René Diekstra: ‘Denken over zelfdoding moet je leren om je er tegen te verweren.’

Interview René Diekstra

Psycholoog René Diekstra: Wen maar aan meer suïcides in de toekomst

René Diekstra: ‘Denken over zelfdoding moet je leren om je er tegen te verweren.’ Beeld Linelle Deunk

Het aantal zelfdodingen neemt alleen maar toe, denkt psycholoog René Diekstra. Tijd voor een minder verkrampte houding over het onderwerp. Want denken over zelfdoding kan juist levens redden.

‘Over een dood met een grote toekomst.’ Zo luidt de wervende subtitel van een onlangs verschenen boek van psycholoog René Diekstra (72) – Leven is loslaten – over onze nogal verkrampte omgang met zelfdoding. ‘Eigenlijk vinden we dat de dood een weeffout is van de schepping. Dat de dood overwonnen zou moeten worden. Vroeger had die gedachte een religieuze basis, en richtte de mens zich met ziel en zaligheid op het leven na de dood. Nu heeft ze een medisch-technologische basis: de dood moet, ook bij zieke of levensmoede mensen, zo lang mogelijk worden uitgesteld.’

En dan heb je, tot overmaat van ramp, ook nog de psychiaters en psychologen – vakgenoten van Diekstra – die zelfdoding volledig uit de wereld willen helpen. ‘Die hebben het dus echt niet begrepen’, zegt Diekstra. ‘Ze weigeren in te zien dat het aantal zelfdodingen in de toekomst onvermijdelijk zal toenemen. Want we leven langer, we worden later – veel later – door de dood gehaald, en we krijgen steeds meer zelfbeschikking. Steeds langer en steeds gezonder leven? Prima. Maar hoe zit het met gezond sterven? Gaan we dat ook ondergeschikt maken aan ons streven naar levensverlenging?’

Er is, zegt Diekstra, ‘iets fundamenteel mis’ met de manier waarop we over zelfdoding spreken. ‘Zo gebruiken we nog steeds het voor nabestaanden zo pijnlijke woord ‘zelfmóórd’. Daarin klinkt een afwijzende houding door die eeuwenlang de norm was. Er is een tijd geweest dat zelfdoding niet alleen als moord werd beschouwd, maar als de ergste moord die je kon plegen. Een misdaad van de mens tegen zichzelf, tegen zijn eigen natuur en tegen de gemeenschap. Die bracht haar woede tot uiting door suïcide zwaar te straffen en als moord te omschrijven. En dat doen we nog steeds. Zelfs instellingen die zich op de preventie van suïcide toeleggen, hebben het over zelfmoord.’

De afkeer van zelfdoding is ingegeven door angst voor de dood, stelt Diekstra. En die doodsangst is een ernstige fout, wist de Italiaanse vrijdenker Alberto Radicati drie eeuwen geleden al. ‘De dood is genadig, dus de mens heeft geen enkele reden om er bang voor te zijn. Radicati schreef dat zelfdoding een optie is die God of de natuur aan de mens heeft gegeven, en dat de mens in staat is om een wijs besluit over zijn eigen leven of dood te nemen. Zelfdoding kón niet indruisen tegen de menselijke natuur, want het is een onlosmakelijk onderdeel van de menselijke natuur. In zijn tijd was dat natuurlijk een volkomen onacceptabele opvatting die dan ook fanatiek werd bestreden. En met zulke duurzame resultaten dat ook ik na jaren van suïcide-onderzoek nog nooit van Radicati of van zijn ‘verhandeling ter vertroosting van de ongelukkigen’ had gehoord.’

‘Er is iets fundamenteel mis met de manier waarop we over zelfdoding spreken. Zo gebruiken we nog steeds het voor nabestaanden zo pijnlijke woord ‘zelfmóórd’.’ Beeld Linelle Deunk

Waren de gedachten van Radicati een eyeopener voor u?

‘Toch wel . Het is uitsluitend dankzij de zelfdoding dat we voor het leven kunnen kiezen. Of voor de dood. Toen ik zijn pamflet las, dacht ik: wat zijn eigenlijk de basale opvattingen in ónze tijd over zelfdoding? Die opvattingen blijken een moderne versie van de opvattingen waartegen Radicati zich verzette. Een in een pathologiserend jasje verpakte afwijzing van zelfdoding als optie. Veel mensen denken af en toe aan zelfdoding. Maar slechts een kleine minderheid van die mensen handelt daar uiteindelijk ook naar. Denken aan zelfdoding kan levensbeschermend zijn. Om deze optie af te wijzen, helpt het om er serieus over te hebben nagedacht. In het boek The Moviegoer van Walker Percy wordt die paradox als volgt uitgedrukt: ‘It is the thought of suicide that keeps me alive’. Maar voor veel mensen zijn de eigen suïcidale gedachten een no-go-area. Gedachten die zoveel mogelijk verdrongen of ontkend moeten worden. Met als gevolg dat als ze toch doorbreken, mensen er vaak weerloos tegen zijn. Denken over zelfdoding moet je leren om je er tegen te verweren. Zo heb ik, om een voorbeeld te noemen van iemand die ik in mijn boek bespreek, me afgevraagd of Joost Zwagerman, voldoende geholpen is bij het opbouwen van weerbaarheid op dit punt.’

U probeert de optie van zelfdoding dus acceptabel te maken in de hoop dat ze onbenut blijft?

‘Het is mij er niet a priori om te doen om iemand die aan zelfdoding denkt van dit voornemen af te brengen, en al helemaal niet om hem of haar tot zelfdoding aan te moedigen, al wordt die intentie mij weleens in de schoenen geschoven. Mijn doel is de ander te helpen beseffen dat er naast zelfdoding misschien ook nog andere kaarten zijn die op tafel kunnen worden gelegd. Maar het is niet aan mij om een zelfdoding te verijdelen of te veroordelen als iemand daar weloverwogen voor kiest.’

Wanneer is zo’n keus weloverwogen?

‘Als ze tot stand komt in samenspraak met anderen. Dat is zelfs de kern van een vierduizend jaar oude tekst uit Egypte over de strijd van een levensmoede man met zijn ziel, waaruit een grote tolerantie blijkt tegenover het voornemen tot zelfdoding. De man wil uit het leven stappen, maar zijn ziel gaat daar aanvankelijk tegenin. Met tegenwerpingen in de sfeer van: morgen schijnt de zon weer. Maar uiteindelijk zegt de ziel: ‘Ik heb liever dat je het niet doet, maar als je het uiteindelijk toch doet, zal ik je niet in de steek laten.’ Zo dacht de humanist Thomas More er ook over. In zijn Utopia kunnen mensen die het leven moe zijn zich tot een instantie wenden die hun dood pijnloos en op een zelf gekozen tijdstip bewerkstelligt. Mits het verzoek daartoe overtuigend is gemotiveerd en het niet een louter individueel besluit is.’

In Nederland zie ik zo’n instantie niet snel ontstaan.

‘Dat is heel jammer, want we zullen ons toch moeten voorbereiden op een toekomst waarin mensen die niet terminaal ziek en zelfs niet zielsongelukkig toch uit het leven willen stappen. Omdat ze levensmoe zij. Omdat ze, zoals Nietzsche schreef, niet te vroeg of te laat willen sterven, maar op tijd. Maar wat zegt onze Hoge Raad, die in dit opzicht ook niet helemaal bij de tijd is? Levensmoeheid is geen medisch classificeerbare conditie, dus zelfdoding of hulp bij zelfdoding zouden we absoluut niet moeten willen. Dan denk ik: je snapt er nog niets van. Je houding tegenover zelfdoding is nog primitiever dan die van een Egyptische dichter van vierduizend jaar geleden. Maar we gáán die kant op. Levensmoeheid zal steeds vaker het motief voor zelfdoding worden.

‘Hoe je het ook wendt of keert: levensmoeheid is geen medische aandoening, maar een mentale conditie. Met andere woorden: hulp bij levensmoeheid kan niet uitsluitend medisch van aard zijn. Niettemin zegt onze overheid: niet-medici die levensvermoeide mensen helpen bij de verwezenlijking van hun wens om uit het leven te stappen, plegen een strafbaar feit. Dat klopt niet. Dit is geen medisch-ethische kwestie. We noemen haar zo, want dan kunnen we haar inpakken en beleidsmatig afgrenzen. Maar de thematiek is veel breder dan die waar de euthanasiewetgeving voor is geschreven. Het is tijd om daar een mouw aan te passen. Als burgers, beleidsmakers en hulpverleners moeten we de moed hebben om te stellen dat het bij zelfdoding en bij het faciliteren ervan niet gaat om een medische maar om een existentiële kwestie. Ook niet-medici als helpers, mits goed getraind en begeleid, gaan daarbij zeer zorgvuldig te werk. Met de toename van levensvermoeidheid zullen we hen in de naaste toekomst hard nodig hebben.’

Dan doemen meteen spookbeelden op van mensen die met zelfdodingspoeders gaan knutselen.

‘Dat verwijt werd mij al in 1980 gemaakt toen mijn leermeester Nico Speijer en ik ervoor pleitten om hulp bij zelfdoding onder bepaalde condities ook toe te staan aan niet-medici. In de praktijk is het bij de hulp door niet-medici echter zelden fout gegaan. De meeste gevallen zijn zorgvuldig gedocumenteerd en soms zelfs gefilmd. Ook die van collega’s en mijzelf. Wij hebben meerdere malen mensen geholpen om op de manier waarop zij dat wensten en met betrokkenheid van hun naasten te sterven. Een van die gevallen beschrijf ik in mijn boek. Waar het juist fout gaat, is waar mensen zelf gaan knoeien omdat ze niet geholpen worden, omdat hulpverleners bang zijn voor de juridische risico’s die ze lopen als ze de wens tot zelfdoding eerbiedigen.

‘Merkwaardig is ook dat we het wel hebben over euthanasie, een ‘goede’ dood, maar nooit over het tegenovergestelde daarvan: dysthanasie, een slechte dood. Zoals een eenzame of wrede dood omdat hulp uitbleef. Zo wordt de keuze voor een gruwelijke methode niet zelden gemaakt omdat verzoeken om een ‘zacht’ middel bij herhaling zijn afgewezen. Daarnaast is een aantal zelfdodingen het gevolg van een falende psychologisch-psychiatrische hulpverlening. Maar zelfs als het stervensproces volgens de regels van de euthanasiewet is verlopen, blijven we het moeilijk vinden om de dingen bij hun naam te noemen. Zo stapte een van mijn leermeesters uit het leven door een middel in te nemen dat hem door zijn huisarts was verstrekt. Feitelijk ging het dus om zelfdoding, maar vanwege de betrokkenheid van een arts en een scen-arts, een arts die een collega adviseert bij een euthanasieverzoek, is zijn dood niet als zelfdoding de statistieken ingegaan maar als euthanasie. Dat gebeurt veel vaker, en dus weten we nog altijd niet goed hoeveel zelfdodingen er in werkelijkheid in ons land plaatsvinden.’

Is zelfdoding door een jongere niet per definitie een slechte dood?

‘Meestal is dat zo. Er zijn bijna altijd mogelijkheden onbenut gebleven. Vrijwel altijd schiet de omgeving, in het bijzonder de hulpverlening, tekort. Neem dat meisje dat zichzelf dat roemruchte zelfdodingspoeder had toegediend. Toen ze in een e-mail aan haar therapeut liet weten dat zij zocht naar een middel, verwees die haar door naar de Levenseindekliniek, ‘waar ze verstand hebben van dit soort dingen’. Nou vraag ik je! Een jong meisje, 19 jaar oud, doorverwijzen naar de Levenseindekliniek!

‘Eerder was het meisje al aangemeld voor een kliniek. Na negen maanden kreeg ze een oproep. In die kliniek werd haar verteld dat ze hier niet op haar plaats was, en dat ze naar een andere kliniek moest – met een wachtlijst van een jaar. In die tijd heeft zij zichzelf van het leven beroofd. Ik denk dat niet de beschikbaarheid van het poeder het probleem was, maar het feit dat haar geen passende hulp werd geboden. Als samenleving nemen we bijna nooit de verantwoordelijkheid voor de zelfdodingsdrama’s die het gevolg zijn van ons eigen falen.’

Heeft u zelf ooit met de gedachte aan zelfdoding gespeeld?

‘Wat heet ooit. Als kind, jongere, psychiatrisch verpleegkundige, psycholoog en psychotherapeut, tot op de dag van vandaag, altijd is het denken aan en over zelfdoding een wezenlijk onderdeel van mijn leven geweest. Ik heb er talloze gesprekken met mezelf en met anderen over gevoerd. Het heeft me weerbaar gemaakt tegen de verleiding ervan, ook op die momenten dat ik op de rand heb gestaan. Het is dan ook geen toeval dat ik in mijn allereerste wetenschappelijke publicatie, ik was toen net 20, zelfdoding tot het belangrijkste onderwerp van de psychologie als wetenschap heb verklaard. De titel van die publicatie was: Psychologie van de zelfdoding of zelfdoding van de psychologie. Ik stelde daarin dat als er één onderwerp is waarop de psychologie als wetenschap en praktijk in de volgende decennia haar waarde diende te bewijzen, het zelfdoding was. Zowel wat betreft verklaring, preventie als de problematiek van nabestaanden.’

Heeft de psychologie dat bewijs geleverd?

‘Ik wou dat ik volmondig ja kon zeggen. Maar de vorderingen zijn helaas nog altijd heel bescheiden. Zo zijn we nog altijd niet erg goed in de preventie van zelfdoding. Dat wil niet zeggen dat er geen zelfdodingen voorkomen worden. Maar we zijn onvoldoende opgewassen tegen ‘suïcidogene’ krachten, zoals onder meer sociale uitsluiting en economische neergang. Maar enige hoop is er wel. Hoe eerder we kinderen en jongeren bepaalde basale levensvaardigheden aanleren, zoals zelfbeheersing, veerkracht en stressweerbaarheid, hoe lager het risico dat ze als (jong-)volwassene hun leven onnodig vroeg beëindigen.’

Een leven voor de suïcide

René Diekstra (Sneek, 20 juli 1946) studeerde psychologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Al in een vroeg stadium van zijn loopbaan legde hij zich toe op suïcide als onderzoeksthema. In 1979 werd hij benoemd tot hoogleraar psychologie aan de Universiteit Leiden. Die functie legde hij in 1996 neer nadat hij was beschuldigd van plagiaat in een populair wetenschappelijk boek. Op het onderzoek dat de universiteit naar zijn wetenschappelijk handelen heeft laten uitvoeren, is naderhand veel kritiek geuit. Hij heeft zijn loopbaan dan ook elders kunnen voortzetten. Zo was hij hoogleraar aan het University College Roosevelt in Middelburg, lector aan de Haagse Hogeschool, voorzitter van de Commissie Suïcide van de Gezondheidsraad en was hij als eerste Nederlandse psycholoog verbonden aan de Wereldgezondheidsorganisatie WHO.

Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij de crisislijn van 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0900-0113 voor een gesprek, u kunt ook chatten op www.113.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden