INTERVIEWEsther van Fenema

Psychiater Esther van Fenema: ‘Bij veel dingen die ik doe is woede een drijfveer’

Beeld Jouk Oosterhof

Psychiater en opiniemaker Esther van Fenema geeft haar uitspraken ‘soms wat te veel sambal mee’. Als lijsttrekker van NLBeter wil ze immigratie ter discussie stellen. ‘Je moet afspraken maken: wie past zich aan wie aan?’

Waarom kan ik niet gewoon gelukkig zijn? 

‘Dat is een vraag, ja, die ik vaak krijg. Geluk is een product geworden waar we allemaal recht op hebben, daar worstel ik als psychiater wel mee. Kijk, als je je leven praktisch een beetje op orde hebt, een baan hebt en in staat bent goede relaties te onderhouden, dan kun je, als je mazzel hebt, momenten van geluk ervaren. Maar geluk op bestelling – nee, ik vind het moeilijk om daarbij te helpen.’

Waarom kan ik niet gewoon gelukkig zijn? is ook de titel van uw boek. Komen mensen met die vraag bij een psychiater? 

‘Nou, niet zo direct, ze worden vaak met angst- of stemmingsstoornissen door de huisarts doorverwezen. En op de crisisdienst in Almere, waar ik ook werk, is het sowieso heel anders, daar gaat het vaak om mensen die schizofrenie hebben of psychotisch zijn. Maar ik hoor toch regelmatig: ik heb alles, maar ik ben toch niet gelukkig. Zeker hier in mijn praktijk in Bussum.’

De Bussumse praktijk van Esther van Fenema (49) is ook de ruimte waar het interview plaatsvindt: zandkleurige designbank, fauteuil ertegenover; ‘Normaal gesproken zit ik op de plek waar jij nu zit, dan staan de tissues hier.’ Ze pakt een alcoholvrij biertje voor zichzelf uit de koelkast, het is half zes na een drukke werkdag, er is water voor het bezoek.

Van Fenema’s boek verscheen half juni. Het bevat verhalen van gefingeerde, maar op praktijkgevallen gebaseerde patiënten en de therapie die ze bij haar volgden. Behalve psychiater is ze ook violiste, daarnaast is ze volgens haar website ook opiniemaker en ze is politicus in spé: ze is lijsttrekker van NLBeter, een nieuwe partij die wil meedoen aan de Tweede Kamerverkiezingen in 2021. Haar man, Olaf Stuger, is ook politicus. Hij zat tot 2019 voor de PVV in het Europees Parlement. Met hem en zijn drie grote kinderen uit zijn eerste huwelijk woont ze naast haar praktijk in Bussum in een villa die voor 1,4 miljoen euro te koop staat. ‘We gaan terug naar onze roots op de Utrechtse heuvelrug, waar we allebei zijn opgegroeid. Ik kocht mijn vioolsnaren in de muziekwinkel van Olafs vader. We kenden elkaar eigenlijk niet goed vroeger, maar toen ik hem in 2012 weer ontmoette, wist ik, het klinkt heel cliché, meteen: dit is mijn man.’

Het valt op in uw boek dat de psychische klachten van uw patiënten bijna allemaal terug te voeren zijn op hun ouders en hun jeugd. 

‘Ook al zo’n cliché, hè, maar dat is het niet voor niks. Ik zeg wel eens: als we geen ouders hadden, had ik geen werk.’

En dan vooral moeders? In negen van de elf hoofdstukken speelt een dominante of een labiele moeder een negatieve rol. 

‘Een ingewikkelde rol, jazeker. Dat zie je vaak.’

Hoe was dat bij u thuis? In een eerder interview vertelde u dat u geen contact meer hebt met uw ouders. 

‘Ja, zij hebben het contact verbroken. Ik dacht altijd dat het aan mij lag, maar later zie je in dat het niet normaal is als ouders dat doen.

‘Soms zie ik weinig verschil tussen mij en mijn patiënten, ik kan doorvoelen wat de impact is van de dysfunctionele patronen waarmee ze zijn opgegroeid. Ik mag er niet zijn, ik ben niet oké – dan kun je zeggen: materieel had je niets te klagen, zeker, maar als je de wereld ingaat met zulke negatieve overtuigingen, dan kleurt dat natuurlijk je hele bestaan. Ik weet als geen ander hoe lastig het is om daarmee in therapie aan de slag te gaan. Dat kost jaren, dat is echt heel veel werk.’

Hoe kreeg u dat idee: ik ben niet oké, ik mag er niet zijn? 

‘Dat heb ik mijn hele jeugd meegekregen, ik had een soort zwart-schaap-functie in ons gezin. De opvoedstijl was dat je vooral gewaardeerd werd om je prestaties. Ik ging én conservatorium doen én geneeskunde studeren, dacht: als ik nu maar heel erg presteer, komt het goed met mij. Maar dat was niet zo, want bij elke mijlpaal ben je des te ongelukkiger omdat je er nog stééds niet bent.’

In het interviewprogramma BN’ers in therapie dat u maakte, vroeg u steevast aan uw gast: wie is je moeder? 

‘Een heel belangrijke vraag, ik stel hem ook altijd aan mijn patiënten: wat komt er als eerste in je op? Bij mij is dat: een getroebleerde pianiste. Onze verhouding was ingewikkeld, er was veel spanning tussen ons. Ik denk dat ik veel kwetsuren heb opgelopen door haar achtergrond. Ze verloor haar moeder aan een ziekte toen ze nog jong was, en ze is joods, er zit veel narigheid, veel leed. Over haar joods-zijn heeft ze altijd geheimzinnig gedaan. Pas toen iemand zich versprak, op mijn vijftiende, kwam ik erachter dat we niet alleen koosjer aten omdat dat gezonder was. Dat angstige – niet te veel naar buiten treden, hou je nou maar keurig aan de regeltjes – daar kon ik niet tegen, omdat ik zelf heel anders ben. Ik heb een stevig temperament. Maar boos worden mocht niet, woede was een verboden emotie, daar kreeg mijn moeder migraine van. En als kind wil je je ouders niet schaden, dus je gaat je aanpassen. Heel hard viool spelen, in mijn geval, zo konden de emoties er toch uit.’

Later in het gesprek: ‘Misschien ben ik ook wel boos dat joodse familieleden zich hadden laten afvoeren in de oorlog, wat idioot is, want wat voor handelingsperspectief had je in die tijd? Terugvechten, dacht ik als kind. Dat slachtofferige van mijn moeder, daar werd ik opstandig van. Het zal wel in mijn aard zitten. Je wilt grip hebben, controle, om te voorkomen dat het weer gebeurt dat je je als willoos slachtoffer laat afvoeren – zoiets, ik weet het niet.’

U ging naar het conservatorium. Dat moet uw moeder, pianiste, plezier hebben gedaan. Was dat al dan niet bewust een reden? 

‘Nou, ik denk dat ze daar dubbel over was, want mijn moeder overvleugelen was nu ook weer niet de bedoeling. Dus de teneur was: ach, Esther probeert dat nou wel, maar zo bijzonder is ze niet. Ik ging, toeval of niet, naar hetzelfde conservatorium in Brussel waar zij op had gezeten, alleen heeft zij het niet afgemaakt. Ik weet nog dat ik bij mijn afstuderen op het podium stond en dacht: zij niet en ik wél. Er was altijd een stukje competitie tussen ons.’

Beeld Jouk Oosterhof

Zat ze in de zaal toen? 

‘Nee, ze is er nooit bij geweest op diploma-uitreikingen. Dat bedoel ik met dat abnormale, dat je niet eens op een soort dierlijk niveau erkent: het is misschien een etterbak, maar het is wél mijn kind. Maar nee, mijn ouders waren principieel: wij zijn daar niet bij.’

Wat had u dan precies zo fout gedaan in hun ogen? 

‘Ik had in die tijd een relatie met iemand die heel belangrijk voor me was, daar waren ze op tegen. Er was een grote angst voor alles en iedereen buiten het gezin.

‘Je moet je voorstellen: het was bijna sektarisch bij ons thuis, een streng joods-christelijke blend van regeltjes – geen tv, geen seks voor het huwelijk, niet roken, wat ik natuurlijk toch ging doen. Maar er golden ook andere, veel onduidelijker criteria, waardoor er altijd de dreiging was dat je het niet goed deed. Mijn broers hadden er minder last van, maar ik werd echt geïsoleerd als zwart schaap. Ik herinner met dat ik zelfs eens niet mee op vakantie mocht omdat ik iets verkeerd had gedaan. Ik moest toen uit logeren, geloof ik. Constant was er de dreiging om uitgestoten te worden.’

Wat dus uiteindelijk ook gebeurde. 

‘Af en aan. We hebben het ook weer een tijdje geprobeerd later, maar ik kreeg paniekaanvallen als ik naar mijn ouders toe ging, want dan moest ik weer in het gareel. Theedrinken en over een nieuwe expositie praten, Het goud van de Thraciërs, goh, interessant. Want het zijn heel beschaafde mensen, hè, Concertgebouwmensen. En ondertussen denk je: er is hier zoveel misgegaan, maar er wordt nergens over gepraat. Na een interview in Trouw, waarin ik vertelde dat het thuis allemaal niet ideaal was geweest, hebben ze de deur dichtgegooid. Het is bijna romantisch: ik mail ze nog wel eens, maar ik krijg nooit antwoord.’

Wat doet dat met u?

‘Ik weet niet of het me nog zoveel doet. Het heeft me getekend, ik heb een groot wantrouwen ontwikkeld jegens mensen, daar heb ik tot op de dag van vandaag nog steeds last van. Maar ik zeg altijd: ik ben ervoor behandeld, ik kan ermee omgaan, ook al heb ik littekens en ben ik wel een beetje stuk.’

En boos? Bent u dat ook? De emotie die er vroeger niet mocht zijn? 

‘Nou, die emotie heb ik me inmiddels wel toegeëigend. Bij veel dingen die ik doe is woede een drijfveer: dan ga ik een stukje schrijven of vioolspelen of actie ondernemen. Dus ja, ik heb wel kanalen gevonden om met die woede om te gaan.’

In uw boek wil een van uw patiënten haar moeder graag vergeven. U zegt dan: je hoeft je ouders niet altijd te vergeven. 

‘Het is een normale, menselijke neiging om excuses te zoeken voor je ouders door te zeggen: zij konden het ook niet helpen. Maar je mag ook onderkennen dat ze steken hebben laten vallen en dat je tekort gekomen bent.’

Wat bent u tekort gekomen? 

‘Onvoorwaardelijke liefde, om die er maar eens in te gooien. Maar dat heeft me ook veel gebracht. Ik ben als bezeten mijn talenten gaan benutten om maar te laten zien: ik mag er zijn. Kijk, het conservatorium is ook een soort sekte, een gesloten wereld met duidelijke mores en dat vond ik wel lekker, want ik herkende dat. Wat er ook gebeurt, je zorgt dat je ’s ochtends je toonladders staat te studeren, dus ’s avonds kun je niet gaan zuipen, want je moet op tijd naar bed. Dat is heel disciplinerend.’

En tegelijkertijd studeerde u geneeskunde in Utrecht. 

‘Ja, het was een crazy periode, maar dan hoef je niet zoveel te voelen, dus dat was wel fijn.’

Wat wilde u niet voelen? 

‘Ik moest presteren om maar niet in de afgrond van de wanhoop te donderen, denk ik. Omdat ik de basale veiligheid van een gezin had gemist, heb ik lang gedacht: ik moet het zelf doen. Als ik een relatie had, was dat met iemand in het buitenland, want intimiteit vond ik maar gevaarlijk. Kinderen wilde ik ook nooit, ik vond het nogal traumatiserend, leven in een gezin. Nu, met de kinderen van Olaf, vind ik het ook best confronterend dat zij zomaar een grote mond op kunnen zetten als ze ongesteld zijn. Ik werd dan vroeger een week genegeerd. Misschien ben ik er wel gewoon jaloers op dat er zoveel ruimte is voor wie ze zijn. Stiefmoeder zijn is een ingewikkelde rol, al merk ik wel steeds meer hoe belangrijk het is om een stabiele ouderfiguur te zijn.’

Het gesprek komt op haar man, Olaf Stuger, tot voor kort PVV-politicus en nu aangesloten bij de partij van Henk Otten, voormalig Forum voor Democratie-prominent. Ook Van Fenema kun je politiek gezien op het uiteinde van de rechterflank situeren: de Zwarte Piet-discussie noemde ze ‘een onbenulligheid’, in een column over de aanrandingen tijdens nieuwjaarsnacht in Keulen vroeg ze zich af wie ’s lands vrouwen tegen ‘hitsige nieuwkomers’ met ‘woestijnmores’ gaat beschermen. Ze geeft ook het antwoord: niet de ‘gedegenereerde, gecastreerde metroman in roze overhemd’, maar de witte, dominante man, ‘mannen die er trots op zijn dat ze man zijn, westers en blank.’

U hebt met anderen een nieuw partij opgericht, NLBeter. Waarom nog weer een nieuwe partij in Nederland? Waarom hebt u zich bijvoorbeeld niet bij de PVV aangesloten? 

‘Omdat dat niet mijn partij is. Een aantal zaken vind ik heel goed, de passie waarmee Fleur Agema voor de verpleeghuiszorg opstaat bijvoorbeeld, maar de fixatie op bepaalde groepen in de samenleving vind ik niet wenselijk. Kijk, ik ben arts, ik heb een eed afgelegd en dat betekent dat ik een neutrale houding moet aannemen in mijn spreekkamer, wie er ook tegenover me zit.’

Beeld Jouk Oosterhof

Hebt u die neutrale houding? Neem die column over ‘hitsige nieuwkomers’ met ‘woestijnmores’, die zegt toch veel over uw blik op bepaalde bevolkingsgroepen? 

‘Dat is een column geweest waarvan ik me nu afvraag: zou ik hem vandaag opnieuw zo schrijven? Dan zeg ik: nee, dat zou ik niet doen. Mijn boosheid richtte zich niet zozeer op de raciale achtergrond van die mensen, die interesseert mij niet. Het gaat mij om gedrag. Ik wil gewoon, misschien ook wel als psychiater, dat mensen zich normaal gedragen. Alle geaardheden moeten hand in hand over straat kunnen lopen, je moet zonder problemen een keppeltje kunnen dragen en vrouwen hebben gelijke rechten, dat zijn vrijheden waar ik voor sta. En als ik zie dat daaraan getornd wordt, vanuit de islam of door niet-westerse allochtonen, dan vind ik het mijn plicht daartegen op te staan. Ik vind dat we ergens een grens moeten trekken. Voor hun doen zijn die mensen uit andere culturen misschien niet raar bezig, ik denk dat zij zich gedragen zoals voor hun normaal is, maar ik weet niet of ik dat wil in dit land.’

Nu suggereert u dat aanranden de norm is in bepaalde culturen, terwijl we allemaal weten dat de witte buurman dat net zo goed kan doen. Dat soort typeringen werken toch racisme in de hand? 

‘Nou, het gaat mij om de rol van de vrouw in moslimlanden, zoals de meisjes die ik tref op de crisisdienst die door eerwraak worden bedreigd. Dat heeft met hun culturele achtergrond te maken en ik vind dat we daarover het debat moeten voeren. Wij hebben de rol van de vrouw op een westerse manier gedefinieerd en als je allemaal mensen hiernaartoe laat komen die daar heel anders over denken, leidt dat niet automatisch tot verkrachting misschien, maar wel tot een bepaald spanningsveld. Ik vind dat we het daarover moeten kunnen hebben in Nederland.’

Dat doet u uitvoerig met gasten als Wierd Duk, Joost Niemöller en Sid Lukassen in uw interviewprogramma op onlinekanaal Café Weltschmerz, radicaal rechtse publicisten met wie u het in die interviews roerend eens bent. Zo iemand als Sid Lukkassen, die vindt dat bepaalde mensen ‘uitgeschakeld’ moeten worden om de ‘linkse dominantie’ te doorbreken, noemt u een ‘belangrijke denker’. Waarom stelt u hem geen enkele kritische vraag? 

‘Omdat ik een fase heb gehad waarin ik vooral wilde horen wat die mensen te zeggen hebben, ik zie mijn rol bij Café Weltschmerz niet als die van kritische interviewer. Lukkassen is wel erg geradicaliseerd de afgelopen tijd, maar zijn boek Avondland en Identiteit, of andersom, dat vergeet ik altijd, vond ik erg interessant.’

Lukkassen stelt dat door de ‘massa-immigratie’ de ‘westerse beschaving ten onder gaat’, net als Joost Niemöller, bijvoorbeeld. Die laatste zegt in Van Fenema’s interviewprogramma: ‘Het wordt gewoon steeds erger, er komen steeds meer jonge mannen uit Afrika. Er komt een burgeroorlog aan.’ Van Fenema reageert instemmend: ‘Maar als ik mijn collega’s spreek, die zeggen dat het heel somber is om zo te denken. Die hebben nog steeds een soort maakbaarheidsdenken dat we met ratio en verbinding – een woord dat ik niet meer kan horen – en liefde en samenwerken, dat soort jarentachtig-abstracties, de boel nog wel gaan redden.’ 

Wat is er tegen ratio en verbinding om problemen op te lossen? 

‘Ik vind dat die begrippen te vaak gebruikt worden om de realiteit niet te benoemen. We kunnen wel doen alsof het hier één grote Benetton-reclame is en alsof iedereen lief is voor elkaar, maar ik zie als psychiater misstanden die gebaseerd zijn op culturele verschillen. Er zijn vrouwen die pas ’s avonds naar de huisartsenpost komen omdat ze overdag niet over straat mogen van hun man. Ik vind dat we in Nederland te weinig het debat voeren over massa-immigratie, een heleboel thema’s zijn gewoon taboe. Daarom ben ik er scherp ingegaan, ja. Dan schrijf je soms een column waarvan je zegt: daar heb ik toch iets te veel sambal gebruikt.’

In 2018 publiceerde Van Fenema een column op The Post Online waarin ze schreef: ‘Recent verklaarde de burgemeester van Venetië dat iedereen die ‘Allah akbar!’ op het San Marcoplein roept, direct wordt neergeschoten. Het lijkt mij een daad van bescherming, maar ongetwijfeld zullen er weer ‘rechtvaardigen’ opstaan die medelijden voelen met het inperken van religieuze uitlatingen.’

Dat citaat werd overgenomen in een polemiek in het vakblad Medisch Contact, waarin een collega-psychiater Van Fenema rechtstreeks aanspreekt: ‘Je schoffeert de ene na de andere bevolkingsgroep. Je overschrijdt daarmee de ethische grenzen van ons vak.’ Ook schrijft de vakgenoot: ‘Hoe zullen een getraumatiseerde vluchteling uit Irak of een bakfietsvader met een psychotische depressie zich voelen als ze op internet ontdekken dat hun psychiater geen empathie voor hen voelt, maar afkeer en minachting?’

Beeld Jouk Oosterhof

Hoe kijkt u terug op die discussie? Op de vraag: dat polariseren, past dat een psychiater? 

‘Ik vind niet dat ik polariseer. Nogmaals: ik wil de realiteit benoemen en vervolgens kijken: wat gaan we eraan doen? Dat debat wil ik voeren en daar is in Nederland te weinig ruimte voor.’

Voor uw geluid is toch alle ruimte? U hebt columns in Medisch Contact, The Post Online, opiniestukken in de Volkskrant, u bent op tv, radio en online. 

‘Ja, ik heb inmiddels bepaalde podia en daarin neem ik ook steeds meer mijn verantwoordelijkheid, maar ik heb het gevoel dat veel mensen op de rechterflank, om die voor mij wat ouderwetse term te gebruiken, want ik geloof niet meer zo in het onderscheid tussen rechts en links, dat die mensen zich niet gehoord voelen in de mainstreammedia. Daardoor gaat dat gedachtengoed ondergronds, is dat dan wat we willen? Nu al stemt een derde van alle kiezers in de online peilingen op de PVV en Forum (is nooit hoger geweest dan circa een vijfde, red.), dat lijkt me niet wenselijk.’

Zo’n uitspraak over het neerschieten van iemand die ‘Allah akbar’ roept, kalmeert die mensen niet. 

‘Maar is het dan altijd nodig om mensen te kalmeren? Misschien moet er om tot een oplossing te komen eerst wel een hoop woede uit.’

De emotie die u niet mocht voelen vroeger. 

‘Ja, ik denk zeker dat mijn woede daarmee te maken heeft. En dat is natuurlijk ook wel een beetje fase geweest die zo langzamerhand is uitgedoofd, ik heb recentelijk niet meer van die boze columns geschreven.’

Was het ook een manier om zichtbaar te worden? En neemt u nu wat gas terug in verband met de nieuwe politieke partij? 

‘Nee, het is niet zo dat ik inbind vanwege NLBeter. Het doel was niet zozeer zichtbaar zijn, maar iets diagnosticeren in de maatschappij. Ik denk dat je in een gezonde samenleving de vraag moet kunnen stellen; hoeveel mensen kunnen we hier aan? Krijgen we hier net als in Italië steden met grote buitenwijken waar verloederde immigranten rondlopen waardoor allerlei risico’s voor de maatschappij ontstaan? Het gaat er niet om weer zwarte schapen aan te wijzen, want dat is natuurlijk iets waar ik heel alert op ben, maar ik vind wel dat je dat moet kunnen bespreken.’

U had het over het wantrouwen jegens anderen dat u hebt overgehouden aan uw jeugd. Ligt uw angst voor de multiculturele samenleving in het verlengde daarvan? 

‘Nou, angst, dat herken ik niet. Maar nogmaals: als we in dit land allerlei culturen met elkaar gaan combineren moet je op een gegeven moment afspraken maken: wie past zich aan wie aan? Dat wantrouwen voel ik overigens meer jegens de eigen cultuur, het establishment. De managers die het in hun zalvende nieuwjaarstoespraken inderdaad over ‘verbinding’ hebben. Ik kan er niet tegen dat je pas deugt als je vindt wat iedereen hoort te vinden die het NRC leest. Ik word daar ongelooflijk recalcitrant van.’

Wat vindt u van de anti-racismedemonstraties die nu worden gehouden? 

‘Nou, ik vind dat lastig. Ik kan ook wel roepen van ‘wat erg’ en ‘dat mag nooit meer gebeuren’, maar ik vind dat allemaal nogal selectief. Wie staat er op voor de homo’s in Indonesië die ook te maken hebben met politiegeweld? Zou je me vragen of ik een racist ben, dan zou ik jou vragen wat je definitie daarvan is. Ik denk niet in zwart-wit. De familie van Olaf is Surinaams, zijn vader is best bruin, en mijn moeders familieachtergrond is joods, maar ik denk niet in kleuren, ik kijk naar gedrag. En ik kijk ook als psychiater: waarom juist nu die demonstraties? Is het echt racisme waar zo heftig op gereageerd wordt of is het ook omdat mensen de behoefte hadden na corona om weer massaal de straat op te gaan?’

Over de demonstraties van jonge klimaatspijbelaars een tijdje geleden schreef u dat zij vast gemanipuleerd werden door hun ouders, waarbij u liet blijken niet zo veel te hebben met ‘klimaathysterie’. Gelooft u niet dat jonge mensen zich daadwerkelijk zorgen maken over het milieu? 

‘Het milieu is ook zo’n ongelooflijk ingewikkeld onderwerp, in hoeverre snappen die kinderen waar het precies om gaat? Kijk, ik begrijp ook wel dat als wij voor 30 euro naar Berlijn willen vliegen, daar ergens op de wereld een rekening voor wordt betaald. Maar net als in het racismedebat spelen er in het klimaatdebat allerlei emoties, het wordt een ideologische strijd. En ook dan zeg ik: laten we nou eerst de realiteit onderzoeken voordat we allerlei dingen gaan roepen.’

Haar politieke partij NLBeter richtte Van Fenema op met een aantal anderen, onder wie klimaatwetenschapper Jan Rotmans, oprichter van de duurzaamheidsbeweging Urgenda. Hij is alweer vertrokken bij de partij, net als longarts Wanda de Kanter. ‘Ze konden het niet combineren met hun andere werkzaamheden’, verklaart Van Fenema. ‘Maar ze blijven adviseren, de contacten zijn nog goed.’

NLBeter, zegt ze, zal zich voornamelijk richten op betere zorg, maar ook op onderwijs, een betere leefomgeving en, algemener, een gezonde samenleving. ‘Ziekte is een verdienmodel geworden, preventie is daardoor niet van belang. Dat moet veranderen, net als al die bureaucratische managementlagen en die dure adviesbureaus die bakken met geld uit de zorg weghalen en waar niemand het effect van ziet. Dat zijn volstrekte misstanden, daar is iedereen het over eens. Alleen gebeurt er niets. Als ik op de intensive care praat met ouders van een kind dat een zelfmoordpoging heeft gedaan omdat ze het op de wachtlijst niet volhield, moet ik dan zeggen: ik kan er iets aan doen? Op een gegeven moment bedacht ik: godverdomme, dan moet ik zelf maar naar Den Haag, anders kan ik mijn eed al arts niet waarmaken. Dat klinkt hoogdravend, maar zo voel ik het wel.’

Geeft u dan uw praktijk als psychiater op? 

‘Nou, ik hoop hem aan te houden, ik vind dit het mooiste vak dat er is.’

Een Kamerlid maakt 60-urige werkweken. 

‘We zien wel. Ik heb natuurlijk altijd veel gecombineerd in mijn leven, dus ik kijk wat er mogelijk is.’

Beeld Jouk Oosterhof

Ziet u zichzelf minister-president worden, of minister van Volksgezondheid? 

‘Nee, zo denk ik niet. Het is misschien een zepig antwoord, maar ik zie de noodzaak van een betere zorg en als ik de enige ben op dit moment die die verantwoordelijkheid als beste kan dragen, dan moet ik het gewoon gaan doen. Het is net als met het depressiegala, daarover schreef ik in een column: waarom is er wel geld voor een kankergala, maar is er geen depressiegala? Weer te veel sambal natuurlijk, mensen zeiden: kankergala, wat een rotwoord. Maar goed, toen dacht ik: dan moet je het ook gaan regelen, en zo is het depressiegala ontstaan.

U hebt dat samen met vriend en collega Bram Bakker geïnitieerd, maar dat ontdekte ik pas na negatieve publiciteit over de subsidie waarbij u in het nieuws kwam. Tot die tijd koppelde ik alleen zíjn naam aan het gala. 

‘Nou, dat is dan de grootste narcist van ons twee. Haha, grapje.’

Ook over uzelf hebt u wel eens gezegd: om impact te hebben moet je over een bepaalde dosis narcisme beschikken. 

‘Ja, ik heb heel erg narcistische trekken, maar ik heb daar wel mee leren omgaan.’

Wat kenmerkt een narcist? 

‘Een opgeblazen ego. Roepen: ik kan alles, maar ondertussen heb je geen stevig zelfbeeld, want je bent juist heel gevoelig voor krenking en afhankelijk van applaus. Ik heb daar in therapie wel aan moeten werken.’

En hoe is het nu met uw zelfbeeld? 

‘Nou, narcisten zijn de ratjes die voorop willen zwemmen, hè? Zo ben ik nog steeds wel, maar dat vind ik ook leuk aan mezelf, want daardoor krijg ik wél dingen voor elkaar.’

Aanvullingen & verbeteringen

Na publicatie van dit interview hebben Jan Rotmans en Wanda de Kanter laten weten in november 2019 de samenwerking met NLBeter te hebben stopgezet. Sindsdien is er geen contact meer geweest. 

CV Esther van Fenema 

25 november 1970 Geboren in Haarlem.

1990 Diploma Christelijk Gymnasium Utrecht.

1998 Masterdiploma Koninklijk Conservatorium Brussel.

1995-2002 Studeert geneeskunde in Leuven en Utrecht.

2008 Voltooiing opleiding tot psychiater aan het LUMC in Leiden.

2008-2018 Staflid afdeling psychiatrie LUMC. Richt de Muziekpoli op, een polikliniek voor musici met psychiatrische klachten.

2013 Start column The Post Online.

2015 Start interviews Café Weltschmerz.

2015 Organisatie jaarlijks Depressiegala met collega Bram Bakker.

2018 Presenteert BN’ers in therapie op RTL 5.

2019 Begint eigen praktijk in Bussum en werkt ad interim bij de crisisdienst van de GGZ in Almere.

2019 Oprichting NL Beter.

Waarom kan ik niet gewoon gelukkig zijn? is onlangs verschenen bij uitg. Prometheus.

Esther van Fenema woont in Bussum met haar man en drie stiefkinderen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden