is een zin van Shakespeare, ik geloof van Ophelia.’

En bent u geworden wie u bent?

‘Natuurlijk word je altijd een beetje anders dan je denkt. Maar ik heb het geluk gehad dat mijn vader, die een bakkerij had, nooit studeerde maar heel slim was, zag wat ik wilde. Ik was bijna klaar met de ulo, de vierjarige middelbare school op het eiland, maar ik wilde meer, ik wilde verder. Mijn vader ging, in z’n nette pak, met de rector van het gymnasium praten. Een lyceum was dat, met vanaf de derde klas Grieks en Latijn. ‘Mijn dochter wil hier op school komen.’ ‘Dan kan ze instromen in de derde klas’, zei de rector. Nee, zei mijn vader, ze moet in de vijfde. Maar meneer Dros, zei de rector ontdaan, dat kan niet. U kent die opleiding niet! U kent mijn dochter niet, zei mijn vader.’

Over het opgroeien op Texel schreef u drie autobiografisch geïnspireerde boeken. Daarin is de hoofdpersoon een jongen.

‘Precies! Zie je, het maakt niet uit. Dat deed ik overigens ook omdat mijn moeder bang was dat mensen zich in de verhalen zouden herkennen. Bijvoorbeeld: ons dienstmeisje zou bij het huwelijk van Harrie en mij het Ave Maria zingen in de kerk. Toen werd ik opgebeld door de koster – goeie kennis, klein dorp, iedereen kende elkaar – die zei: ‘Mag ik vragen: je móét toch trouwen?’ Ik zeg ja, hoezo? ‘Dan is het wel vreemd dat je het Ave Maria laat zingen.’ Ik was natuurlijk niet om een woordje verlegen en zei: nou, Maria was anders ook zwanger toen ze trouwde. ‘Maar jij bent niet zwanger van de heilige geest!’, zei hij. Daar had ik zo gauw geen antwoord op. Ik trouwde als gast in die kerk omdat Harrie katholiek was en zijn moeder dat graag wilde, mij kon dat Ave Maria niet zoveel schelen. Maar mijn moeder was woest.’ Ze veert op, priemt met haar vingers in de lucht, sneert met scherpe stem: ‘Zég tegen ’m, zég tegen ’m! Dat zijn vader met de baker in bed lag toen zijn vrouw in het kraambed lag! Zég dat z’n vader...’ – de hele doopceel van die man kwam eraan te pas, al die verhalen die op zo’n dorp de ronde doen. Razend was ze.’

Maar dat trouwen was dus een moetje?

‘Nee, geen moetje. Harrie zegt altijd: een hoefje.’

Hij komt de kamer binnen, de heilige geest in zijn rode houthakkersbloes. Toen hij eerder die ochtend naar boven vertrok riep Imme hem terug, om hem een kus te geven. Nu komt hij er op verzoek bij zitten, de eveneens veelbekroonde auteur, maker van televisieprogramma’s (Oebele, Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen), liedjes, commercials, operabewerkingen. Ze hebben veel samengewerkt; zij bewerkte zijn televisieseries tot verhalen of fotoboeken, hij illustreerde tientallen van haar boeken.

In Immes Gisterland staat de zin: ‘Wat kan er misgaan als er twee sterke willen in het spel zijn.’

Harrie: ‘In het boek is het een retorische vraag. Zo zie ik het ook. Altijd kan er iets misgaan, maar dat heeft niet daarmee te maken, nooit. Ik hóór zo te zijn als ik ben; daardoor houdt ze van me. Dus dat gaat niet mis. En ik ben niet veranderd.’

Imme: ‘Het zou zinloos zijn hem te willen veranderen’. Vrijwel hetzelfde zei ze jaren geleden, in een boekje van Bregje Boonstra over hen tweeën. Daarin vertelt ze ook hoe het was toen ze kinderen kregen: dat Harries werk voorop stond en de tijd die overbleef voor haar was. Imme: ‘Maar ik heb wel ontzettend veel gelezen in die jaren, dat ging wél. In de tijd van het ontbijt naar de lunch, tussen het wegbrengen en weer ophalen, tussen het maken van eten, het huishouden. Toen las ik meer, nu schrijf en vertaal ik meer.’

Dat accepteren van elkaar, elkaar niet willen veranderen: daar hebben veel mensen een hele kluif aan.

Harrie: ‘Het is ook niet bij iedereen hetzelfde. Sommige mensen hebben wonden, dan zijn ze niet toerekeningsvatbaar. Als je gruwelijke ouders hebt gehad, blijft dat je hele leven een wond. Dat hebben wij niet gehad. Wij zijn beiden gelukkige kinderen geweest.

Imme: ‘Op de oorlog na.’

Harrie: ‘Op de oorlog na, ja. Maar er zijn mensen die veel moeten slikken van hun partner omdat dat gewonde mensen zijn en zo is dat bij ons niet. Wij zijn zondagskinderen: de essentiële personen in ons leven hielden van ons.’

Imme Dros. Beeld Jouk Oosterhof
Imme Dros.Beeld Jouk Oosterhof

Jullie hielden zelf ook onmiddellijk van elkaar.

Imme: ‘Maar het begon als vriendschap. Toen ik verliefd werd, zei ik dat meteen dezelfde avond tegen hem. Harrie zei dat hij niet verliefd was op mij, en legde dat uit met een goeie vergelijking. Hij zei: het is alsof je in het café bent en er hangt een heel mooie regenjas, maar hij is niet van jou. Dat kon ik aanvaarden en ik werd binnen de kortste keren verliefd op een ander. Maar niet op dezelfde manier. Bij Harrie dacht ik: hij is het. Vertrouwbaar. Betrouwbaar.’

Harrie: ‘Ik dacht: als ik nu zeg dat ik van je hou, dan heb ik als voor het altaar beloofd dat ik nooit bij je wegga. Dat vond ik griezelig, dat was angst. Maar toen kwam het besef dat ik haar niet wilde missen.’

Imme: ‘En omarmde hij mij en zei: er gaat niets boven ons. Niet in de zin van: wij zijn beter dan andere stellen, maar niets boven ons met z’n tweeën. Het ons.’

Hoe word je dan 80 met z’n tweeën?

Harrie: ‘Makkelijk. Gewoon.’

Imme: ‘Met veel discussies en ruzies ook, niet met elkaar eens zijn.’

Harrie: ‘Zij is driftiger dan ik.’

Imme: ‘Ho ho ho!’

Harrie: ‘Ik ben alleen kórt driftig.’ Ze zucht en trekt gezichten, ze beginnen te lachen en te roepen naar elkaar, je moeder is óók driftig, nou, ze was lief, ja, och, maar nee...’ Harrie: ‘Ik speelde een keer Ouwe Sinterklaas op het eiland, ik deed van alles verkeerd en toen zei Immes moeder, die wel heel erg had moeten lachen: ik dacht dat hij te beklagen was dat-ie met jou trouwde, maar jij bent het, die te beklagen is!’

En, is dat zo?

‘Als ik te beklagen was, was ik weggelopen.’ Hij grijnst.

En nu weer aan de arbeid. Zonder dat ze zich met elkaar bemoeien: hij aan de ene kant van de kamer in het daglicht, zij op de bank in de schemer. Het opengeslagen woordenboek ligt klaar op de gele kussens. Nog een halve werkdag te gaan.

Cv Imme Dros

26 september 1936 Geboren in Oudeschild, Texel.

1955 Gymnasium Den Helder.

1958 Studie Nederlandse taal- en letterkunde Universiteit van Amsterdam.

1963 Huwelijk met Harrie Geelen.

1974 Verhuizing naar Hilversum.

Greep uit publicaties:

1980 De zomer van dat jaar, eerste deel autobiografische trilogie.

1987 Annetje Lie in het holst van de nacht.

1991 Odysseia, metrische vertaling van Homerus (Querido).

1993 De jongen met de kip.

2011 Ilios en Odysseus, dubbeluitgave hervertellingen (Querido).

2015 Ilias, metrische vertaling van Homerus (Van Oorschot).

2017 En toen, Sheherazade, en toen? (Leopold).

2020 Griekse mythen, bundeling hervertellingen (Athenaeum).

2021 Taal is alles wat het geval is, (Prometheus).

2021 Gisterland (Van Oorschot).

Bekroningen:

1983 Nienke van Hichtumprijs voor En een tijd van vrede.

1980 Zilveren Griffel voor De zomer van dat jaar; er volgen er 15, de laatste in 2016 voor Tijs en de eenhoorn.

1988 Woutertje Pieterse Prijs.

2003 Theo Thijssenprijs voor hele oeuvre.

Fotografie: Jouk Oosterhof, haar en make-up: Patricia van Heumen, assistent-fotografie: Nienke Glorie.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden