Interviews PTSS’ers

PTSS’ers over hun paniek, huilbuien en nachtmerries: ‘Ik wil ook graag normaal zijn’

. Beeld Linelle Deunk

De diagnose posttraumatisch stresssyndroom komt vaak als verrassing. PTSS’ers over hun paniek, huilbuien en nachtmerries. ‘Wij zijn niet gevaarlijk, we hebben te veel meegemaakt.’

Petra van Dijk (51) werd slachtoffer van een overval en verkrachting in haar eigen slaapkamer.

‘Soms denk ik: stonden die vier letters PTSS maar op mijn voorhoofd geschreven. Want mensen vragen er niet naar. Die zien mij op een verjaardag al na 5 minuten vertrekken en denken waarschijnlijk: wat een rare kwibus. Terwijl ik zo graag wil vertellen dat één helse nacht mijn brein onherstelbaar heeft beschadigd. Dat ik vanaf dat moment mezelf kwijt ben.

Ik was 35 en werkte in een strandtent op Bonaire. Ik genoot volop, stond middenin in het leven. Tot er in de nacht van 16 februari 2001 een onbekende man in mijn slaapkamer stond. Hij sloeg me kort en klein, stak met een mes in mijn buik en verkrachtte me. Die drie helse uren heb ik me maar één ding afgevraagd: hoe ga ik dit overleven?

Op een gegeven moment lukte het me te ontsnappen. Ik rende naar mijn auto en reed weg. Daarna werd het zwart voor mijn ogen. Ik weet nog hoe ik in het ziekenhuis de hakken van mijn moeder hoorde. Klik-klak-klik-klak. En dat de arts zei: ‘Ik denk niet dat ze de nacht doorkomt’. Hij kreeg ongelijk.

In Nederland zei mijn moeder: ‘Peet, je zult zien dat als je weer gaat werken, je zo de oude bent’. Ook mijn moeder kreeg ongelijk. Na één werkdag was ik kapot. Huilen, huilen, huilen. Het lukte niet, en nog steeds lukt het niet.

Ik kan per dag één ding doen. Vriendschappen onderhouden is onmogelijk voor mij, net als een relatie aangaan. Ik sta altijd op scherp, ben huilerig. Slapen doe ik zittend - als het al lukt. Ik kijk alleen NPO1, 2 en 3, want van de reclames van de commerciële omroepen slaat mijn hoofd op tilt. Ik heb er een gave bij gekregen: ik hoor álles. Als de vriezer van de koelkast ’s nachts ineens aangaat, als iemand aan de andere kant van het restaurant zijn mes laat vallen: niets ontgaat me.

De afgelopen jaren heb ik gevochten om de dagen door te komen, de dader te laten berechten, een uitkering te krijgen. Ik heb in drie klinieken gezeten en wist niet meer wie ik was zónder alle medicijnen. In 2013 stopte mijn therapie. Uitbehandeld. ‘Je kunt net zo goed op mijn stoel gaan zitten’, zei de therapeut.

Zonder de sportschool, mijn moeder, mijn beste vriendin en antidepressiva was ik nergens. Soms denk ik aan het werk dat ik had kunnen doen, de liefdes die ik heb gemist. Als mensen zeggen dat ik in de slachtofferrol blijf hangen, word ik boos. Het is niet dat ik dit wíl. Ik verveel me te pletter en ben tegelijkertijd nergens toe in staat. Het leven gaat door, maar ik ben bang dat ik altijd aan de zijlijn zal blijven staan.’

John Hubbers (62) kreeg op zijn 46ste te horen dat hij complexe PTSS heeft door verwaarlozing en misbruik in zijn jeugd.

. Beeld Linelle Deunk

‘Mijn tantes zeiden het altijd terloops tegen me. ‘Jij had het vroeger niet makkelijk’. Ik wist dat ik uit een slecht nest kwam. Maar wat er was gebeurd, hield mijn hoofd lang voor me verborgen.

Ik was vroeger weleens down: overspannen, zeiden de dokters dan, door mijn werk als vrachtwagenchauffeur. Maar na mijn 40ste liep ik vast. Niets lukte meer, ineens was ik doodsbang voor... Ja, eigenlijk voor álles. Deed mijn vrouw een deur te hard dicht? Dan kroop ik het liefst onder de tafel. Als volwassen man! Ik durfde niet meer naar buiten. Berichten op het journaal kon ik niet aan. Ik sloeg gaten in deuren en stortte daarna huilend in elkaar. Waar was ik mee bezig?

In een kliniek ging ik met mijn psychiater naar de jongere versie van mezelf. Die vertelde mij – de oude John – wat er vroeger was gebeurd: mishandeling, verwaarlozing, misbruik. Ik schrok me kapot. Ik had het ver weggestopt. Bizar ver weg.

Ik ben daarna nog twee keer opgenomen geweest; PTSS maakt je kwetsbaar. Toen mijn vrouw overleed, kreeg ik de grootste terugslag. Ik werd honderd procent afgekeurd, moest mijn transport-bedrijf verkopen.

Nu kan ik mezelf aan. Ben hertrouwd, geniet van mijn kleinkinderen. Maar het journaal kijk ik nog steeds niet, drukke plekken mijd ik. Moet ik naar het winkelcentrum, dan maak ik een plan: wat doe ik als er te veel mensen komen? Daan, mijn hulphond, helpt me. Toen ik hem kreeg, zei ik: ‘Ik kan er weer voor een paar jaar tegenaan.’ Vroeger had ik veel nachtmerries. Dan moest ik alle lampen aandoen en hardop zeggen: ‘Het is goed’. Nu zorgt Daans snuit ’s nachts voor rust in mijn kop.

Het zou helpen als mensen me ook begrepen. Sommigen zeggen: ‘John moet een schop onder z’n kont krijgen’. Ze moesten eens weten hoe erg ik mijn werk mis. Vaak denk ik: waarom lukt het me niet?! Maar dan rijd ik 15 minuten in de auto, gutst het zweet over mijn voorhoofd en ben ik doodop. Dan zeg ik tegen mezelf: ja, jongen, dáárom lukt het niet.’

Hannah Bioch (25) werd misbruikt door meerdere daders. Het begon toen ze een kind was en ging door tot haar 22ste.

. Beeld Linelle Deunk

‘Ik kan me een leven zonder psychische problemen niet voorstellen. Ik was nog piepjong toen het misbruik begon en het heeft in periodes, met telkens een andere dader, tot mijn 22ste geduurd. Ik wil niet in detail treden, maar ze hebben mijn leven naar de knoppen geholpen. Ik heb net een behandeling van tweeënhalf jaar afgerond. Eén jaar intern, daarna anderhalf jaar heen en weer naar Ermelo, drie uur per dag in de auto. Je moet er wat voor over hebben hè, om met PTSS een oké leven te krijgen.

Vooral mijn dissociaties zijn heavy. Soms valt mijn lichaam ‘uit’. Ik maak dan in mijn hoofd alles mee, ben gewoon bij bewustzijn, maar mijn armen en benen doen niets meer. Alles is koud, ik kan niemand om hulp vragen. Het is echt doodeng. Soms is het juist andersom: dan gaat mijn hoofd weg. Dan ga ik terug naar een van mijn trauma’s in het verleden, ben ik niet meer in het hier en nu en weet ik niet wat ik doe.

Ik weet nog dat de dokter zei dat ik PTSS had. Ik reageerde met: ‘Maar dat hebben toch alleen militairen?’ Het moeilijke is dat mensen het niet aan je zien. Als ik van iemand schrik, zegt diegene: ‘Je hebt zeker een slecht geweten’. Houd je mond, denk ik dan.

Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat de therapie me niet heeft gebracht wat ik wilde: ik zette wel stapjes, maar gaandeweg kwam ik erachter dat de wond blijft. Een harde les. Soms durf ik niet alleen thuis te zijn, werken lukt nog steeds niet. Ik ben bang dat mensen me een luiwammes vinden. Vriendinnen trouwen, krijgen kinderen, kopen huizen. Ik wil ook graag normaal zijn.

Ik probeer vrijwilligerswerk te doen, mensen te vertrouwen, mijn vriendinnen en zusje veel te zien. En ik blijf vechten tegen de taboes. Tegenwoordig heb je voor elke aandoening een naam, maar een woord als ‘misbruik-shock’ – dat ik voor het gemak zelf heb bedacht – bestaat niet. De term PTSS is een vergaarbak en legt de oorzaak van mijn problemen niet bloot. Mensen denken snel: na een half jaar therapie moet je er wel overheen zijn. Ik ben 22 jaar de vernieling in geholpen. Verwacht niet dat ik dan binnen een paar jaar weer terug op aarde ben.’

Romy Kuijpers (18) was vorig jaar met haar schoolklas in Parijs toen daar een man met een kalasjnikov het vuur opende op een politiebus, waarbij een agent overleed.

Romy Kuijpers. Beeld Linelle Deunk

‘Mijn klasgenootjes en ik hadden het er in de bus naar Parijs nog over: wat we zouden doen als er een aanslag zou zijn. Een dag later gebeurde het echt.

Met twee vriendinnen was ik in de H&M op de Champs-Élysées. Ik stond bij het rek met de jurkjes toen de winkelbediende van alles omriep. Ik hoorde het woord terreur en begon te huilen. Er was een aanslag hier dichtbij, er stormden allemaal bange mensen de winkel binnen. Aan de telefoon zeiden mijn ouders dat ik rustig moest blijven. Ze regelden meteen extra belminuten voor me.

Na vijf uur mochten we de winkel verlaten. Ik geloof dat mijn gehuil toen pas ophield. De eerste nachten sliep ik slecht. Ik dacht: ja, niet gek, het is net gebeurd. Maar ik bleef bang, had moeite met ademen, pijn in mijn lijf, herbelevingen - dan schreeuwde ik mijn ouders wakker.

In de zomer zakte het weg. Afleiding hielp. Maar toen ik naar een nieuwe school ging, herkende ik mezelf niet meer. Ik was altijd ambitieus, maar had nergens meer zin in en kreeg woede-uitbarstingen. Ik! Die normaal zo rustig is. Of ik begon te huilen - uit het niets. Ik voelde me anders dan klasgenoten. Gegil in het lokaal joeg me de stuipen op het lijf.

Toen de huisarts zei dat ik PTSS had, dacht ik: huh, wat is dat? Toen hij het uitlegde, snapte ik ineens alles. Dus daarom ben ik totaal veranderd en zo onzeker.

Lang dacht ik: ben ik gek? Mijn vriendinnen die erbij waren, hebben er minder last van dan ik. Nu besef ik dat ik heel gevoelig ben. Ik leerde erover te praten. Ik sta voor therapie op een wachtlijst. Klinkt gek, maar ik heb er zin in. Ik wil dit oplossen. Soms ben ik bang dat ik er nooit vanaf kom. Wat dan? Maar de dokter zegt dat we er vroeg bij zijn en dat dat goed is. Daar houd ik me aan vast.’

Het 2-jarige dochtertje van Jolanda Navis (49) liep weg uit de kantine van een sportcomplex met een zwembad en verdronk in het peuterbadje.

Jolanda Nevis. Beeld Linelle Deunk

‘Ik ben een ander iemand geworden. Vroeger was ik vrolijk, er hing een zweem van blijdschap en onbezorgdheid om me heen. De Jolanda van nu is een tobber, een piekeraar. Ik schrik gauw. Van de telefoon die gaat. Van een onbekend iemand aan de deur. Ik durf niet meer de snelweg op, gebruik altijd omweggetjes. Ik ben bang om te sterven.

Weet je, ik kan niet zeggen: vanaf dát moment heb ik PTSS. Het sloop erin. Als tiener verloor ik een goede vriend, daarna verloor ik nog enkele dierbaren. Maar dat mijn dochter levenloos in het zwembad werd aangetroffen, was de heftigste trigger. Mijn neefje moest afzwemmen, in de kantine vierden we zijn feestje. Ineens vroeg iemand: ‘Waar is Madelon?’ Een paar seconden daarvoor had ik haar nog zien staan.

We vonden haar terug in het peuterbadje. ‘Mám, ze is dood!’, schreeuwde mijn zoon. Met de traumaheli naar het ziekenhuis. Je kind in een grotemensenbed, slangetjes, piepjes, bliepjes: dat kan een ouder niet aan. Kwart voor tien ’s avonds overleed Madelon. Ik ging kapót van verdriet en schuldgevoel.

Pas anderhalf jaar geleden kreeg ik de diagnose. Ik vermoedde het, maar toch schrok ik: PTSS, en dan ook nog de complexe variant, nou dan is er een boel werk aan de winkel. Ik krijg nu EMDR-therapie en praat er veel over. Het helpt, maar ik moet zelf de regie houden. En de dromen over het ziekenhuis blijven, net zoals sommige angsten.

Mensen zeggen dat ik in mijn verdriet blijf hangen. Dat is niet zo: ik eer mijn kind, herdenk haar, verwerk het verdriet. Ik blijf alleen hangen in de trauma’s. De angsten en de nachtmerries zijn het ergst. En niemand snapt me of begrijpt dat ik dit heb. Onbekend maakt onbemind. ‘PTSS, dat krijgen militairen toch?’ Ik probeer dan uit te leggen: ik heb mijn kind niet één keer verloren, maar duizenden keren. Elke nacht verlies ik haar weer.

Werken lukt me niet en soms val ik flauw als de situatie te nijpend is. Gelukkig voel ik het wel steeds beter aankomen. Ik heb de nieuwe Jolanda leren kennen. Maar ik denk niet dat ik haar ooit helemaal kan accepteren.’

Dennis Paauwe (33) liep zijn trauma’s op door een pestverleden en zijn werk bij Defensie.

Dennis Paauwe. Beeld Linelle Deunk

‘Ik hoor mensen vaak zeggen dat PTSS’ers gevaarlijk zijn. Onvoorspelbaar. Ik wil dan zeggen: we doen niets, maar we hebben te veel meegemaakt. Bij vlagen komt dat eruit.

Ik ben vroeger gepest. Ze zeiden dat ik een waterhoofd had. Bij Defensie ging het getreiter door. Mijn spullen werden gestolen, mijn auto beschadigd. Toen besefte ik niet dat ik een trauma opliep. Mijn pestverleden op school had ik afgesloten - dacht ik - en in dienst had ik zoiets van: pesterijtjes, nou én. Ook als we op werk nare dingen meemaakten, brak ik niet. Tijdens een oefening knalden twee maten frontaal op een vrachtauto. Ze waren op slag dood. Pas jaren later ging het aan me vreten.

Dat is het enge: PTSS voel je niet aankomen. Pas toen ik stopte met werk omdat ik vader werd en meer thuis wilde zijn, begon het gepieker, de slapeloosheid. Nachtmerries zijn killing. Zodra ik wakker ben, voel ik zenuwen: shit, ik moet vanavond dat bed weer in.

‘Dit is niet normaal’, zei mijn vriendin op een gegeven moment. Ik kreeg intensieve therapie en dat hielp - al duurde het wel lang. Medicatie geeft me moed, ik ga het marktplein weer op, want ik wil mijn twee zoontjes laten zien: kijk, papa is niet bang.

Maar papa is eigenlijk wel bang. Papa gaat nooit de kroeg in. Of met het openbaar vervoer. Dan heb ik geen overzicht. Die angst gaat nooit weg.

Ik heb moeite met dat PTSS-stempel; alsof het op m’n voorhoofd zit. Laatst kwam mijn zoontje thuis: ‘Pap, er komt een vriendje bij mij spelen’. Maar dat vriendje kwam niet, want ik zou volgens zijn ouders gevaarlijk zijn. Dat doet zeer.

Het wrange is dat de ziekte te behandelen is als je er op tijd bij bent; voor mij kwam hulp te laat. Werken lukt niet, maar vader en partner zijn lukt gelukkig wél. Thuis word ik rustig van mijn aquarium. Ik kijk naar de luchtbelletjes die naar boven dwarrelen, de kleuren en de bewegingen van de vissen... Starend naar het water voel ik me goed. Dan is de PTSS even ver weg.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden