interview

Schrijver Aaf Brandt Corstius over haar zielige jeugd: ‘Het meeste schaamde ik me omdat ik geen moeder had’

Aaf Brandt Corstius.
 Beeld Oof Verschuren
Aaf Brandt Corstius.Beeld Oof Verschuren

Schrijver Aaf Brandt Corstius zegt het zelf: haar jeugd was zielig. Haar moeder heeft ze nauwelijks gekend en haar vader kon weinig met zijn vaderrol. In een nieuw theaterstuk komt het allemaal aan bod. ‘Soms ben ik bang dat ze vinden dat ik hem door het slijk haal. En dan denk ik: o God, mag niet.’

Sara Berkeljon

Aaf Brandt Corstius weet nog precies wat ze dacht, toen ze op haar verjaardag een kartonnen doos kreeg, die openmaakte, en een hondje zag. ‘Ik dacht: dit is een robot. Want ik krijg geen échte hond, dat kan gewoon niet. En toen moesten mijn vader en moeder lachen.’

Het was een echte hond, Aaf noemde haar Sacha. Welke verjaardag het was, dat weet ze niet meer. ‘Het moet zijn geweest toen mijn moeder al ziek was, omdat er geen foto’s meer werden gemaakt. Ik heb geen enkele foto van Sacha. Ik denk dat ik 5 werd. Misschien heeft mijn moeder gedacht: op deze manier breng ik weer wat geluk in huis.’

Het krijgen van het hondje is een van de paar herinneringen die columnist en schrijver Brandt Corstius (46) heeft aan de tijd voor het overlijden van haar moeder Tatje Smits, op 34-jarige leeftijd, aan de gevolgen van huidkanker. Aaf was 6, haar zusje Merel was 5, broertje Jelle was 3. ‘Zij hebben helemaal geen herinneringen aan haar. Ik heb er tenminste nog een paar.’

Al het andere wat Brandt Corstius over haar moeder weet, reconstrueerde ze aan de hand van andermans verhalen. ‘Er is een boek waarin vrienden en familie na haar dood over mijn moeder hebben geschreven. Dat is mijn schat. Daarin is een standbeeld voor haar opgericht, waar ze als gewone vrouw nooit tegenop had gekund: ze was mooi, charmant, grappig, slim, de perfecte moeder. Ze deed honderd cursussen, was handwerkjuf, liep met iedereen te sjansen, hield van cultuur én van Ajax. Het was vast allemaal waar, maar er stond natuurlijk niks negatiefs in. Ik dacht altijd: zo moet ik dus ook worden, ongeveer zo iemand zou ik wel moeten zijn. Dat je op een feestje binnenkomt, en iedereen meteen zoiets heeft van: halló! Dat je verhuist naar een nieuwe stad en meteen honderd vrienden hebt. Maar zo ben ik helemaal niet. Ik kon dat niet. Het had iets onbereikbaars.’

Over haar moeder, die er niet was, en misschien daarom nog wel belangrijker werd, maakte Brandt Corstius een voorstelling: Welkom bij mijn zielige jeugd, waarin ze op het podium vertelt over haar, nou ja, zielige jeugd. Met veel zelfspot en dansjes (de zij-sluit uit Kinderen voor Kinderen), televisiefragmenten uit Beverly Hills 90210 en Who’s the Boss?, maar toch: over haar zielige jeugd. Over hoe het is om je als kind ontheemd te voelen, om op te groeien met één ouder, in haar geval een vader die er nogal onorthodoxe opvoedmethoden op nahield.

Neem die hond. Negen maanden na de dood van haar moeder besloot haar vader Hugo Brandt Corstius, de in 2014 overleden columnist en schrijver, een baan aan een universiteit in Minnesota te accepteren. Sacha mocht niet mee. ‘Mijn hond werd weggegeven, want wij emigreerden naar Amerika. En het was, zei mijn vader, praktisch niet mogelijk om die hond mee te nemen. Wat natuurlijk heus praktisch wél mogelijk is. Maar volgens mijn vader was een hond in het vliegtuigruim zetten het ergste wat je kon doen. Ik kreeg een knuffelhond, op de dag dat Sacha werd weggegeven. Die heb ik Sacha genoemd en tot mijn 30ste overal mee naartoe genomen. Mijn vader was echt geen harteloze man, hoor. Ik denk dat het voor hem, en dat begrijp ik ergens ook wel, te veel was: drie kinderen, in z’n eentje, een carrière, en een emigratie. En dan ook nog een hond? Bovendien: hij haatte honden.’

Sindsdien had Brandt Corstius nooit meer een hond, maar de wens is er nog wel. ‘Ik vind eigenlijk dat ik het mezelf moet gunnen, want ik wil zo graag rondfietsen met een teckeltje in mijn fietsmand. Maar als ik het zo tyfusdruk heb als nu, met m’n columns, een theatertour en een podcast, denk ik weer: forget it. En dan kijk ik ineens ook nooit meer op verhuisdieren.nl, wat ik anders de hele tijd doe. Dus wat dat betreft ben ik geen model-hondenwiller. Maar ik wil het wel. Alleen wil Gijs (Groenteman, echtgenoot, red.) het niet, dat maakt het een lastige kwestie.’

Opeens staat er een man met een boor op het dakterras van de bovenwoning in de Amsterdamse Watergraafsmeer. ‘O, wacht, dit is niet het moment, meneertje Koekepeertje.’ Ze loopt naar buiten, stuurt hem allervriendelijkst maar gedecideerd weg. Terwijl ze terugloopt: ‘Soms denk ik: jezus, m’n moeder zou toch eens moeten weten dat ik dit aan het doen ben. Dat ik op een podium van alles over haar sta te vertellen. Er kwam dit weekend een vriendin van mijn moeder kijken, en die zei: je hebt een monument voor haar opgericht. Dat is het gewoon. Niet dat ik mijn vader iets betaald wilde zetten, maar ik heb vaak het gevoel gehad dat mensen onterecht denken dat ik alles van hém heb. Dat schrijftalent, dat heb je van je vader! Nee, dat heb ik van mijn moeder. Want mijn moeder schreef zoals ík schrijf, mijn vader had een totaal andere stijl en totaal andere interesses. Ik denk dat ik veel beter in de Smits-hoek pas dan in de Brandt Corstius-hoek, maar leg dat maar eens uit.’

Je bent schrijver. Heb je ook een boek overwogen, in plaats van een theaterstuk?

‘Ik ben begonnen met een boek. Ik ben mijn moeders vriendinnen gaan interviewen en haar enige nog levende zus. Maar het werd één grote klaagzang. Ik kreeg er geen toon in die ik zelf prettig vond. De vrolijkheid die er ook was in het gezin, het plezier dat we hadden met onze gekke vader, dat kreeg ik er niet goed in, dus ik ben ermee gestopt. Toen kwam, langzaam, het idee op om er een voorstelling van te maken. Want dan zou ik liedjes kunnen draaien, stukjes uit oude tv-programma’s kunnen laten zien, het luchtiger maken. Want sommige momenten zijn echt wel zwaar, en ik moet ook niet bang zijn om dat gewoon te laten zien. Ik vind dat wel moeilijk, soms. Dan denk ik: ik vertel nu hele zware dingen aan de mensen.’

Aaf Brandt Corstius. 


 Beeld Oof Verschuren
Aaf Brandt Corstius.Beeld Oof Verschuren

Toen ze klein was, had ze geen idee waaraan haar moeder was overleden. Er werd niet over gesproken. ‘We zijn volgens mij maar één keer bij haar in het ziekenhuis geweest, mijn tante had mij en Merel verpleegsterspakjes aangetrokken. Ik herinner me dat ik voor het eerst zag dat het niet goed met haar ging, ze liep met een groot dienblad met koffiekopjes, en kon het niet meer dragen. Ik dacht: o god, het komt door dat dienblad. Jelle zei als kind altijd: ‘Mama heeft een te zware stapel pannekoeken gedragen.’ Misschien heb ik dat van dat dienblad aan hem verteld en heeft hij er net iets anders van gemaakt. Deze fabel hebben we jarenlang volgehouden, want we wisten niet wat er echt met haar was. Mijn moeder zelf weigerde te accepteren dat ze doodging. We hebben geen afscheid van haar genomen, ze heeft geen kist met briefjes achtergelaten. Al moet ze hebben gedacht: hoe moet dat straks, zonder mij? Die gedachte, dat moet voor haar de hel zijn geweest. Ze heeft vast gehoopt dat er een vrouwenhand ergens vandaan zou komen, maar dat gebeurde niet. Pas op mijn 12de kwam mijn stiefmoeder in ons leven, maar zij was niet iemand die thuis alles ging regelen.’

Je vader trok zich toen hij weduwnaar werd nogal letterlijk terug. Hij pakte zijn koffers en vertrok met jullie naar Minnesota, weg van school, familie en vrienden. Begrijp je waarom?

‘Hij wás een kluizenaar, in hart en nieren. Mijn vader wilde nooit een echte relatie en kinderen, dat had mijn moeder in hem naar boven gehaald. Toen zij er niet meer was om hem uit zijn kluizenaarschap te trekken, deed niemand dat meer. Hij was natuurlijk ook verdrietig, hij vond het moeilijk om om hulp te vragen. Die emigratie, dat was natuurlijk vrij krankzinnig. Je moeder is dood, en dan moet je ook nog met een overspannen vader naar een ander land verhuizen. Er zijn bij ons wel dingen afgehakt, denk ik. Hij sprak ook niet met ons over vroeger, haalde geen herinneringen met ons op aan onze moeder, het werd niet levend gehouden. Van een emigratie wordt een kind natuurlijk onzeker, en dat doen op zo’n moment, is gewoon een slecht idee. Al waren er ook vrienden van mijn ouders die het toen wél een goed idee vonden. Die zeiden: hij werd belaagd door iedereen, iedereen wilde zich met jullie bemoeien, hij wilde een frisse start maken.’

Wat denk jij, wilde hij een frisse start maken?

‘Ik denk dat hij wilde vluchten. Hij deed het uit paniek. Ik heb dat ook wel eens gehad hoor, op momenten in mijn leven dat ik me echt slecht voelde, dat ik dacht: ik verhuis naar Zuid-Amerika, en dan begin ik opnieuw. De gedachte is niet vreemd. En je kúnt het ook doen, maar misschien niet met drie kleine kinderen die net hun moeder hebben verloren. Toen we eenmaal waren gesetteld, gingen we weer terug. En niet naar Overveen, waar we eerst woonden, maar naar Amsterdam, wéér een andere stad. Wéér alles opnieuw.’

In de voorstelling vertel je dat hij in Minnesota zijn liefdesperikelen met je besprak.

‘Ja, dat was best gek, want ik was 7. Ik vond het leuk, en ergens ook eervol. Hij had allerlei vriendinnen. En daar maakte wij grappen over, waar hij zelf vrolijk aan meedeed, want hij nam niet al die vrouwen even serieus. Dus dan zaten we met z’n vieren zo’n vrouw uit te lachen. Het voelde dan alsof we een enorme band hadden, maar het is natuurlijk een beetje raar.’

Hoe kan het dat hij zo’n vrouwenmagneet was?

‘Mijn vader, dat moet ik hem nageven, was echt goed in vrouwen versieren. Het kwam niet doordat hij bekend was, want in Amerika was hij niet bekend. Geld hadden we daar ook niet, niet eens een auto. Wat wel zo is, is dat weduwnaars een bepaalde aantrekkingskracht op vrouwen uitoefenen. Maar bij hem was het meer dan dat: hij had iets onaantastbaars, waar vrouwen volgens mij als een blok voor vallen. Dit ben ik, ik stink en heb gaten in m’n kleren, maar je neemt me maar gewoon zoals ik ben. Dat heeft iets aantrekkelijks. Zó autonoom. Hij was ook slim en grappig, en hij kon erg lang dansen op een dansvloer. Ik heb hem met veel vrouwen ontzettend veel plezier zien hebben. En dat snapte ik wel. Hij was op z’n leukst als er een vrouw bij was. Ik vond hem ontzettend zielig, dus ik was altijd blij als hij een nieuwe liefde had.’

Aaf Brandt Corstius.  Beeld Oof Verschuren
Aaf Brandt Corstius.Beeld Oof Verschuren

Je vader bakende zijn eigen ruimte strikt af, er was eigenlijk nauwelijks plaats voor jullie.

‘Het ging altijd om: wat wil papa? In wat voor humeur is papa? En daar dansten wij omheen, op eieren lopend. We maakten, zodra we wat ouder waren, ons eigen ontbijt en gingen zelf naar school. We mochten ’s ochtends niet douchen, want dan sliep hij, en we mochten hem niet wakker maken. Het is niet leuk om op je 16de ongedoucht naar school te moeten. We deden zelf onze was, want als hij het deed, werd alles roze of het kromp. We waren naast de school gaan wonen, zodat we zelf naar school konden lopen. We moesten om 9 uur naar bed, ongeacht onze leeftijd, want dan ging hij aan het werk. En dat controleerde hij ook, dan ging hij in de achtertuin staan om te kijken of boven onze lichten nog brandden. DOE HET LICHT UIT! Ik vond het niet erg om mijn eigen brood te smeren, maar ik wist ook wel hoe het bij andere gezinnen ging, dat ze ’s ochtends gezellig aan tafel zaten. Dat vond ik een nare gedachte. Ik schaamde me en had het idee: niemand snapt hoe ík ontbijt. Het gaat erom dat er iemand is die jou ’s ochtends even aandacht geeft, dat iemand zegt: er zit tandpasta op je trui.’

Kookte hij voor jullie?

‘Nee. Dat heeft hij echt nog nooit gedaan.’ Harde lach. ‘Gelukkig! Één keer heeft hij spaghetti gemaakt, toen deed hij de pasta in een pan warm water uit de kraan en is hij erbij gaan staan wachten. Hij heeft nooit één kop koffie gezet. Hij heeft nooit een gasfornuis bediend. In Amerika hadden we oppassen die kookten, en we gingen vaak uit eten. Later in Amsterdam kwamen er studenten bij ons thuis om te koken. Het ergste vond hij als iemand aan zijn kranten zat. Op de bank lag altijd een stapeltje kranten waar wij absoluut niet aan mochten komen, en de rest lag op zijn gigantische werkkamer. Er zat geen enkel systeem in, maar niks mocht worden weggegooid. We hadden thuis nooit een kerstboom, dat vond ik heel erg. Eén keer heb ik een kerstboom bij het grofvuil vandaan gehaald en naar huis gesleept.’

Tandenpoetsen, nagels knippen, haar borstelen? Deed hij dat?

‘Het liep vaak erg uit de hand. Op een vakantie was hij aan het zwembad in slaap gevallen zonder ons in te smeren, en Jelle moest toen met brandwonden naar het ziekenhuis. Ook daarna vond hij het veel werk om ons in te smeren, dus moesten we altijd een shirt met lange mouwen aan. Als je luizen had, zoals elk kind wel eens heeft, moest je van school naar huis om je haar te laten wassen en uit te kammen. Mijn vader deed dat gewoon niet. We kamden sowieso nooit ons haar. Mijn zus Merel heeft dik, krullend haar, en als je dat nooit kamt, wordt het een enorme klittenbos, en als je dan ook nog luizen krijgt, heb je een enorme klittenbos vol luizen. Je verwacht zoiets niet op een kakschool in Amsterdam Zuid. Mijn zus mocht niet meer naar school tot het was opgelost. Er kwamen drie oppassen om te proberen het uit te kammen, maar dat lukte gewoon niet. Ze moest naar de kapper en alles moest eraf, tot een paar centimeter. Ze kreeg toen allemaal Madonna-posters, waar ik heel jaloers op was.’

Wat vonden je broer en zus van de voorstelling?

‘Mijn broer vond het pittig. Hij zei: ik ben het eens met alles wat je vertelt, ik herken alles, maar ik hoef dit echt nóóit meer te zien. Op een gegeven moment zag ik tijdens de voorstelling vanuit mijn ooghoek mijn zus haar arm om mijn broer heen slaan. O, god. Mijn zus vond het mooi. Ze is wat opgeruimder over sommige dingen dan mijn broer en ik, zij is niet iemand die de zwaarte opzoekt.’

Hoe was jullie relatie vroeger? Hadden jullie steun aan elkaar?

‘Het was wij met z’n drieën tegen onze dominante, soms tirannieke vader. We lachten ook vaak om hem. Als we met hem in het vliegtuig zaten, gingen we hem observeren en maakten we een irritatiegrafiek, die lijn zag je altijd heel steil omhooggaan. Onderling was het vaak: mijn zusje en ik tegen mijn broertje. Hij was fysieker, hij ging ons gewoon in elkaar meppen. En daar was dan weer nul controle op. Ik gooide stoelen naar ze, enzo. We zijn allemaal erg explosief. Als mijn kinderen gaan slaan, ga ik ertussen staan. Maar mijn vader dacht: ik heb hier geen zin in, ik ga naar boven en jullie vechten elkaar maar de tent uit. Dat kun je niet doen, want kinderen stoppen niet uit zichzelf. Het is lang zo gebleven – eigenlijk nog steeds wel – dat die woede tussen ons snel omhoog kan komen. Je weet precies hoe je elkaar moet triggeren. We schreeuwden ook tegen mijn vader, en hij tegen ons: ik wou dat ik jullie nooit had gekregen! Ik snap dat hij dat weleens dacht, maar dat moet je nooit zeggen. Als ouder moet je op z’n minst probéren een soort rationaliteit te behouden. Al snap ik ook dat het moeilijk is, in je eentje met drie kinderen en een temperament.’

Je hebt nog steeds de neiging hem te verexcuseren.

‘Ja, hahaha. Dat blijf ik altijd houden, denk ik. Soms ben ik bang dat mensen vinden dat ik hem door het slijk haal. En dan denk ik: o God, mag niet! Iemand zei na de voorstelling: nou, je pakt hem wel hard aan. Terwijl anderen zeggen dat ik mijn vader ook liefdevol behandel. Ik hoop het maar. Hij heeft zijn best gedaan, maar hij heeft ook fouten gemaakt. Wat Gijs altijd zegt: als jouw moeder was blijven leven, dan was hij gewoon die gekke professor op zolder geweest die af en toe een gek dansje met je kwam doen, en dat was dan prima geweest.’

Is je vader vreemder geworden toen je moeder overleed, denk je?

‘Ik denk wel dat hij veel meer zijn gangetje kon gaan toen hij alleen was. En ik denk ook wel dat mijn moeder er, toen ze nog leefde, af en toe knettergek van werd. Dat moet wel. Ik heb er zelf de nodige therapie voor gehad, om het allemaal een beetje aan te kunnen. Hij had een vorm van autisme, denk ik. Ik ben een asperge, zei hij altijd. Ik heb wel eens naar de eigenschappen gekeken die bij Asperger horen, en inderdaad: 100 procent mijn vader. Hij had extreem weinig gevoel voor emoties en sociale situaties. Ik blijf het zó moeilijk vinden om hem erop aan te vallen, omdat ik denk: je zal het maar moeten doen. Met drie kinderen, met je zeer beperkte toolbox aan emotionele vaardigheden. Daarom wil ik hem nooit aanklagen. Omdat ik denk: hij hééft het gedaan, en we zijn geen van drieën aan de heroïne gegaan. We zijn drie vrij lekker bezig zijnde mensen, met allemaal butsen, maar toch. Tegelijkertijd denk ik, en dat heb ik moeten leren: jezus man, had je ons niet af en toe íéts meer het gevoel kunnen geven dat we ruimte mochten innemen?’

Denk je dat je zelf na je 6de erg veranderd bent?

‘Ik weet niet hoe ik daarvoor was. Maar ik schaamde me voor alles, en dat had ik niet toen ik nog een moeder had. Als ik foto’s van mezelf zie van voor mijn 6de, zie ik een normaal kind met een bloempotkapsel, maar als ik foto’s zie van toen ik 7 was, zie ik een getraumatiseerd, bang kind, met haar schouders omhooggetrokken. Ik bén een bang iemand, dus dat zal vast ook in mijn karakter zitten. Je wéét het gewoon niet, waardoor dat komt. Er zijn ook kinderen met twee ouders en een veilige jeugd die angsten hebben. Maar het zal bij mij in ieder geval niet hebben geholpen.’

Waar schaamde je je voor?

‘Het meeste schaamde ik me omdat ik geen moeder had. Een goedlopend, beetje burgerlijk gezin met twee ouders, dat vond ik het allermooiste wat er was. Als ik bij mensen thuis kwam, en de keuken was netjes, en de moeder vroeg of ik thee wilde met een koekje – dat was voor mij het hoogst haalbare. Mijn vader deed dat natuurlijk niet, hij was erg ongastvrij. Als er een vriendinnetje van mij was, en die ging de keuken in om een glaasje water te pakken, dan vond hij dat heel erg. Als er iemand aanbelde, verstopten we ons achter de bank. En als er iemand voor mij belde, legde hij de hoorn erop, dat deed niet veel goeds voor mijn sociale leven.’

Aaf Brandt Corstius. 
 Beeld Oof Verschuren
Aaf Brandt Corstius.Beeld Oof Verschuren

Je kreeg dwangneurosen, kwam dat wel onmiskenbaar door de dood van je moeder?

‘Dat had er direct mee te maken. Ik was bang dat mijn vader ook dood zou gaan, en om dat te voorkomen moest ik op de trap met mijn rechterbeen beginnen, leestekens tellen, mijn hand even tussen een dichtvallende deur houden, op een glas bijten als ik een slokje wilde nemen. Leestekens tellen doe ik nog steeds, maar ik kan het nu heel snel. Zei ze trots, hahaha.’

Wat doe je dan precies?

‘Bij elke regel die je leest, tel je de leestekens en deel je ze in in groepjes. Komma, komma, punt, bijvoorbeeld: dan zeg je drie, het totaal, en dan twee, want er zijn twee groepen – komma’s en punten – en dan zeg je één, voor de grote groep van alle leestekens. Maar je hebt ook regels waarin puntkomma’s, dubbele punten en uitroeptekens staan, en dan duurt het best lang, want een puntkomma bestaat in mijn systeem uit twee delen, en een uitroepteken ook. Wat ik ook doe is van de bladzijdenummers de lettergrepen tellen. Bladzijde 48 en 49, dat zijn negen lettergrepen. Dat moet, en als ik het niet heb gedaan, moet ik terugbladeren. Toen mijn eigen kinderen net waren geboren, en ik extra alert en angstig was, kreeg ik veel meer last van dwang. Dan moest ik steeds als ik iets engs dacht hardop nee zeggen. Nee! Niet echt handig. In destabiliserende perioden komt het naar boven.’

Leestekens tellen is relatief nog onschuldig. Als je een glas kapot bijt, is dat gevaarlijk.

‘Ja, zeker. Dat gebeurde dus ook, ik zat met een mond vol glas. En met die vingers tussen deuren, daar gebeurde ook een ongelukje mee, dus dat werd door mijn vader opgemerkt. Toen zei hij: dat moet je echt nooit meer doen! Hij werd boos. Nou ja, oké, dacht ik, dan bijt ik niet meer op glazen maar doe ik wel die vijfduizend andere dingen die geen gevaar opleveren.’

Ben je in de puberteit tegen hem gaan rebelleren?

‘Ik denk dat ik daar geen ruimte voor had. En ik dacht: dat is zielig voor papa. Het sloeg naar binnen, het ging allemaal in onzekerheid over mezelf zitten. Ik vond mezelf er niet mooi uitzien, ik vond mezelf niet leuk. In mijn jaar op het Vossius Gymnasium stond zo ongeveer iedereen ingeschreven bij een modellenbureau, iedereen deed hockey en had een scooter. Ik paste er niet helemaal tussen. Op school wist ik me wel staande te houden, maar thuis moest ik vaak huilen. En dan gebeuren er ook nog allerlei ontregelende dingen: ongesteld worden, borsten krijgen, okselhaar. Het is fijn als er dan iemand is die zegt: hé, wat leuk, je krijgt borsten, zullen we naar een leuke winkel gaan en een paar beha’s voor je kopen? Zelf kan ik me daar nu al op verheugen, met mijn eigen dochter. Als zij ongesteld wordt, ga ik een ketting voor haar kopen, of een taart. Maar bij mij was het: schaam, schaam, schaam. Dat ik in m’n eentje in de Hema stond om mijn eerste beha te kopen, herinner ik me als een heel eenzaam moment.’

Waren dat momenten dat je bewust je moeder miste?

‘Dat deed ik eigenlijk altijd. Ik wist, als ik naar andere kinderen keek die er goed verzorgd uitzagen, dat hun moeder dat deed. En dat kon ik zó benijden. Ook omdat ik zag, en dat zie ik ook bij mijn eigen kinderen, hoe for granted ze het allemaal namen. Natuurlijk ging hun moeder hun kleren wassen, natuurlijk zorgde hun moeder dat ze voor schoolreis een nieuwe regenjas hadden. Ik snapte niet hoe anderen niet zagen hoeveel ze boften in hun leven! Ik ben zelf natuurlijk het tegenovergestelde geworden van mijn vader, dus als mijn kinderen op schoolreis gaan maak ik een paklijst en koop ik nieuwe zaklantaarns. O, mam, zeggen ze dan, je pakt veel te veel in, ik wil maar één broek. En dan denk ik: je zou eens moeten weten hoe fijn je het eigenlijk hebt. Maar dat is een rare gedachte, want wat ik doe is natuurlijk volstrekt vanzelfsprekend. Ik ben gewoon dat iets te aanwezige meubelstuk wat je als moeder moet zijn.’

18 was voor je vader een harde grens: dan moesten jullie het huis uit en hoefden jullie niet meer bij hem aan te kloppen.

‘Dat zei hij ook: nu zijn jullie geen kind meer, en nu hoef ik geen verjaardagscadeautjes meer voor jullie te kopen. Bij hem was het toen we 18 waren echt: ik wil je niet meer in huis hebben, geen dag. Dat verwijt ik hem het allermeest, denk ik. Hij is in mijn volwassen leven zo hard tegen me geweest.’

Je emigreerde als twintiger voor een liefde naar New York, het werd een mislukking en je keerde na een maand terug, terwijl je huis in Amsterdam nog was onderverhuurd. Ook toen mocht je niet bij je vader logeren, zei Gijs.

‘Terwijl hij zelf niet eens thuis was, hè. Zijn huis stond leeg, hij zat in het buitenland. En ik mocht er niet in. Ik belde hem en zei: pap, ik heb mijn huis onderverhuurd, ik weet het echt even niet. En hij zei: nee, kan niet. Dat huis was zó begrensd. Je mocht nooit zomaar langskomen, nooit onaangekondigd blijven eten. Altijd eerst bellen, en dan was het nog ingewikkeld. Dat vind ik bijna traumatischer dan hoe hij mijn hele jeugd tegen me heeft gedaan. Toen wás hij er wel.’

Aaf Brandt Corstius. 

 Beeld Oof Verschuren
Aaf Brandt Corstius.Beeld Oof Verschuren

Hoe lang duurde het voor je zag dat jij zelf eigenlijk zielig was, en niet alleen je vader?

‘Het was niet zo dat ik mezelf nooit zielig vond, maar ik was aan het overleven. Toen ik 25 was, ben ik in therapie gegaan. Ik zat toen in een ingewikkelde relatie, waarin sprake was van een soort psychologische oorlogsvoering waartegen ik niet was opgewassen, maar eruit komen lukte ook niet. Ik had geen basis, wapperde maar wat in het rond en wou ’s ochtends amper uit bed komen. De huisarts zei: ik denk dat je depressief bent. Maar ik dacht: dat is het niet! Ik heb veel levenslust, ik wil van alles, ik ben alleen altijd verdrietig en boos. En daar heb ik geen zin meer in. De psycholoog zei: je doet je vader niet tekort als je zegt dat hij dingen fout heeft gedaan. Je mág kwaad zijn. Nou, toen ben ik een tijdje heel erg bot tegen mijn vader geweest. Misschien een beetje op het bizarre af.’

Tot wanneer ging dat door?

‘Ik vrees ongeveer tot hij doodging, zeven jaar geleden. Overal zogenaamd grappig, maar eigenlijk agressief op reageren. Nee, natuurlijk kom je niet op m’n verjaardag! Ik ging terugslaan, werd kwaadaardig. Ik besloot niks meer te verwachten. Ik vroeg hem niks meer. Het luchtte op. Maar het was ook kaal, het is niet leuk om niets van iemand te verwachten. Aan het eind van zijn leven werd hij dement, toen is hij een stuk liever geworden. Hij was ontzettend leuk met mijn stiefkinderen en kinderen. Dat zag ik óók. Maar ik merkte dat ik geen full on mantelzorger kon worden, het lukte me niet dat voor hem op te brengen. Ik ging wel elke week langs, dat moest van mezelf, ook om mijn stiefmoeder een paar uur te ontlasten. Hij lag thuis op de bank, kon niet meer lopen. Op een keer ging ik dichtbij hem zitten, ik zei: pap, ik hou van je. Hij kon ook niet meer praten, maar met al zijn demente krachten probeerde hij me zo van die bank af te duwen. Hahaha! Dus er was kennelijk nog steeds iets in hem wat dacht: dat kleffe gedoe, daar heb ik geen zin in.’

Maar hij vond het dus wel leuk om opa te worden?

‘Ja, dat vond hij fantastisch. Hij hield van kleine kinderen. Dat zijn malle wezentjes met wie je geen moeilijke gesprekken hoefde te voeren. Hij had zelf ook iets kinderlijks grappigs. Het allerleukste vond hij een baby zo over zijn schouder leggen om een boertje te laten doen, buhh. Maar tijdens die zwangerschappen en babytijd miste ik mijn moeder erg. Ook omdat de verloskundige dan vraagt: moest je moeder ook zoveel overgeven? Werd haar buik ook zo groot? Hoe waren haar bevallingen? Ik wist het niet, en mijn vader kon het me ook niet vertellen.’

Wist je altijd dat jij zelf graag een gezin wilde?

‘O ja, al toen ik 10 was. Dat was eigenlijk het enige wat mij bezighield, moeder worden. Wat ik verder voor werk zou doen, was bijzaak. Ik wilde een gezin, een huisje, een huisdier, op tijd eten en het gezellig maken. Ik snap dat mensen een hang naar avontuur hebben, ik vind het zelf ook leuk om af en toe een spannende reis te maken, maar als je het goed voor elkaar hebt met je gezin, wat kun je dan nog te klagen hebben? Dan mag je eigenlijk al zó gelukkig zijn.’

Aaf Brandt Corstius. 
 Beeld Oof Verschuren
Aaf Brandt Corstius.Beeld Oof Verschuren

Was je bang dat het niet voor jou zou zijn weggelegd?

‘Ik heb dat lang gedacht. Ik vond mezelf geen relatiemateriaal. Wie kon ik nou vinden die iets met mij zou willen, behalve een of andere klootzak? Ik was zo onzeker en raar, ik had zoveel angstjes, dat ging nooit lukken. Ik ben geen flirterige vrouw, dat kán ik helemaal niet. Ik heb een paar vriendjes gehad, en één langere relatie, maar dat werkte niet, en toen was ik 30 en wilde ik echt kinderen. Nou, toen kwam Gijs op mijn pad. Dat voelde logisch, hij was lief, grappig, knap en slim. Alleen had hij al twee kinderen en lag zijn leven overhoop, maar dat boeide me niet, al had hij in een hut gewoond. Hij wilde geen kinderen meer, dat was het enige ingewikkelde. Ik dacht: dat verander ik wel, maar dat heeft eventjes geduurd. Het is toen ook een tijdje uit geweest. Maar het kwam goed. En hij is natuurlijk dolblij met Ben en Rif (zoon Benjamin en dochter Rifka, 11 en 10 jaar oud, red.).’

Wat veranderde het zelf moeder worden in de manier waarop je naar je eigen geschiedenis kijkt?

‘Toen dacht ik: en nu is alles goed. Ik probeer daar een beetje mee op te passen, want ik wil mijn kinderen er niet mee belasten. Het moet niet fijn zijn om te weten dat het met je moeder pas goed kwam toen ze jou kreeg. Maar ik kan er niet omheen dat ik dat gewoon letterlijk dacht, die nacht dat Benjamin was geboren. Dat was de gelukkigste nacht van mijn hele leven. Ik heb nu gewoon een kind! Het is gelukt! Ik dacht echt: nu heb ik nooit meer iets om over te klagen. Ik kan alles zo wegschuiven. Het doet er niet meer toe. En dat voel ik eigenlijk nog steeds wel zo. Soms, als we samen op de bank een film kijken, heb ik weer precies dat gevoel. Dat het perfect is.’

CV Aaf Brandt Corstius

3 maart 1975 Geboren in Haarlem, tot haar 6de opgegroeid in Overveen.

1981 Verhuizing naar Minnesota.

1982 Verhuizing naar Amsterdam.

1982-1987 Eerste Montessorischool De Wielewaal, Amsterdam.

1987-1993 Vossius Gymnasium, Amsterdam.

1993-1994 Augsburg College, Minneapolis, Minnesota.

1994-1998 UvA, vertaalwetenschap.

1997 Eerste column in universiteitsblad Folia.

1997-2006 Redacteur bij Folia, Elle en uitgeverijen.

2006: Boek Het jaar dat ik 30 werd.

2006-2010 Column in nrc.next.

2010-heden Column de Volkskrant.

2011-heden Column Margriet.

2012 Boek Het jaar dat ik (2x) moeder werd.

2013 Fiftyfifty (toneelstuk voor mugmetdegoudentand).

2015 Een flinke linkse vrouw (toneelstuk voor mugmetdegoudentand).

2017 Boek Eindelijk 40.

2017 Buik (toneelstuk voor mugmetdegoudentand).

2020 Margreet heeft de groep verlaten (toneelstuk met co-auteur Joan Nederlof, nu in reprise).

2020-heden Podcast Marc-Marie en Aaf vinden iets, met Marc-Marie Huijbregts.

2021 Solotheatervoorstelling Welkom bij mijn zielige jeugd.

Aaf Brandt Corstius is getrouwd met journalist en podcastmaker Gijs Groenteman. Ze heeft twee kinderen (10 en 11) en twee stiefkinderen (20).

Fotocredits

Visagie: Ingrid van Hemert (House of Orange), styling: Olivier Jehee (House of Orange)

Trenchcoat: Frenken, pantalon en colbert: Filippa K, blouse: Arket, schoenen: Veja.

Roze pak: Arket, blauwe blouse: COS, sneakers: Veja.

Zwart-witfoto’s: colbert Filippa K, blouse Arket

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden