interviewzwarte adoptiekinderen & witte ouders

‘Racisme kwam in Nederland niet voor, dat beeld heerste. Ik heb er lang mijn mond over gehouden, omdat ik dacht dat het geen probleem mocht zijn’

Rose Roeterink (27) en haar ouders Chris Roeterink (72) en Mieke Nederlof (64) Beeld Erik Smits
Rose Roeterink (27) en haar ouders Chris Roeterink (72) en Mieke Nederlof (64)Beeld Erik Smits

Drie witte ouders en hun geadopteerde zwarte kinderen over racisme, wit privilege en Black Lives Matter.

Rose Roeterink (27) en haar ouders Chris Roeterink (72) en Mieke Nederlof (64)

Rose: ‘Ik ben opgegroeid in de Achterhoek, waar vooral witte mensen wonen. Inmiddels woon ik in Utrecht. Ik heb nooit met mijn ouders over racisme gesproken. Lange tijd durfde ik niet te praten over racisme, ook omdat het in de ogen van mijn ouders en mijn omgeving niet bestond.’ 

‘Wij wonen nog steeds in Dinxperlo, in de Achterhoek’, zegt haar vader Chris vanuit hun woonkamer, hij zit naast zijn vrouw op de bank. ‘Toen we verkering kregen begon Mieke meteen over adoptie. Ik zag geen problemen. Omdat haar moeders eerste kind tijdens de bevalling was overleden had zij van huis uit een moeizame verhouding met bevallingen meegekregen. Mieke: ‘Ik heb altijd achter het idee van een gemengd gezin gestaan. We hebben vier kinderen, van wie drie geadopteerd. Rose is de jongste.’ Chris: ‘Na drie kinderen vonden we ons gezin compleet. Totdat we een bericht kregen van het kindertehuis in Haïti waar we onze andere dochter hadden geadopteerd. Ze bleek een biologisch zusje te hebben, Rose. De vraag was of wij haar ook konden adopteren. Dat wilden we.’ Mieke: ‘Toen Rose 15 was moest ze voor de klas een verhaal vertellen over haar moeder. Ze is in snikken uitgebarsten, zei dat ze dat niet kon omdat ze haar echte moeder, in Haïti, niet kende. Daar was ik ondersteboven van.’ Rose: ‘Het is ook weleens voorgekomen dat we op school een stamboom moesten maken en ik dat naar vond, omdat dat voor mij een blanco pagina was.’

Rose: ‘Toen ik heel jong was, zag ik vooral dat ik oudere ouders had dan de meeste kinderen. Ik zag niet per se een kleurverschil. Klasgenootjes vroegen weleens hoe het kon dat mijn ouders wit waren en ik zwart. Ik legde dan uit dat ik geadopteerd was, maar dat ik ze gewoon papa en mama noemde.’ Chris: ‘Dat Rose te maken zou kunnen krijgen met racisme hield ons niet bezig. Rose: ‘Kennelijk toch wel. Mijn geboortenaam is Darkenlove. Jullie dachten dat mensen daar raar op zouden reageren, dus noemden jullie mij Rose.’ Chris: ‘Voor ons maakt het niet uit of je zwart of wit bent. Racisme bestaat voor ons niet. Ik weet wel dat andere mensen racistisch denken. Op vakantie in het buitenland werden jullie weleens nagestaard alsof jullie apen waren, maar we dachten dat zoiets in Nederland niet gebeurde.’ Rose: ‘Dat beeld heerste ook, dat in Nederland geen racisme voorkwam. Ik heb lang mijn mond erover gehouden omdat ik dacht dat het geen probleem mocht zijn.’

Rose: ‘Ik heb me altijd goed gevoeld in ons gezin, we spraken over alles behalve over racisme. Op de basisschool had ik genoeg vriendinnetjes, maar ik werd ook gepest en bespuugd. Bij mijn juf kreeg ik geen gehoor. Mijn broer en zus maakten soortgelijke dingen mee, maar we spraken er niet over, omdat we zo normaal mogelijk wilden zijn. Mama hield van alpinopetjes. Ik wilde die nooit dragen, dan zou ik worden uitgemaakt voor Zwarte Piet.’ Chris: ‘Wij hebben daar nooit iets van vernomen, de kinderen hebben dat niet met ons besproken.’ Rose: ‘Ik vind het de verantwoordelijkheid van ouders om zoiets bespreekbaar te maken. Racisme was voor mijn ouders geen bestaand probleem, ze kregen er zelf niet mee te maken, dus zagen ze het niet. Ik ben wel verbaasd om te horen dat zij daar weinig van hebben gemerkt. Alsof ze het een beetje zijn vergeten.’ Chris: ‘Als we dit horen, is het probleem groter geweest dan wij ons gerealiseerd hebben. We hebben er weinig aandacht aan geschonken.’ Mieke: ‘Ik heb het pesten niet in de gaten gehad. Later kwamen de verhalen pas. Ik vraag me af of ik tekort ben geschoten als moeder, of ik wel genoeg naar Rose heb geluisterd.’ 

Rose: ‘Afgelopen jaren zijn we steeds meer gaan praten over racisme. Daar ben ik blij mee. Vroeger wist ik niet hoe ik duidelijk moest maken dat ik erover wilde praten − nu wel. De Black Lives Matter-beweging heeft daar een rol in gespeeld en mijn zus heeft het thuis aangekaart. Zij zei: ‘Ik vind het lastig dat ik een probleem heb dat mijn ouders niet begrijpen.’ Chris: ‘Ik begrijp het nu veel beter. Eerst vond ik de zwartepietendiscussie onzin, nu vind ik het heel goed dat het wordt afgeschaft. Door de coronamaatregelen zagen we elkaar een tijdje niet, maar ik begreep heel goed dat Rose ging demonstreren.’

Rose: ‘Pap en mam hadden veel warmte voor ons. Dat heeft de overhand gehad. Ik neem ze niks kwalijk en ben blij met mijn ouders.’ Mieke: ‘Ik ben trots op Rose, ze is een doorzetter.’ Chris: ‘We dachten eerst dat ons gezin met drie compleet was, maar Rose is echt onze kers op de taart.’

Jonathan Bongani Jonkman (27) en zijn ouders Henk Jonkman (71) en Aurelia Jonkman (69) Beeld Erik Smits
Jonathan Bongani Jonkman (27) en zijn ouders Henk Jonkman (71) en Aurelia Jonkman (69)Beeld Erik Smits

Jonathan Bongani Jonkman (27) en zijn ouders Henk Jonkman (71) en Aurelia Jonkman (69) 

Jonathan: ‘Mijn ouders hebben altijd met mij over racisme willen praten. Van mij hoefde dat niet: ik was er niet mee bezig omdat ik er niet mee te maken kreeg.’ ‘De naam Jonathan betekent ‘van de Heer gegeven’’, vertelt zijn moeder Aurelia via Zoom vanuit hun woonkamer in Dronten. ‘Bongani is ‘laten we danken’ in de taal van de Zulu’s. Zo’n prachtig kind is om dankbaar voor te zijn.’ Vader Henk: ‘We zijn Christelijk Gereformeerd, maar we zijn niet superconservatief; vrolijk orthodox noemen wij onszelf. Vanuit ons geloof willen we iets voor onze naasten betekenen.’

Aurelia: ‘We wilden dolgraag kinderen, maar konden ze biologisch niet krijgen. Na de adoptie van onze witte zoon Rick, toen we nog in Nederland woonden, verhuisden we naar een zwarte gemeenschap in Zuid-Afrika. We gingen voor Henk zijn werk, hij is dominee. We lazen over een overvol adoptiehuis, maar we mochten toen niet ‘over de kleurgrens’ adopteren: dat was ten tijde van de apartheid. Na de afschaffing daarvan, in 1994, hebben we Jonathan uit dat huis geadopteerd. We woonden toen nog in Zuid-Afrika. Als we in een blanke winkel waren, lachten mensen ons uit als ik zei dat ik de moeder was. Zwarte mensen zeiden juist: God bless you.’ Henk: ‘Het duurde meer dan een jaar om hem naar Nederland te krijgen, terwijl hij officieel geadopteerd was en alle papieren waren geregeld. Misselijkmakend. Als érgens racistisch wordt gedacht is dat bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het zijn de grootste apartheidsdenkers, schrijf dat maar op.’ Aurelia: ‘Twee gepensioneerde politiemensen die we kenden, hebben hun stinkende best gedaan voor ons. Uiteindelijk is het gelukt. Terug in Nederland moesten we naar de GGD, om te controleren of de kinderen iets onder de leden hadden. Onze beide kinderen waren ingeënt tegen tbc. Rick, die wit is, hoefde geen tweede prik te krijgen. Jonathan wel. Dat hebben we als zeer discriminerend ervaren. Rick had in Zuid-Afrika op school gezeten, Jonathan niet, Rick had veel meer kans gehad om iets op te lopen.’

Jonathan over zijn ouders: ‘Ik vond het niet moeilijk dat ik niet op ze leek en ik heb nooit echt gezien dat ze wit zijn, niet bewust althans. Maar toen ik kind was gingen we nog geregeld op vakantie naar Zuid-Afrika en daar vroeg ik wel bij elke zwarte vrouw of ze misschien mijn moeder was. Ik heb daar later sorry voor gezegd.’ Aurelia: ‘Dat vond ik niet nodig, ik begreep die nieuwsgierigheid wel.’ 

Jonathan: ‘Bij ons thuis was alles bespreekbaar, ook racisme. Ik denk dat mijn ouders meer weten over racisme dan ik omdat zij de apartheid hebben meegemaakt.’ Aurelia: ‘Het is altijd ter sprake gekomen. We wisten: we hebben een wit en een zwart kind en Jonathan zou met racisme te maken kunnen krijgen.’ Henk: ‘Zolang hij bij ons woonde, en zich bewoog in de familie en in kerkelijke kringen, speelde racisme geen enkele rol.’ Aurelia: ‘Iedereen vond hem superschattig; een leuk zwart jongetje met van die schattige krulletjes.’ Henk: ‘Wel wisten we dat, zodra hij zelfstandig zou worden, we hem niet meer konden beschermen. Een vriend van ons zei regelmatig tegen zijn zwarte kinderen: ‘hé zwarte’, om hen te wapenen tegen racisme. Als we dat tegen Jonathan zeiden, zei hij: ik ben niet zwart, ik ben bruin.’ Aurelia: ‘Wij zien zijn kleur ook niet meer.’ Henk: Je ziet het wel, natuurlijk, maar tegelijkertijd ook niet. We zien gewoon Jonathan.’ Jonathan: ‘Mijn ouders leerden me: don’t judge a book by its cover.’

Jonathan: ‘Ik kom uit een geprivilegieerd milieu, ik ben met de Nederlandse cultuur opgevoed. Ik heb me vrijwel altijd geaccepteerd gevoeld. Op de middelbare school klaagden vrienden weleens: ‘Zwarte dit, Marokkanen dat. Dan zei ik: halló, ik ben ook niet wit, hè? Ja, maar jij bent anders, zeiden ze dan. Mijn broer leerde me dat ik me tijdens het uitgaan koest moest houden, omdat ik een doelwit zou kunnen zijn voor de politie.’ Aurelia: ‘Je bent weleens op de brug aangehouden door politie en het was overduidelijk dat je eruit werd gepikt omdat je zwart was. We hebben toen nog een aanklacht ingediend.’ Jonathan: ‘Ik ben erg naïef, ik zie dat niet, of misschien wíl ik niet inzien dat dat racisme is.’ Henk: ‘Dronten blijft een wit dorp. Toen je bij een boerenclub niet welkom was, hoefde het van jou niet meer.’ Jonathan: ‘Als ik ergens niet welkom ben, denk ik: jullie moeten mij missen, ik jullie niet.’

Jonathan: ‘Black Lives Matter was heftig voor me. In Amsterdam, waar ik nu woon, wordt meer gelabeld met termen als ‘zwart’ en ‘wit’, terwijl ik dat thuis niet gewend was. Ik zei altijd dat ik zo blij was dat ik ‘wit’ ben opgevoed. Door BLM ging ik me afvragen: zat ik wel goed? Nog steeds wil ik niet dat mensen op straat denken: daar loopt een BLM’er, maar ik zie de waarde van de protesten wel in.’ Henk: ‘Ik wil graag afsluiten met dat wij hem een mooie jeugd hebben gegeven. In Zuid-Afrika werd je destijds als kind van 8 uit een weeshuis gezet, dan moest je stelen om te overleven en liep je het risico dat je als een hond werd afgeschoten als je dat deed.’ Jonathan: ‘Ik ben mijn ouders heel dankbaar voor alles.’

Iris van Lunenburg (35) en haar moeder Margien Bischoff (72) Beeld Erik Smits
Iris van Lunenburg (35) en haar moeder Margien Bischoff (72)Beeld Erik Smits

Iris van Lunenburg (35) en haar moeder Margien Bischoff (72)

Iris: ‘Sinds een aantal jaar heb ik gesprekken met mijn moeder over racisme. Ik vraag me steeds vaker af of ik die gesprekken vroeger heb gemist’, vertelt Iris tijdens een video-interview vanuit Leiden, waar ze sinds kort samenwoont met haar vriend Pieter van der Wielen. Hij is, net als zij, tv-presentator. ‘Elke keer als ik op tv ben, krijg ik berichtjes met daarin de verbazing: hé, jij bent een dónkere kakker.’ Naast haar op de bank zit moeder Margien, die in Den Haag woont.

Margien: ‘Mijn ex-man en ik vonden het een mooi idee om een kansarm kind de mogelijkheid te geven op een mooi leven. We adopteerden Iris vanuit een weeshuis in Haïti.’ Iris: ‘Vanuit de armste sloppenwijk ter wereld, kwam ik als baby in Emmen terecht. Na tien jaar verhuisden we naar Den Haag.’ Margien: ‘We zijn altijd heel open geweest over Iris haar adoptie, we zijn veel naar Haïtiaanse bijeenkomsten geweest. Iris: ‘Vroeger ging het in de Facebookgroep voor Haïtianen in Nederland vooral over lekker Haïtiaans eten en drinken − nu gaan de gesprekken ook over racisme en afkomst.’

Margien: ‘Toen we Iris adopteerden dacht ik niet na over racisme. Ik zei altijd dat het me niet uitmaakte of je groen, geel, paars, blauw of rood bent; we zijn allemaal mensen. Als kind vroeg je een keer of je wit zou worden als je veel melk zou drinken. Ik vroeg: waarom? Je bent mooi zoals je bent.’ Iris: ‘Ik vond het normaal dat ik witte ouders en een witte broer had. Iedereen in mijn omgeving was wit, ik groeide op met de witte norm. Ik was altijd de enige persoon van kleur, ik zag niemand die op mij leek. Iedereen had steil haar, behalve ik. Maar, en dat vind ik achteraf gezien bijzonder, ik heb er nooit last van gehad. Ik stond er niet echt bij stil, vond het juist leuk om op te vallen.’ Margien: ‘Iedereen accepteerde je. Je was gewoon Iris, het ging helemaal niet over huidskleur. Een keer op de Haagse markt, zei je: ‘Er zijn hier allemaal donkere mensen.’ Dat had ze nog nooit gezien. Maar lieverd, jij bent ook donker, zei ik. Ze keek naar zichzelf en zei: ‘O ja!’’ Iris: ‘Ik was daar toen nog niet mee bezig, terwijl ik natuurlijk zelf ook kon zien dat ik donker was.’ 

Iris: ‘Ik heb in Emmen nooit één onvertogen woord gehoord, ik ben nooit uitgescholden. Als vreemden al vroegen naar mijn huidskleur, legde ik uit waar ik vandaan kwam en dan was het prima. Best bijzonder, omdat er in tegenstelling tot de Randstad destijds niet veel donkere mensen in Emmen woonden. Ik weet niet of dat toeval is of het milieu waaruit ik kom. Maar het feit dat ik persoonlijk niks vervelends heb meegemaakt, betekent natuurlijk niet dat het niet gebeurt bij anderen.’ Margien: ‘In Emmen hebben we geen racisme meegemaakt.’ Iris: ‘Nou, kijk je hebt échte racisten, en meer subtieler, ‘onbedoeld’ racisme. Dat heb ik wel meegemaakt, hoor. Mensen die verrast waren dat ik zo goed Nederlands sprak. Of dingen zeiden als: waren ze maar allemaal zoals jij, want jij bent wél leuk. Vroeger dacht ik dat zoiets een compliment was. Inmiddels zie ik in dat het echt niet oké is.’ Margien: ‘Ik snap wat je bedoelt, maar je kunt ook het positieve ervan inzien.’ 

Iris: ‘Je hoort vaak van donkere mensen dat ze in hun jeugd door hun ouders werden gewaarschuwd dat ze twee keer zo hard hun best moesten doen, of op een andere manier werden voorbereid op negatieve reacties op hun huidskleur. Zo’n gesprek heb ik nooit gehad met mijn moeder. Ik betwijfel ook of ik die waarschuwingen wel had willen hebben, misschien stond ik dan minder positief in het leven dan nu.’ Margien: ‘Misschien had het je juist belemmerd omdat je dan altijd op je hoede had moeten zijn. Wij zeiden: ‘Je kunt alles worden wat je wil, maar je moet er wel wat voor doen.’ Dat had niks met kleur te maken.’

Iris: ‘Vroeger was ik niet met racisme bezig. Nu wel, naarmate ik ouder word en vooral sinds de moord op George Floyd en de Black Lives Matter-demonstraties. Hadden we vroeger meer over racisme moeten praten?’ Margien: ‘Achteraf gezien misschien wel, maar dat deden we niet omdat je zo ook geaccepteerd werd.’ Iris: ‘Ik heb mijn huidskleur altijd in iets positiefs omgezet, terwijl genoeg mensen wel degelijk anti-zwart racisme hebben ervaren. Ik heb de gesprekken met mijn moeder over racisme niet gemist, maar met de kennis van nu, zie ik wel de meerwaarde van dat soort gesprekken in. Ik heb een positief zelfbeeld, maar het blijft gek om op te groeien in een omgeving waarin niemand op je lijkt. Daar had ik het eigenlijk wel meer over willen hebben.’ Margien: ‘Dat begrijp ik.’ Iris: ‘Ik ben blij dat er meer over racisme wordt gepraat en het is ook goed om de stemmen van adoptiekinderen te laten horen. Ik mis hen in het racismedebat, daarom ben ik ook een podcast aan het maken over dit onderwerp. Ik heb me weleens geschaamd dat ik geen buitenlands accent heb. Dat is kennelijk wat mensen vaak verwachten bij een donker persoon.’ Margien, lachend: ‘Je hebt zelfs geen Drents accent.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden