Schrijver Alfred Birney over zijn succes en de ineenstorting: ‘Zolang je nodig bent, leef je’

Nadat hij met zijn boek De tolk van Java de Libris-prijs won, stortte schrijver Alfred Birney in. 'Echt iets voor mij: heb ik laaiend succes, komen de goden me treiteren.'

Foto Jouk Oosterhof

Het is 7 november, Alfred Birney (66) ligt in een Amsterdams ziekenhuis en is net geopereerd aan zijn hart. Vijf bypasses. 'Heavy ingreep', zegt Birney. Lacherig staat hij op van zijn ziekenhuisbed. 'Wil je het zien? Kun je daar tegen?' Dan tilt hij zijn shirt op en laat hij de wond zien, dichtgenaaid met zwart draad. Het is een indrukwekkende wond. Morgen wordt hij verplaatst naar een ander ziekenhuis, in zijn woonplaats Den Haag, en dat terwijl ze hier morgen nou net ajam bali zouden serveren. Heeft hij weer. Birney giechelt.

Ruim een jaar geleden interviewde ik hem voor het eerst, vlak voor Birney de Libris Literatuurprijs won met De tolk van Java, het boek dat zijn levenswerk is. De tolk van Java gaat over zijn moordlustige Indonesische vader, die in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog uit volle overtuiging de kant van de Nederlanders koos en tientallen mannen (en een enkele vrouw en baby) vermoordde. Hij behield zijn oorlogszucht, die hij later op gewelddadige wijze afreageerde op zijn Nederlandse vrouw en vijf kinderen, van wie Birney de oudste is. De kinderen werden door de Kinderbescherming uit huis geplaatst en Birney bracht de rest van zijn jeugd door in internaten.

Hij kon die Libris-prijs maar één keer winnen, schreef Volkskrant-literatuurcriticus Arjan Peters, en dat was nu, met het boek van zijn leven. Zo gebeurde het ook, en Birney brak op zijn 65ste, na dertien weinig gelezen boeken, door als auteur bij een groot publiek. En dat terwijl het eigenlijk helemaal niet kón, dacht Birney, amateur-astroloog. Het kon niet dat hij in het Chinese Jaar van de Haan, zijn ongeluksteken, zo'n prijs zou winnen.

Dus toen het na die prijs tóch helemaal misging, was Birney niet verbaasd, schreef hij me op 13 juli in een mail. 'Nou wil ik je niet teleurstellen, maar ik ben ingestort. En niet zo'n beetje ook. Echt iets voor mij: heb ik laaiend succes, komen de goden me treiteren. Al mijn Haanjaren zijn shit. Ik dacht: ditmaal niet, ik ga na die prijs swingend het land door. Komt die stomme Haan me toch nog in mijn rug pikken. Mensen praten over stress, te veel hooi op mijn vork, een verstoord dag-nachtritme, een burn-out van het schrijven aan het intensiefste boek dat ik ooit schreef. Alles goed en wel, mijn rug zit muurvast en ik loop met een wandelstok. Ik ben straks om 3 uur bij de dokter en vraag een bloedonderzoek aan, een scan en ook nog - dat is heerlijk! - of-ie mijn oren even uitspuit. Jij wil weten hoe ik het succes draag? Ik bezwijk eronder. Mijn vader zou zeggen: 'Slappeling, goddomme!' Hahaha, ik mis die man. Die vent was zo complex, hij had ook leuke kanten. Ik treed in juli en augustus niet op, maar er speelt meer: uitgevers die hebberig worden en elkaar bijkans in de haren vliegen, filmproducenten, buitenlandse uitgevers. Ik weet niet, Sara. Toen ik niet beroemd was vond ik het allemaal ook wel gezellig.'

We spreken af om in november tijdens een tweede interview terug te kijken op zijn veelbewogen jaar. Maar daar komt die hartoperatie tussendoor. Het is uiteindelijk maart als ik weer bij hem thuis kom. Daar is het opmerkelijk schoner dan tijdens het vorige interview, waarin ik zijn huis omschreef als duidelijk dat van een man alleen. Maar Birney leeft nog hetzelfde: minimalistisch, niet gedreven door de hang naar wat voor spullen dan ook. De keuken: een gasfornuis, koelkast, twee klapstoeltjes en een tafeltje. In de woonkamer: Klippan-bank van Ikea, boekenkast, tafel met laptop, stapels papieren. Tegen de muur: zijn gitaar. Birney heeft spekkoek gehaald, maar bij een Chinees. 'Die kunnen dat eigenlijk niet. Hij is dróóg!'

Daarna: 'Jij bent zelfs in het ziekenhuis geweest! Je hebt mijn wond gezien! Het is nu wel helemaal dicht, hoor. Het was eng, hè?'

Je deed best wel stoer. 

'Ja, want ik kreeg jou op bezoek. Of het kwam door de morfine. Toen je weg was, stortte ik weer helemaal in elkaar. Vijf wegomleidingen hebben ze in mijn lijf gedrilboord. De operatie kun je vergelijken met wat stratenmakers doen, ze gooien de boel open en pleuren de boel weer dicht. Onder mijn litteken ligt er nog van alles scheef, en die zooi zorgt voor napijn. Maar het meest last heb ik van de narcose. Ik ben nog steeds verstrooid. In het ziekenhuis vertellen ze je dat niet. Daar zeggen ze: we zagen je even open, dan doen we dit en dat, dan heb je een wond en die is dan en dan weer dicht. Wat er daarna komt, daar houden ze zich niet mee bezig.'

Foto Jouk Oosterhof

Toen juryvoorzitter Janine van den Ende op 8 mei vorig jaar bekendmaakte dat Birney had gewonnen, liep hij het podium op en zei: 'Het vervelende van zo'n moment is dat je niet onder tafel mag duiken.' Hij was zijn hele speech kwijt, alles, terwijl hij zo goed had geoefend. Birney nu: 'Wel vijftig keer, want ik ben een slecht spreker. Uiteindelijk had ik een gelikt en swingend verhaal. Maar toen ik hoorde dat ik had gewonnen schrok ik me het lazarus. Ik ben ook een beetje verlegen, hè? Ik verzon alles ter plekke. Daarna moest ik Twan Huys van Nieuwsuur te woord staan. Ik moest een stukje voorlezen, dat hadden zij voor me uitgekozen. Een heftig fragment, waarin ik beschrijf hoe mijn vader mijn broer en mij met onze koppen tegen elkaar sloeg. Onprettig, ik wilde iets anders voorlezen. Mocht niet, we waren al bijna live. Dus ik las het maar voor. Ik ben niet ervaren genoeg om zoiets te overrulen. Ik kan me herinneren dat Hugo Claus in het boekenprogramma van Adriaan van Dis zat, en Van Dis vroeg hem: 'Wil je dit voorlezen?' Claus zei: 'Nee, dat vind ik veel te mooi, dat doe ik niet.' Geniaal! Voor zoiets moet je ervaring hebben met beroemd zijn, denk ik.'

Hoe werd je de volgende dag wakker? 'Ik wilde naar zee, maar dat ging niet, want ik checkte mijn smartphone en ik zag talloze berichten. Ik werd voortdurend opgebeld. Van de ene op de andere dag was ik beroemd. Die telefoon blééf maar gaan. De mails zag je voor je ogen binnenkomen, het waren er honderden. Ik heb niemand die me een beetje coacht, geen vriendin die zegt: 'Alfred, we gaan naar zee.' Ik voelde me verplicht alles te beantwoorden. Stom hè?'

Dat ineens beroemd zijn moet je niet onderschatten, zegt Birney. Hij vond het eigenlijk prima om een writer's writer te zijn. 'Ik ben misschien twee keer op het Boekenbal geweest, waarvan de tweede keer vlak voor de uitreiking van de Libris. De keer daarvoor was in 1992, toen de Boekenweek het thema 'Insulinde' had, een koosnaam voor Nederlands-Indië waar ik altijd een bloedhekel aan heb gehad. De gordel van smaragd, die term haat ik ook. Die Boekenweek draaide om Nederlands-Indië en ik was kwaad omdat Adri van der Heijden het boekenweekgeschenk mocht schrijven. Waarom niet Marion Bloem, ofzo, of Van Dis, waarom niet een van die vele Indische schrijvers? Dit was onze enige kans! Maar nee, Indisch schrijvend Nederland, onder wie ik, mocht van de CPNB een flodderblaadje vullen dat werd verspreid in boekhandels. Dus ik liep daar op het Boekenbal heel boos te zijn. Toen werd ik daar aangesproken door, hoe heet-ie nou, een beroemde schrijver, zo'n echte schrijver aan wie je kan zien dat hij een schrijver is. Dus niet zo iemand als ik, snap je?'

Birney lacht met gierende uithalen. 'Die man kwam op me af en vroeg of ik de gitarist was van de band! Als Indo moest ik wel muzikant zijn! Ha! Ik zei: 'Nee, ik ben je collega.' Hij werd knalrood.'

Steeds weer werd gezegd: Birney schreef dertien boeken voor hij doorbrak met De tolk van Java. Soms werd er gedaan alsof die dertien boeken niets hadden voorgesteld, niets meer waren dan een opmaat naar het grote succes.

'Zo zie ik het niet. Het kon me eigenlijk nooit wat schelen, succes of geen succes. Maar toen ik De tolk van Java had geschreven, de eerste versie was klaar eind 2014, dacht ik: hiermee moet ik echt naar een goede uitgever, want dit moet een groter publiek bereiken. Vijf- of tienduizend, dat was mijn ambitie. Verder kon ik met deze thematiek niet komen in Nederland, dacht ik. Want Nederland wil liever niks weten over de koloniale geschiedenis, niet over hoe het echt was tenminste. Nou, zo kwam ik bij De Geus terecht.'

Hoe was het om van de ene op de andere dag een beroemde schrijver te zijn?

'Verwarrend. Ik moest denken aan Adriaan van Dis. Hoe doet hij dat, hij krijgt toch ook heel veel mails? En hoe doet zo'n Grunberg dat? Misschien scheelt het dat zij op minder hoge leeftijd zijn doorgebroken. Zij konden alles aan toen ze beroemd werden, zaal in, zaal uit. Maar als je 65 bent en denkt dat het wel zo'n beetje tijd is om te gaan vissen of zenmediteren, komt het rauw op je dak vallen.'

Je moet toch ook genoten hebben van het succes?

'Het was prettig dat ik steeds werd opgehaald door een taxi, of, beter nog, door een van de dames van de uitgeverij. Eén voor één mochten die dames mij rijden. Overal afgeladen boekhandels, het was een gekkenhuis. Ik zette honderden handtekeningen per dag. De uitgeverij plande alles vol. Dat ze enthousiast waren snap ik ook wel. Zo'n boek haalt veel geld binnen. De tolk van Java heeft 2 miljoen euro omgezet! Het is raar, maar als je een bestseller hebt, ben je voor die uitgevers ineens een hele belangrijke jongen.'

Korte stilte, grinnik. 'Dat deugt toch eigenlijk niet helemaal.'

Maar die aandacht vond je ook wel leuk, toch?

'Ja, toen ik was ingestort, miste ik mijn publiek. Het is gewéldig. Je komt ergens binnen en ze staan allemaal te klappen! Ik voelde me een ster. Ik kreeg ook sterallures.'

O, vertel?

'Nou, ik ging eisen stellen. Als er een taxi werd gestuurd, moest er een flesje cola voor mij achterin liggen. En geen cola zero! Als er cola zero lag, dan zei ik tegen die chauffeur: 'Cola zero? Dat wil ik niet, ik wil gewóne cola. Je moet cola voor me halen!' En tegen die meisjes van die uitgeverij die me ophaalden, zei ik: 'Ik wil een chocomuffin.' Ik begon ontzettend veel troep te eten, en als ik nerveus was nam ik een valiumpje. Als je dat combineert met cola, word je een béétje duf, maar je krijgt tegelijkertijd een oppepper. Ja, ik miste het allemaal wel, tijdens mijn hernia. Ik ging ook nadenken over echte beroemdheden. Nog groter dan Adriaan van Dis, bedoel ik. Over George Benson heb ik gehoord dat hij in hotels zwarte handdoeken eiste. Als die er niet waren, vloog hij terug naar huis. Dat vond ik altijd overdreven, maar ineens begreep ik hem wel. Je leeft onder grote druk, je moet van hot naar her. Natuurlijk hebben The Rolling Stones hun eigen vliegtuig! Ik snapte het ineens helemaal. Al heb je natuurlijk nog steeds mensen bij wie het in hun kop slaat. Ik weet dat één beroemde Nederlandse schrijver in zijn huis een beeld heeft van een sfinx, maar dan met zijn eigen hoofd.'

Foto Jouk Oosterhof

Hoeveel exemplaren van De tolk van Java zijn er verkocht?

'Net geen 100 duizend, maar dat getal gaat zeker gehaald worden. Als ik niet was ingestort en door had kunnen gaan met lezingen geven, waren we er allang overheen geweest. Ik wil graag een huis kopen voor mijn zoon van 25, die asperger heeft. Voor als ik straks doodga, weet je wel? Maar ik heb berekend wat ik nog aan belasting moet betalen, en ik kan nog niet eens een huisje kopen.'

Hoe zag je leven eruit voor je de prijs won?

'Ik leefde als een kluizenaar. Ik ga normaal gesproken om 5 uur naar bed en sta om 1 uur 's middags op, ik lees, schrijf en speel gitaar. Alles draaide helemaal om. En ik heb geen filter, ik laat iedereen toe. Als mensen met hun verhalen kwamen, nam ik die verhalen met me mee. Het ging steeds maar weer over die oorlog.'

Toen ik je vorig jaar interviewde, zei je helemaal geen zin te hebben in lezingen: 'Ik wil het er eigenlijk helemaal niet meer over hebben. Eigenlijk wil ik weg, naar Spanje, de pensionado uithangen.'

'Ja, dat heb ik gezegd hè? Ik wilde die geschiedenis van mijn doorgedraaide vader achter me laten, maar ineens zat ik er weer middenin. Mijn vader leed aan een soort Rambo-complex, van die film, weet je. Rambo vocht in Vietnam en kon bij terugkomst niet meer aarden in de Verenigde Staten. Hij was door die oorlog zo vervreemd geraakt van de werkelijkheid dat hij niet anders kon dan terug naar Vietnam om meer te vechten. Tragisch. Ik herkende veel in Rambo, omdat mijn vader precies zo was. Alleen kon hij nergens naartoe om te vechten, dus reageerde hij het thuis af.'

Heb je tijdens die lezingen ooit het gevoel gehad dat hij over je schouder meekeek?

'Nee, helemaal niet, vind je dat gek? Ik had die hele zooi natuurlijk al in dat boek gepleurd. Ik vond het jammer dat hij niet meer leefde, dat hij er niet van heeft geweten. Ik weet zeker dat hij trots zou zijn geweest, ook al heb ik nog zoveel nare dingen over hem geschreven.'

Terwijl je hem beschrijft als egoïstisch, wreed en moordlustig. Dat zou hij niet erg hebben gevonden?

'Neuh. Europese soldaten krijgen spijt van wat ze in de oorlog hebben gedaan. Aziatische soldaten niet. Waarom niet? Ja, dat vroeg ik me ook altijd af, waarom mijn vader nooit ergens spijt van heeft gehad, van al die moorden, het geweld.'

Of verborg hij dat soort gevoelens?

'Nee! Ik heb met veel Indische mensen gesproken, met meerdere ex-soldaten, en ik heb ze allemaal gevraagd: heeft u er dan geen spijt van? 'Spijt?! Spijt?! Waarvan spijt?!' Zo spraken die mensen. Vraag maar aan Adriaan van Dis. De atoombommen op Japan vonden ze gewéldig! Hoe meer atoombommen, hoe beter. Er komen teksten uit die eerste generatie Indo's, walgelijk. Fascistisch. Je hebt nu toch die discussie over Thierry Baudet? Hij is niks in vergelijking met die eerste generatie Indo's. Ik zie in Thierry Baudet niets fascistisch. Het is gewoon een charlatan, een mooie jongen die kan pianospelen en met zijn seksualiteit overhoop ligt. Thierry Baudet is trouwens ook een Indo, wist je dat? Zijn dweepzucht met oude Europese componisten komt duidelijk voort uit het minderwaardigheidscomplex van de Indo. Ik vond het grappig dat hij zelf in de Tweede Kamer zei dat hij Indo was. Alsof je daarmee iets bewijst. Ik ben Indo, dus ik kan geen racist zijn? Ha, het is eerder het tegenovergestelde! Als er één samenleving racistisch was, was het Nederlands-Indië. Racisme was normaal, en, nu ga ik iets raars zeggen: er werd normáál mee omgegaan.'

Pauzeert even, slok thee. 'Dat kun jij misschien raar vinden, maar het is wel zo. In Nederland wordt racisme niet begrepen. In Indonesië wel. Racisme is een gegeven. In Azië gaat men met dat gegeven om. In Nederland doet men er zo ingewikkeld over.'

Dat moet je even uitleggen.

'Je loopt door een drukke straat. Je ziet mannen en vrouwen, dus je kijkt naar sekse. Ja toch? Soms zie je iemand van wie je niet gelijk kan zien of het een man is of een vrouw. Daar blijft je blik aan hangen - maar waarom eigenlijk? Blijkbaar doet het ertoe, al dan niet onbewust. Het volgende dat je ziet is: Hollander, Turk, Marokkaan, Afrikaan. Of niet soms? Ik noem het: het raciale oog. Als ik in Indonesië ben, is een van de eerste vragen die ik krijg als ik iemand ontmoet: wat ben jij? Raad maar, zeg ik dan. Nou, dan raden ze: blank bloed, Moluks, Chinees? Dat is daar normaal, er wordt een spelletje van gemaakt. Het is een manier om met elkaar in contact te komen. Maar hier doet men er zo geflipt over. Je mág het niet zien! Belachelijk. Als ik jou zie, zie ik een blanke vrouw. Dat mag ik toch zeggen? Het maakt me verder niks uit.' Denkt even na. 'Nou, nee, dat is niet waar. Ik praat makkelijker tegen jou dan tegen een vrouw van Indische afkomst. Er zijn minder gevoeligheden, dat gevoel heb ik. Al zijn er natuurlijk ook dingen die ik niet tegen jou moet zeggen.'

Wat dan?

'Nou, jij bent een geëmancipeerde, Hollandse vrouw. Dan moet ik niet met anti-feministische praatjes aankomen, want dan zitten we hier straks een uur te discussiëren.'

Jij zegt dus dat het nuttig is om mensen ook met 'het raciale oog' te bekijken.

'Ja, natuurlijk! En daarmee zeg ik niet dat racisme niet bestaat, want ik heb zelf ook racistische stuff meegemaakt, hoor, vreselijk. Dat ik naar een kamer kwam kijken en de deur in mijn gezicht dicht werd gesmeten, dat ik een café werd uitgepest of niet werd geholpen in een winkel. Maar ik vind niet dat iedereen die soms zoiets meemaakt zich terug moet trekken in zijn eigen raciale hoekje, zoals sommige zwarten doen door zo in hun zwart-zijn te gaan zitten en maar niet op te houden over de slavernij. Dan krijg je weerstand, dat zie je nu gebeuren. Je ontmoet zo geen sympathie of begrip. Er is geen discussie, alleen maar heen en weer geschreeuw. Het probleem begint in het onderwijs. Ik zou zeggen: stel geschiedenis verplicht voor alle leerlingen tijdens de hele middelbareschooltijd. Zo kweek je generaties die op de hoogte zijn. Pas dan kun je debatteren.'

Wat vind je van de discussie over de 'dekolonisatie' van straten, tunnels en bruggen? Moet de Coentunnel een andere naam krijgen?

'Volslagen onzin. Hoe kan je nou de koloniale geschiedenis willen onderwijzen en aan de andere kant die namen schrappen? Maar ik begin me nu druk te maken, en dat is niet goed voor mijn hart.'

Na zijn hernia volgde ander onheil, had Birney me in een van zijn mails geschreven. Ook in zijn persoonlijk leven brak een crisis uit. 'Ik had al zes jaar een vriendin, een lat-relatie. Zij maakte in de zomer een tournee langs mijn familieleden, om met ze te praten over hoe ik in elkaar zit. En daarna kwam ze het uitmaken. Ze heeft mij altijd al ingewikkeld gevonden, al na een jaar zat ze in een gespreksgroep. Ik wilde weten wat voor gespreksgroep. Voor partners van autisten, zei mijn vriendin. Ik vroeg: maar wat doe jij daar dan? Over mij praten, zo bleek. Ik, autistisch? Ik moest lachen, dat had ik in zestig jaar nog nooit gehoord. Ik vond het ook arrogant, zij drukte een stempel op mij. Dat is geen basis voor een normale relatie. Maar goed, we hebben nog vijf jaar doorgemodderd. We hadden dus wél wat, samen. De vorige keer heb ik je al verteld dat ik niet in staat ben tot een normaal gezinsleven, dat zal ongetwijfeld door mijn jeugd komen. Het lukt mij maar niet om een vrouw zich veilig en geliefd te laten voelen. Ik mis iets wat vrouwen willen, iets wat elke normale man heeft. Ik moet een vrouw elke maand mee naar de film nemen, of naar een concert. Een bosje rozen meenemen. Dat soort dingen vergeet ik.'

Vrouwen voelen zich verwaarloosd?

'Maar daar kunnen ze dan toch iets van zeggen? Ik heb ook een keer zeven jaar samengewoond, met eigenlijk mijn enige echte ex. Zij zei: 'Hé, we gaan morgenavond naar de film.' En dat was dan dat. Zij ging niet op Alfred zitten wachten, zij regelde het zelf. Bij mijn laatste vriendin voelde ik het aankomen, ze was afstand aan het nemen. Ze zei ook iets onaardigs: 'Het gaat nu wel allemaal over jou, hè?' Ik vond dat ik daar niks aan kon doen, ik had nu eenmaal ineens een bestseller. Ik was toch dezelfde gebleven? Ik nam haar zoals ze was, en ik had gehoopt dat zij dat ook bij mij zou doen.'

Tikt met zijn lange gitaarnagels op tafel. 'In 2005, precies twaalf jaar eerder, in het vorige Jaar van de Haan, ging mijn vader dood en maakte mijn voorlaatste vriendin het uit. Twee maanden later kreeg ik mijn eerste hartaanval. En nu, in september 2017, in het Jaar van de Haan, maakt mijn vriendin het uit en lig ik twee maanden later met hartklachten in het ziekenhuis. Dat is toch maf?'

Foto Jouk Oosterhof

Hoe voelt dat, een hartaanval?

'Ik voelde me al weken niet zo best. Op een nacht durfde ik niet te gaan slapen, ik was bang dat ik niet meer wakker zou worden. Ik was onrustig, ging steeds naar het balkon om een sigaret te roken. Om 6 uur 's ochtends belde ik 112. Ik moest op de drempel gaan zitten wachten tot ze kwamen en stak nog maar een sigaret op. Mijn laatste sigaret, dacht ik, en ik dacht ook: als ze maar niet te snel komen, want dan krijg ik hem niet op. Het is maar goed dat ik toen de ambulance heb gebeld, want anders was ik dood. Ik vond het te vroeg om dood te gaan, mijn zoon heeft me nog nodig.'

Dat was het enige waar je aan dacht?

'Eigenlijk wel. Ik hang niet zo aan het leven. Als ik geen kinderen had gehad, had ik hier waarschijnlijk weer lekker zitten paffen. Je moet toch ergens voor leven? Jij leeft toch ook voor je dochter? Zo lang je nodig bent, leef je. Als je niet nodig bent, is het niks.'

Terug naar de ambulance, het ziekenhuis.

'Ik werd op de intensive care gelegd. Mijn ex kwam nog langs. Ik vroeg: 'Waarom ben je weggegaan? Je kunt nog terug hoor.' Ik weet niet meer wat ze antwoordde, maar verleden week belde ze, ze wil komen praten. We hadden een afspraak, maar ik keek in mijn sterren en zag dat ik alleen maar ruzie zou maken, dus ik heb afgezegd. Hoewel ik best benieuwd ben naar waarom ze wil komen. Ik vrees om te evalueren, want daar houdt ze erg van, of om te zeggen dat ze een nieuwe vriend heeft. Weet je hoe lang ik na mijn vorige hartaanval alleen ben geweest? Zes jaar! Ik dacht dat ik nooit meer een vrouw zou krijgen. In die tijd heb ik een dagboek bijgehouden. Een deel daarvan zal volgend jaar worden uitgegeven bij de Arbeiderspers, in die serie Privédomein. Het gaat over literatuur, over mijn zoon, over fietsen, over vrouwen, want de hoofdpersoon kijkt graag naar vrouwen. En over de parkieteninvasie in Den Haag. De hoofdpersoon is pro-parkiet, de rest van straat is anti-parkiet. Hij gaat zich ook steeds meer vereenzelvigen met die parkieten. Je begrijpt wel waar het allemaal voor staat.'

Jij bent met horoscopen bezig. In Nederland wordt daar in het algemeen op neergekeken, zeker door intellectuelen. Die zullen niet snappen dat je echt denkt dat het afgelopen rampjaar ook maar iets te maken heeft met het Jaar van de Haan.

'In Nederland wordt op álles neergekeken. Ik begrijp die mensen wel, want die denken aan de daghoroscoop in De Telegraaf. Dat is het verhaal natuurlijk niet. De Chinese astrologie is mateloos interessant. Jouw Chinese sterrenbeeld is gelukkig een Hond, maar als jij een Haan was geweest, had ik hier heel anders gezeten. En ik zag toch ook gelijk dat je een Kreeft was, vorige keer? In het Westen, en daarom hou ik niet van westerse filosofen, is de mens het middelpunt van het universum. De Chinese wijsgeren kijken ook naar de dieren, naar de planten, die praten niet over God, maar over de wil van de hemel. Dat is toch veel mooier? Overigens heb ik van mijn redacteur hele uitweidingen over astrologie uit De tolk van Java moeten halen. Het stond opschepperig, zei hij. Maar misschien vindt hij wel dat astrologie mensen afstoot. Jammer, hoor.'

Denk je, terugkijkend op vorig jaar, ook dat het schrijven van De tolk van Java deze tol van je heeft geëist?

'Het lijkt me wel. Voor dit boek moest ik het leven van mijn vader reconstrueren. Dat was zwaar. En het schrijven was ook zwaar. Zoals je inmiddels weet schrijf ik met mijn hart, niet met mijn hoofd. Maar soms denk ik dat bij dit boek teveel met mijn hart heb geschreven. Als je zo met je hart schrijft als ik heb gedaan, sloop je het.'

Had het anders gekund?

Schraapt zijn keel. 'Dan was het veel minder goed geworden. Ik heb mezelf helemaal gegeven. In 2014 deed ik niets anders dan schrijven. Ik was er niet meer, ik leefde in mijn boek. Mijn lezers zeggen dat het boek zo eerlijk is, wat dat ook moge betekenen. Maar ik moet ze teleurstellen, want de ergste dingen heb ik niet opgeschreven. Er zijn dingen die je niet kunt opschrijven. Eén voorbeeld, ik weet niet meer hoe oud ik was, ik denk 4 of 5. Ik had iets gedaan wat niet mocht, ik weet niet meer wat, en mijn vader had me vastgebonden op een stoel. Elke keer dat hij langsliep, sloeg hij me. In mijn herinnering duurde het een hele dag. Ik vrees dat hij de martelmethodes die hij in de oorlog had geleerd, gewoon heeft toegepast op zijn eigen kinderen. Ik heb het maar uit het boek gelaten, anders werd het zo overdreven. Als ik alles had opgeschreven, had de lezer na vijftig pagina's gedacht: nu weet ik het wel. Dat is de kunst van het schrijven.'

Een paar weken na het interview blijkt het niet goed te gaan met Birney, al blijft de toon van zijn mails opgewekt. Wat eerst door de huisarts nog 'een dip' werd genoemd, bleek ernstiger: toenemende last van hartkrampen, een opname in het ziekenhuis. Misschien wordt hij gedotterd, anders wacht er een 'onplezierig leven met medicijnen'. Hij wacht ten tijde van de deadline van dit interview op een ziekenhuisbed, veel is nog onduidelijk. Maar hij vraagt nog wel hoe de foto's zijn geworden. 'Niet te treurig, toch?'

CV Alfred Birney

Birney werd op 20 augustus 1951 geboren in Den Haag als oudste van vijf kinderen. Vanaf zijn 13de woonde hij in internaten en tot zijn 25ste leidde hij een zwervend bestaan. Hij verdiende zijn geld als gitaarleraar en musicus. Hij introduceerde het gecombineerde noten- en tabulatuurschrift voor gitaristen, dat grote navolging kreeg.

Door een beschadiging aan zijn hand moest hij zijn carrière als professioneel muzikant opgeven.

Hij debuteerde in 1987 met de roman Tamara's lunapark en publiceerde sindsdien vijftien boeken. Van 2002 tot 2005 was hij columnist voor de Haagsche Courant. Met zijn laatste roman, De tolk van Java, won hij de Henriëtte Roland Holst-prijs en de Libris Literatuur Prijs. Het boek werd een bestseller.

Onlangs verscheen De fenomenale meerval, een selectie van oudere verhalen.