Interview Steenbeek in Italie

Rosita Steenbeek wil de vluchtelingencrisis dichterbij brengen: ‘Ik wil de lezers meenemen de tent in’

Rosita Steenbeek, al dertig jaar wonend in Rome en een leven vol intense ervaringen achter de rug, reisde naar Lampedusa, Sicilië en Libanon om te praten, te eten en te leven met vluchtelingen. Ze schreef er Wie is mijn naaste? over. ‘Ik wil de lezers meenemen de tenten in.’

Rosita Steenbeek, al 32 jaar woonachtig in Rome. Beeld Marie Wanders

De afgelopen twee jaar reisde ze twee keer naar Lampedusa, twee keer naar Sicilië en twee keer naar Libanon. ‘Ik besloot de ­geschiedenis te beschrijven terwijl die zich voltrekt. Ik kan mij namelijk heel goed voorstellen dat mensen over dertig, veertig jaar naar onze tijd kijken en zich met verbazing afvragen: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Hoe hebben er zoveel mensen kunnen verdrinken dicht bij de stranden waar zoveel andere mensen ­zorgeloos vakantie aan het vieren waren?’

Rosita Steenbeek (61) werkt en woont al 32 jaar in Rome, op een steenworp afstand van de plek waar Julius Caesar is vermoord. Ze was actrice in het Rome van de Cinecittà en flaneerde met Marcello ­Mastroianni door de Via Veneto. Ze werd tegen de grond geslagen en bijna gewurgd door een smoorverliefde Alberto Moravia toen ze hem opbiechtte dat ze een relatie had met medegenie en regiegrootheid Federico Fellini.

Ze poseerde als engeltje voor een plafondschildering in de San Giuliano dei ­Fiamminghi. Ze was te gast bij het staatsbanket van koning Willem-Alexander en koningin Máxima in het Quirinaalpaleis, was een jeugdliefde van ­Arthur Japin, woonde een tijdlang bij Jan Wolkers in huis en vocht ­grandioze liefdesruzies uit met dichter Jean Pierre ­Rawie (nadat Rawie tijdens een diner had bekend met een ander te hebben geslapen, veegde Steenbeek ten overstaan van het hele restaurant de tafel leeg, zodat haar bloedende hand door de kok moest worden verbonden).

Ze kreeg op haar dertiende een hersenbloeding, waardoor ze een half jaar in een verduisterd ziekenhuiskamertje lag. Ze brak haar rug bij een auto-ongeluk waarbij haar neef overleed en haar moeder haar nek brak. Ze fietste ongetraind van Amsterdam naar Delphi. Ze had vriendjes van veertig jaar ouder én van twintig jaar jonger. Ze onderzocht haar familiegeschiedenis en ontdekte dat een deel van haar Joodse familie in Sobibor en Auschwitz eindigde, terwijl haar Joodse oom juist met de Duitsers mee moest vechten tijdens het Ardennenoffensief.

Wie is mijn naaste?, zojuist verschenen, is een reisverhaal langs de vluchtelingencrisis. Het komt voort uit het ­beknopte essay dat ze schreef voor de Maand van de Spiri­tualiteit 2017, die als thema compassie had.

U bent al een leven lang op zoek naar grootsheid, naar historische ervaringen in filmstudio’s, in Rome, ­Delphi, Sobibor. Is dat ook de reden dat u deze reis maakte? Om de geschiedenis van onze tijd aan te ­raken?

‘Vlak voor me gevraagd werd dat essay te schrijven, had ik een documentaire gezien over Pietro Bartolo, de arts van Lampedusa. Bartolo behandelde duizenden geredde vluchtelingen en sprak daar met zoveel compassie over, dat ik besloot hem te vragen naar zijn definitie van het woord. Ik heb een ticket ­gekocht en twee weken op Lampedusa vertoefd, waarin ik veel heb meegemaakt. Bijvoorbeeld dat ’s nachts, in december, vluchtelingen blootsvoets uit de bootjes kwamen. Binnen de kortste keren ben ik heel erg ­betrokken geraakt bij wat daar gebeurde – bij zowel de vluchtelingen als de hulpverleners.

‘Natuurlijk was ook ik voor die tijd weleens geschokt als ik stukken in de kranten las, of beelden op televisie zag. Maar pas toen ik die mensen ontmoette en erbij was toen ze blootsvoets uit die bootjes stapten, de littekens van ­martelingen zag, raakte het mij echt diep. Toen besefte ik pas echt dat in hetzelfde gebied waar wij vakantie vieren de meest vreselijke rampen gebeuren. Bartolo zei bijvoorbeeld tegen mij: ik vis niet langer, want ik wil geen vissen eten die zich hebben gevoed met mensenvlees. Toen pas werd ik mij bewust van de schizofrenie die heerst op de Middellandse Zee – cruiseschepen die in hetzelfde water varen als vluchtelingenbootjes; toeristen die vis eten, terwijl drenkelingen door misschien wel diezelfde vissen worden opgegeten.

‘Ik ben de volle omvang van de ramp werkelijk gaan beseffen door de mensen te ontmoeten, met ze te praten en met ze samen te leven. Datzelfde gevoel gunde ik mijn ­lezers. Ik wilde het delen. Ik wilde Nederlanders meenemen naar de tentenkampen; mijn lezers meenemen de tent in.’

Ze besloot haar essay over compassie op te waarderen tot een volwaardig boek en reisde meermaals naar Lampedusa, Sicilië en Libanon. Op die ­ plekken sprak ze met vluchtelingen die net uit zee waren gered, liep ze mee in een opvanghuis waar alleenreizende minderjarige asielzoekers hun aanvraag afwachtten, zag ze hoe Afrikaanse jongens als een soort moderne slaven op lokale boerderijen moesten werken, sliep ze in een illegaal tentenkamp op 5 kilometer van de Syrische grens. ‘Wacht, ik zal je een foto laten zien van hoe het daar was.

‘Kijk, de badkamer, een gat in de grond als wc, voor wassen en tandenpoetsen een kraantje met een emmer eronder. Hier lag ik. Ik zou eigenlijk bij de hulpverleners slapen, maar werd al op de eerste avond uitgenodigd door een familie uit Aleppo of ik niet liever in hun tent wilde overnachten. Dat was een enorme ervaring: tenten die je jarenlang op televisie ziet, en opeens lig je er zelf in.’

Misschien moeten Nederlandse scholieren niet langer op Romereis, schrijft u, maar naar een tentenkamp in Libanon. Meent u dat?

‘Ik zou het ze vooral gunnen. Ik heb het mezelf gegund. Ten eerste omdat het leuk is de enorme warmte, humor en hartelijkheid van bijvoorbeeld Syriërs te ervaren. Ongelooflijk, die mensen in dat kamp hebben helemaal niets – nu ja, 28 dollar per maand hadden zij – en toch zijn ze zo verschrikkelijk gastvrij. Ze delen alles met je. Bovendien denk ik dat scholieren er een bredere blik op de wereld door krijgen. Dat ze in zo’n kamp zullen beseffen: wij gaan naar school, maar deze jongeren, die exact hetzelfde zijn als wij, wonen in een tent en moeten werken in plaats van naar school te kunnen.’

Rosita Steenbeek: ‘Je naaste liefhebben is mooi, maar van je vrienden houden en van je ­geliefden en je ouders gaat vanzelf.’ Beeld Marie Wanders

Het boek dat u over uw reis schreef heet Wie is mijn naaste?. Wat betekent dat?

‘Wie is mijn naaste? betekent dat je niet ­alleen voor je eigen soort opkomt. Het ­verwijst natuurlijk naar de barmhartige ­Samaritaan. Over een beroofde en gewonde man die hulpeloos langs de weg ligt, aan wie de priester voorbij loopt, aan wie de Leviet voorbij loopt, maar pas als diegene passeert die als vijand wordt gezien, de Samaritaan, ontfermt deze zich over de gewonde man. Dat geldt ook voor de vluchtelingencrisis. Wij zijn net zo goed voor Afrika verantwoordelijk als voor onszelf. Je naaste liefhebben is mooi, maar van je vrienden houden en van je ­geliefden en je ouders gaat vanzelf. Je ­vijanden liefhebben, dan komt het er pas echt op aan. Als we dit willen oplossen, moeten we ons best blijven doen ons in die ander te verplaatsen.’

U woont in Italië, dus u weet dat steeds minder mensen zo redeneren.

‘Ik had vanochtend Pietro ­Bartolo aan de lijn, die arts van Lampedusa, en hij zei: wij Italianen zijn geen racisten, maar we worden opgestookt tot ­racisten. Het is schokkend hoeveel dankbare volgers er hier inmiddels zijn van ­Matteo Salvini, een man die tweedeling zaait tussen wit en zwart. Echt schokkend. Een ­Senegalees die hier op het plein boekjes verkoopt, vertelde dat de sfeer in zeer korte tijd totaal is veranderd – dat hij opeens heel veel agressie ervaart. Het is altijd gevaarlijk om deze vergelijking te ­maken, maar wat er nu in ­Italië gebeurt, doet mij steeds vaker denken aan de jaren twintig en dertig; ook toen ­sloten mensen hun ogen. Ook toen werden de mensen gemanipuleerd door slogans. Daarom vind ik het, nu meer dan ooit, nodig te laten zien dat ook zij die in die bootjes zitten, mensen zijn zoals wij.’

U maakt de oorlogsvergelijking ook in uw boek. U schrijft over de ‘buonista’ – Gutmensch in goed Nederlands – dat langzaam een scheldwoord is geworden, ‘zoals in de tijd van de rassenwetten onder het fascisme gewaarschuwd werd tegen ‘pietisti’’, lieden die medelijden hadden met de Joden.

‘Ze vinden je in Italië toch steeds meer een softie als je iedereen maar binnenlaat. Niet dat ik vind dat je iedereen moet ­binnenlaten, maar het vooroordeel dat nu bestaat – het zijn allemaal mensen die hier een lekker leventje willen komen leiden – klopt gewoon niet. Daarom maakt het mij soms bijna radeloos dat overal te horen. Zelfs hier, in mijn gebouw, spreek ik jonge mensen, gestudeerde mensen die regelmatig naar die prachtige Chiesa Nuova aan de overkant gaan, die gewoon volgers zijn van Salvini. Want Salvini stelt orde op zaken, zeggen ze dan.’

Uw boek komt voort uit een essay over compassie. Moeten de buonisti zoals u ook niet compassie hebben voor degenen die bang zijn dat Afrikanen hun banen komen stelen? Angst – of het nu rationeel is of niet – is toch ook een valide emotie?

‘Ja, je moet je zeker verplaatsen in mensen die roepen: ‘Die vluchtelingen moeten ­allemaal weg.’ Ik begrijp bovendien heel goed dat er angst bestaat voor de migrantenstroom in een land dat problemen heeft met werkgelegenheid. En ze hebben ook gelijk als ze zeggen dat het nu een zootje is, want we hadden de vluchtelingenopvang al heel lang geleden heel ­anders en veel systematischer moeten aanpakken. 

Rosita Steenbeek. Beeld Marie Wanders

‘Maar wat ik probeer te zeggen: het ­probleem zijn niet de mensen die bang zijn – ook dat zijn inderdaad onze naasten –, het probleem zijn degenen die daarop inspelen. Politici als Salvini dus, die de angst alleen maar groter proberen te maken, en dat op een heel sluwe ­manier bovendien. Ook daarom heb ik dit boek willen schrijven. Ik wilde de vluchtelingen en migranten als mensen schilderen, om op die manier de angst wat in te dammen. Als je aan tafel zit in een vluchtelingenopvang in Mazzarino met jongens uit Sierra Leone, Egypte en Gambia en je maakt grappen met elkaar terwijl je ­spaghetti eet en allemaal samen Italiaans spreekt, dat stemt mild. Althans, dat stemde mij heel erg mild. Of in dat illegale tentenkamp in Libanon, als die vrouwen dan hun sluiers afdeden en vroegen of ze mijn lippenstift mochten lenen en dat we daarna ’s avonds samen hebben gedanst.’

Ik schrijf zelf als Italië-correspondent geregeld over vluchtelingen, dus ik weet dat er een bepaalde migratiemoeheid bestaat: ‘Jahaaa, meneer de journalist, nu weten we wel dat vluchtelingen een ellendig leven leiden.’ Bent u niet bang voor die reactie? Dat u als iemand wordt gezien die oud nieuws brengt?

‘Veel mensen hebben de vluchtelingen­crisis inderdaad afgesloten in hun hoofd, maar dat is ten onrechte, want ze is niet afgesloten. Het drama blijft. Ik hoop het met deze persoonlijke manier van vertellen toch weer dichterbij te brengen. Het is een beetje vergelijkbaar met die jongetjes in Thailand in die grot. De hele wereld ­sidderde mee terwijl hier op hetzelfde moment kinderen in bootjes verdronken, maar daar hoorde je niemand over. 

‘Dat komt, denk ik, doordat het er zoveel zijn, maar ook doordat vluchtelingen niet als echte mensen worden neer­gezet. Je ziet die bootjes en denkt: die komen hier aan onze rijkdom knagen. Punt. Maar sinds ik bevriend ben ­geraakt met zulke Afrikanen, en ik met ze heb gegeten en nog altijd met ze app, zal ik ­altijd anders naar die bootjes kijken. Als ik nu een Gambiaan of Eritreeër op straat in Rome zie, denk ik: waar komt hij vandaan, wat heeft hij meegemaakt? Heeft ook hij die verschrikkelijke reis door de ­Sahara gemaakt, is ook hij gemarteld in Libië? En natuurlijk zitten er ook schoften tussen, maar de meeste zijn gewoon vriendelijke mensen op zoek naar een normaal leven.’

Waar appt u dan over?

‘Ik heb gisteren nog geappt met Ismael uit Sierra Leone, die ik heb ontmoet op Sicilië. Dat is een jongen over wie ik ook veel in het boek schrijf. Zijn ouders zijn vermoord tijdens de burgeroorlog, hij is opgevoed door zijn tante van wie de armen zijn afgehakt, zijn vriend is doodgeschoten bij een ontsnappingspoging uit hun gevangenenkamp in Libië, hij heeft als slaaf gewerkt, is gemarteld en is verkracht, wilde niet naar Italië, maar kwam op een boot terecht die kapseisde en door een Italiaans reddingsschip werd gered. Met hem app ik soms om te vragen hoe het met hem is. Hij heeft humanitair asiel gekregen op Malta, waar hij in een winkel werkt.’

U heeft zich bijna twee jaar lang in de vluchtelingencrisis verdiept en u sluit uw boek erover af met: ‘We kunnen kampen blijven bouwen, maar wat voor mensen gaan daar opgroeien? Als het probleem niet bij de wortel wordt aangepakt, oorlog, onderontwikkeling van economieën en klimaatverandering niet drastisch worden bestreden, werkt deze ‘oplossing’ slechts tijdelijk en zitten we met ons allen in diezelfde zinkende schuit.’ Is het echt zo erg?

‘Ja, ik ben bang van wel. Als we die drie problemen niet bij de wortel aanpakken – oorlog, ­klimaat en een verschil in ­welvaart –, dan hebben we het straks niet meer over de honderdduizenden van nu, maar over miljoenen. En je kunt het ze moeilijk kwalijk nemen. Laatst nog kreeg het Italiaanse oliebedrijf ENI een boete vanwege betaald smeergeld om deals te sluiten in Nigeria. Je kunt wel zeggen: Europa voor de Europeanen, maar dan moet je Afrika ook aan de Afrikanen laten en daar geen olie en andere rijkdommen vandaan halen. Je kunt niet langer zeggen: Italië voor de Italianen, en Nigeria ook voor de Italianen. Zo werkt dat niet meer.’

CV Rosita Steenbeek

1959 Geboren in Utrecht

1977 Eindexamen Johan van Oldenbarnevelt Gymnasium in Amersfoort

1978-1984 Nederlandse taal- en letterkunde aan de UvA

1985 Figurant in Ginger e Fred van Federico Fellini

1986 Vestigt zich in Rome

1994 Autobiografische debuutroman De laatste vrouw

2000 Thuis in Rome, eerste non-fictie boek

2002 Breekt rug bij een auto-ongeluk en schrijft daar later het boek Intensive Care over

2011 Fietst van Amsterdam naar Delphi en schrijft: Amsterdam – Delphi

2015 Rose komt uit, een historische roman over het levensverhaal van haar grootmoeder

2017-2018 Reist langs de vluchtelingencrisis en schrijft: Wie is mijn naaste? 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.