Reis door het einde van de vorige eeuw

De Turfroute in noordelijk Nederland is bijna 150 kilometer lang en niet weggelegd voor beginnelingen op het water. Dit vanwege 32 beweegbare bruggen, zeven vaste bruggen en twaalf sluizen....

Wie via de Turfroute door dit gebied vaart, rijdt, fietst, schaatst of loopt, beweegt zich, in het tempo dat bij dat tijdsgewricht hoort, door het einde van de vorige eeuw. Door de werkverschaffing en de schreeuwende armoede, maar ook door een prachtig en oeroud traject van vaarwegen, bedoeld om de noordelijke veengebieden met Amsterdam te verbinden. Een relatief onontdekt traject door Zuidoost-Friesland, Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel. Tussen plaatsen en dorpen als Akkrum, Gorredijk, Heerenveen, Oldeberkoop, Appelscha, Ossenzijl, Blokzijl, Vollenhove, Steenwijk, Giethoorn, Meppel, Havelte en Dieverbrug.

Dat de Turfroute een aaneengesloten stelsel van kanalen en vaarten omvat, is te danken aan een verwoede strijd tegen de autoriteiten en de modernisering. In Gorredijk bijvoorbeeld had de Opsterlandse Compagnonsvaart eigenlijk allang dicht moeten zijn. Net als al die andere veenkanalen die werden dichtgegooid in bijvoorbeeld Drachten, Heerenveen en Hoogeveen.

Een strijd die, gek genoeg, vanaf het begin van de jaren zeventig werd geleid door een in Gorredijk benoemde Brabantse pater, L. van Ulden, die zich sterk met de geschiedenis van het veengebied verwant voelde. Een strijd die begin jaren negentig een hoogtepunt bereikte toen toenmalig minister Maij-Weggen van Verkeer en Waterstaat de bruggen in de Drentse Hoofdvaart wilde sluiten. Haar bezuinigingsdrift bracht tegenkrachten op gang die nu zorgen voor een langzame optimalisering van de voormalige vaarweg naar de Zuiderzee voor het turftransport naar het westen.

De thans grotendeels verstilde route is 150 kilometer lang en kan uiteraard ook gedeeltelijk worden afgelegd. Ze is niet bedoeld voor beginnelingen op het water en ook niet voor de bezitters van poenerige jachten. Er moeten maar liefst 32 beweegbare bruggen, zeven vaste bruggen en twaalf sluizen worden genomen - onoverkomelijke hindernissen in soms erg smalle vaarten en kanalen voor gemankeerde schippers en ongeduldige recreanten. Om een indruk te geven van de hoogteverschillen op de route: het verval tussen Smilde en Gorredijk bedraagt elf meter.

Nee, de Turfroute is meer bedoeld voor de bedaarde cultuurtoerist met alle tijd van de wereld en met belangstelling voor de geschiedenis van het gebied. Want die mag er zijn, zo blijkt ook uit een speciale tentoonstelling over de beurtvaart en het leven van beurtschippers ter gelegenheid van een kwart eeuw Turfroute in het Streekmuseum Opsterlân in Gorredijk.

Gorredijk zelf is overigens een mooi voorbeeld van een bijna vier eeuwen oud veenkoloniaal dorp, gebouwd in de vorm van een kruisbuurt aan beide zijden van de vaart. Centraal daarin ligt de hoofdbrug met sluis, die wordt opgesierd door het fraaie beeld van een gekromd scheepsjagers-echtpaar met kind.

De Turfroute bevaren is een reis door het fin de siècle. Veel in het landschap van 'wijken' en 'verlaten' en in de flora en fauna is er niet veranderd. Al kan de turfsteker nu slechts als monument worden aanschouwd en oogt het gebied vanzelfsprekend een stuk welvarender dan een eeuw geleden.

Turf was het aardgas van weleer. Eeuwenlang was de belangrijkste bron van energie in Nederland. In ieder geval sinds de dertiende eeuw is sprake geweest van grootschalige systematische exploitatie van laag- en hoogveengebieden in een ononderbroken proces dat tot na de Tweede Wereldoorlog heeft geduurd. Sinds de zeventiende eeuw namen de hoogveengebieden in het noorden hierin een steeds belangrijker plaats in.

Toch heeft deze energiegeschiedenis nog betrekkelijk weinig aandacht van historici getrokken, concludeert M. Gerding in zijn omvangrijke studie van vier eeuwen vervening en turfwinning in het noorden. Misschien niet zo verwonderlijk, want die historie is er toch vooral een van honger, armoe en ellende kreperend volk en van een (rechts)ongelijkheid die haar weerga in de vaderlandse sociale geschiedenis nauwelijks kent.

Een geschiedenis die rond 1890 bijna een revolutie ontketende, zo schrijft de historicus Johan Frieswijk in Fryslân, het kwartaalblad van het Fries Genootschap. De sociale onrust was in Friesland sinds het eind van de jaren tachtig groot. Het was begonnen met de stakingen van veenarbeiders in het zuidoosten van de provincie en van landarbeiders in Het Bildt. Op tal van plaatsen waren in de strenge winters van de jaren negentig werklozenbewegingen ontstaan. 'De reactie van de overheid op de ellende en de armoede onder de arbeidende bevolking had er niet toe bijgedragen het geloof in maatschappelijke hervorming te bevorderen', merkt Frieswijk op.

En dus waren er allerlei signalen dat vanuit Friesland wel eens de victorie van het proletariaat op het grootkapitaal en het gezag zou kunnen beginnen. Volgens de uitgever van de Sneeker Courant, Hessel Poutsma, lag de macht voor het grijpen. 'Al dat geleidelijke geeft niets, besteedt liever het geld en den tijd, dien gij gaat verknoeien aan een adres, aan het verschaffen van revolvers aan den arbeiders. Een dynamietbom, precies op de tafel tusschen het stelletje ministers geworpen, gooit de heele santekraam uit elkaar', schreef de Harlinger propagandist Tjeerd Stienstra uitdagend.

De man die aan de wieg stond van het socialisme en het anarchisme, Ferdinand Domela Nieuwenhuis, toerde door Friesland en riep de socialisten uit tot een revolutionaire Gideonsbende. De parlementaire socialisten, aangevoerd door Pieter Jelles Troelstra, verweet hij al bij voorbaat verantwoordelijkheid voor het geval 'de socialistische revolutie bloedig zou worden'.

En het bleef niet bij verbaal geweld alleen. In de veenkolonie Appelscha werden na afloop van een socialistische vergadering met revolvers en geweren minstens tweehonderd schoten gelost. Een wachtmeester en een brigadier van de marechaussee en twee veldwachters waren met hagel beschoten. Ook het huis van armvoogd Van Rozen was onder vuur genomen en zijn turfhopen werden in brand gestoken. Hij had het bestaan de arbeiders te veroordelen omdat ze te weinig in de kerk en te veel op socialistische meetings kwamen.

Toch kwam het er niet van, de revolutie. De economische situatie verbeterde, de werkloosheid verdween, de lonen gingen omhoog. Het Mariannelied dat vrouwen zongen bij demonstraties, verstomde. 'De voze graaf, de rotte jonker.' Er spreekt een welhaast blinde haat uit tegen degenen die de veroorzakers waren van alle ellende van hongerende kinderen, verbrandingen, verdrinkingen en verplichte winkelnering.

Maar vooral spreekt er een strijdbaar verzet uit tegen de behandeling als tweederangs burgers: 'Ik haat de knoet, der dwingelanden/ 'k haat 't altaar, kroon en veldheerstaf/ het vrijheidsvuur zal hen verbranden/ die ons verdrukken tot in het graf/ 'k zal die ontmenste teugelhouders/ vampieren dezer maatschappij/ het onrecht drukken op de schouders/ en ketenen in slavernij.'

Appelscha, toneel van de eerste vakorganisatie van veenarbeiders (1888), van de eerste staking van vrouwelijke en mannelijke veen- arbeiders (1890) en van het Hongeroproer (1892), is lang een rood bolwerk gebleven. Tot op de dag van vandaag hangt het portret van Domela Nieuwenhuis er in de kantine van de 'anarchistencamping', het kampeerterrein Tot Vrijheidsbezinning van het Noordelijk Gewest van Vrije Socialisten. Zij zijn nog altijd de trouwe volgelingen van ús ferlosser, zoals Domela door de veenarbeiders bijna werd verafgood. En dankzij de jaarlijkse Pinksterkampen is Appelscha nog steeds een anarchistisch bedevaartsoord.

In café De Brêge in Nij Beets, een dorp dat in 1863 ontstond door de turfwinning in de vroegere hooilanden, hangt eveneens het portret van Domela. Het café mag slechts doorverkocht worden onder voorwaarde dat het portret van de heiland er altijd blijft hangen, zo is bij notariële akte vastgelegd.

Een goed beeld van hoe zwaar het werk in die tijd moet zijn geweest, geeft het openlucht laagveenderijmuseum It Damshûs, pal tegenover café De Brêge. Op het museumterrein zijn onder meer een trekkerskeet en enkele vervenershuisjes van omstreeks 1880 te zien. Ze zijn met originele huisraad ingericht, waardoor de armoedige woon- en werkomstandigheden van die tijd weer tot leven komen.

Het is de geest van nostalgie die nog steeds rondwaart in de noordelijke veenkoloniën. Tegen alle verdrukking in van de drooglegging van vaarten, van de hoge kosten van brug- en sluiswachters, van het uitbaggeren van vaarten en kanalen en van het moeizaam op elkaar aansluiten van bedieningstijden van bruggen en sluizen per provincie, is de Turfroute nu al 25 jaar open gebleven.

De hele route is voor de pleziervaart van 15 mei tot 15 september open. Een vignet dat een heel seizoen toegang geeft tot het gebied kost vijfentwintig gulden per boot. Meer dan 2500 boten bevaren nu jaarlijks de Turfroute. 'En wie hier eenmaal gevaren heeft, blijft hier hangen', zegt J. Have, voorzitter van Stichting De Nije Kompanjons.

Wie weet, haalt de doorvaart in de volgende eeuw ooit weer de cijfers van de vorige eeuw. In 1872 passeerden bijna vijftienduizend schepen de sluis in Gorredijk en in het topjaar 1876 bedroeg het aantal zelfs 15.527. Ging het toen om een broodwinning, nu gaat het om vrijetijdsbesteding. De revolutie is er, zij het een eeuw later, toch nog gekomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden