Predikant Claartje Kruijff over de zin van het leven

Predikant Claartje Kruijff: ‘De zin van het leven heeft ook te maken met hoe je het leven aangaat’

Claartje Kruijff Beeld Jitske Schols

‘Als ik radicaal vanuit liefde zou leven, zou mijn hele leven er anders uitzien.’ Claartje Kruijff, ongelovig opgevoed, is predikant. In de zinloosheid van het bestaan, gelooft zij niet, zegt ze tegen Fokke Obbema.

Van een snelle carrière in de Londense City naar Amsterdamse collegebanken met theologiestudenten - de switch die Claartje Kruijff als late twintiger in de jaren negentig maakte, komt zelden voor. Opmerkelijk was die ook in het licht van het onkerkelijke milieu waarin ze was opgegroeid, want het christelijk geloof vormt bij theologie het uitgangspunt. De reden? Vanaf haar kindertijd had ze geworsteld met wat ze, in navolging van schrijfster Etty Hillesum, ‘de leegte achter de dingen’ noemt. Ze ervoer onvrede over het leven, wanneer dat niet om ‘wezenlijke zaken’ draaide: ‘Ik was niet depressief, maar had wel last van somberte.’

De leegte dreef haar weg uit Londen en ze begon een zoektocht naar een ‘betekenisvol leven’. Inmiddels is ze 46jaar, moeder van drie tienerdochters en predikant in de Amsterdamse Dominicuskerk en bij de Remonstranten in Naarden-Bussum. Over haar zoektocht schreef ze het in 2016 verschenen Leegte achter de dingen. In het voorbije jaar was ze Theoloog des Vaderlands. Tijdens haar predikantenopleiding voelde ze ‘afstand tot medestudenten, die beweerden dat ze Jezus hadden leren kennen’. Zelf zegt ze wel te geloven, ‘maar ik weet natuurlijk ook niet zeker of God bestaat. Hoe zou ik dat kunnen weten?’

Wat is de zin van ons leven?

‘Er is vast een mooie oneliner, maar die moet iemand anders maar zeggen. Ik maak de vraag liever eerst persoonlijk. Waar ik achter ben gekomen is dat ik er als verbindende schakel in een groter verbond van leven wel degelijk toe doe en er mag zijn, ook al ben ik verder niet zo belangrijk. Voor iedereen is de zin van zijn of haar leven anders, omdat we allemaal uniek zijn, maar ik denk wel dat we allemaal als die verbindende, betekenisvolle schakel in een groter geheel functioneren.’

Hoe ziet u dat grotere geheel?

‘Ik denk dat we op zulke complexe manieren verbonden zijn dat we die helemaal niet kunnen begrijpen. Het is groter dan wij. In die verbondenheid zijn we gever én ontvanger. Je kunt die dichter naderen wanneer je door omstandigheden kwetsbaar raakt, zoals jij was met je hartstilstand. Juist dan kun je wederzijdse afhankelijkheid goed ervaren, want zonder een heel vangnet was je er niet meer geweest. Maar die afhankelijkheid is er altijd.

‘In onze tijd ligt de nadruk sterk op autonomie en zelfredzaamheid. Daardoor zijn we het leven ook zo gaan ervaren: je moet het zelf goed doen, zelf alles voor elkaar boksen. Maar dat is volgens mij juist niet de essentie. Aan het besef van die diepere afhankelijkheid zitten ook spirituele en ethische aspecten. De ander is je andere helft, dus heb ik ook te maken met het kind met pijn in het buitenland of met die verwarde man op straat. Het hangt allemaal samen, we leven niet los van elkaar. We zijn verbonden met de ander, met al wat leeft, zo je wilt met God. Op die manier geven we aan ons leven betekenis.’

Hoe belangrijk is God? Verbondenheid kunnen we toch ook zo voelen?

‘Zeker. Maar voor mij heeft die verbondenheid te maken met het mysterie van het leven en daarmee met het verbond van mens en God. Hij komt voor mij in beeld bij die diepere ervaring van kwetsbaarheid.’

God zou degene moeten zijn die verbindt, maar het noemen van zijn naam leidt tot een tweedeling in gelovigen en niet-gelovigen. ‘Het concept-God zorgt voor veel spanning en onbegrip’, schreef u eens.

‘Ja, helaas is dat zo. Gelovigen en ongelovigen zetten God vast in beelden, soms heel kinderlijk. Mensen die zeggen ‘Hij bestaat zeker niet’ zijn vaak even dogmatisch als gelovigen. Die tweedeling is pijnlijk. De vraag is hoe je over wezenlijke zaken kunt spreken zonder mensen al van meet af aan kwijt te raken. Bij begrafenissen buiten de kerk zeg ik vaak: we geven iemand niet over aan een grote leegte, maar aan een groter leven. Dan merk ik dat mensen zich op hun gemak voelen. Begin ik meteen over God, dan werkt dat vaak als een splijtzwam.

‘Wat ik ook wel doe, is vanuit ervaringen spreken: over ons verlangen, onze levenshouding, dus zonder een al te zeer ingevuld godsbegrip te gebruiken. Dat ik daartoe bereid ben, komt doordat ik buitenkerkelijk ben opgevoed en dus met grote openheid kan kijken. Die komt me ook wel op kritiek van vakgenoten te staan, maar dat is dan maar zo. Velen van hen hebben een veel grotere bijbelkennis, waar ik wel jaloers op kan zijn. Ik heb het voordeel dat ik meer ruimte kan toelaten.’

‘Als ik radicaal vanuit liefde zou leven, zou mijn hele leven er anders uitzien’, schreef u eens. Hoe zou dat zijn?

‘Het woord liefde wordt vaak zoetsappig gebruikt, maar eigenlijk is het een spannend begrip. Want echte, diepe liefde is verwarrend. Waarom leef ik in een prettig huis met zijn vijven en heb ik bijvoorbeeld niet al een heel gezin bij ons thuis opgenomen? Waarom loop ik iemand op straat voorbij, in haast, terwijl hij misschien wel hulp nodig heeft? Dan wordt het spannend. Als ik radicaal vanuit liefde zou leven, zou ik wellicht al mijn bezittingen hebben gedeeld. Natuurlijk, zorgen voor de jouwen is heel wat, maar alleen dat vind ik niet genoeg. Daar moeten we oog voor houden.

‘Ik heb het idee dat we momenteel te zeer naar binnen keren in microgemeenschappen. Daarin ervaren we liefde van en voor mensen die op ons lijken. Maar als je echt uit liefde leeft, moet je vast durven stellen dat je even goed die vreemdeling had kunnen zijn. Als je die compassie niet meer hebt, gaat je hart op slot. De filosoof Hannah Arendt had het al in de jaren vijftig over de tribalisering van de samenleving, waarin de ander een bron van angst of concurrentie wordt in plaats van troost of ontmoeting. Als je het hebt over de zin van het leven zit daar wel een kern. De ander is zoals wij, wij zijn de ander.’

Is van betekenis zijn voor anderen de zin van ons leven?

‘Dat heeft er zeker mee te maken, maar ik denk dat we nooit helemaal achter die zin komen. Ik geloof dat er een grotere bedoeling is, maar we zijn denk ik te klein om er echt zicht op te krijgen. Al kunnen we soms een glimp ervan opvangen.’

Kunt u een voorbeeld van zo’n glimp geven?

‘Onlangs was ik bij een vuilnisstortplaats. Ik moest er oude spullen van onze kinderen weggooien, we gingen wat kleiner wonen. Het was een beetje verdrietig, ik peinsde over vergankelijkheid. Naast me stond een oudere meneer spullen weg te gooien, zo’n man met diepe rimpels, hij had waterige ogen. Ik zag in zijn ogen dat hij dapper had moeten zijn. Uit het niets zei hij: ‘Het komt goed hoor, allemaal, in de toekomst.’ Ik vroeg hem: ‘Maar hoe komt het dan goed?’ Waarop hij zei: ‘Dat weten we niet, maar het komt goed’. Toen rolde hij een sigaretje, met tranen in zijn ogen. ‘Ik zei: ik hoop dat het voor u ook goed komt.’ Even later kwam hij nog achter me aan en zei: ‘Maar let op, het komt altijd anders goed dan je verwacht’. Ik ging daardoor lichter naar huis, opgelucht. Ik reed weg met de overtuiging dat het al goed is.

‘Die wijsheid kom ik in mijn leven ook wel eens tegen. Dat je denkt: het is toch goed gekomen, alleen niet zoals ik had bedacht. De zin van het leven heeft ook te maken met hoe je het leven aangaat, met durven vallen en opstaan. De Benedictijnen zeiden het al in de 6de eeuw: ‘We zijn levenslang beginners.’ Durf te vertrouwen dat het goed komt. Als je dat doet, kun je ook meer ontvangen.’

Hoe biedt dat ‘het komt goed’ van de oude man zicht op de grotere betekenis van het leven?

‘Als je gaat ervaren dat het goed komt, kun je ook ervaren dat het al goed is. Het leven is veel verliezen, veel afscheid nemen: van je eigen jeugd, van je kleine kinderen, van je ouders, van relaties, van werk er zijn zo veel momenten van verlies. Maar je kunt tegelijkertijd ook winnen aan leven door op zoek te gaan naar licht en menselijkheid, door open te staan voor de vraag: wat heb ik te leren?

‘Met het ouder worden ervaar je meer je kwetsbaarheid en krijg je meer mildheid, meer compassie met mensen om je heen. Ik denk dat je steeds dichter bij de kern komt. Die kwetsbaarheid spreekt me ook zo aan in de christelijke traditie. Jezus was geen schitterende figuur op een groot podium, geen machthebber. Hij was iemand die omging met hele marginale mensen, iemand die oog had voor hun wonden en zelf ook zijn wonden liet zien. Dat vind ik een diep menselijk verhaal.’

Wat is dan die kern waar we dichterbij komen?

‘Het steeds weer hervinden van die kwetsbaarheid, je eraan overgeven ook en durven omarmen. Beseffen dat dat goed is, dat je die niet hoeft te verbloemen. Het is juist een kracht. Dat is paradoxaal, maar wel waar. Het brengt je bij wie je ook kunt zijn. Als je kwetsbaar bent, moet je leren ontvangen van anderen, je grenzen erkennen. En dat brengt je heel veel.

‘In onze samenleving zijn we erg bezig met antwoorden, met problemen die moeten worden opgelost, met zaken onder controle krijgen. Maar soms gaat het juist om de vragen, zonder duidelijke antwoorden. Ik merk bij anderen soms ongeduld: heb je die duidelijke antwoorden nu nog niet? Nee! Ik ben al 46 jaar, maar ook pas 46. Als ik 80 ben heb ik meer gelaagdheid, meer rimpels, maar ook vast meer te vertellen. Al zullen we het nooit helemaal weten. Maar stel je voor dat we wel zouden weten wat de zin van het leven is? Het niet-weten is ook mooi, dan kun je leren.’

U doet veel begrafenissen. Vaak krijgen we pas dan door verhalen een compleet beeld van iemand. Maakt dat ons leven niet enigszins tragisch?

‘Zoals God een mysterie voor mij is, zo zijn we ook een mysterie voor elkaar. We kunnen elkaar niet helemaal vangen, misschien gaat het daarom in relaties ook zo vaak mis. Tijdens ons leven laten we ons maar beperkt zien. Neem alleen al dat je thuis anders bent dan op je werk. We dekken voor anderen onze wonden toe. We zijn ook te paradoxaal. Ik heb nog nooit iemand begraven die zonder paradoxen was. De gezellige, erudiete Bourgondiër die met enorme depressies worstelde; de huiselijke oermoeder die ook over een volkomen onafhankelijke geest beschikte. Mensen zijn niet eenduidig, het leven is dat niet. Ik vind het mooi wanneer aan het einde door onze samen gekomen verhalen een compleet mens tevoorschijn komt. Dat is ook helend: we ronden een leven met elkaar af en geven het door, we nemen er iets van mee in ons eigen leven. Ook dat zie ik in het licht van onze diepere verbondenheid.’

‘Vorig jaar was ik plotseling even dood’. Volkskrant-redacteur Fokke Obbema kreeg vorig jaar een hartstilstand en overleefde het - zónder hersenschade. Maar de weg terug naar het normale leven was lang. Lees hier het indrukwekkende verhaal van een bijna-doodervaring die leidde tot de zoektocht naar de zin van het leven. Obbema werd naar aanleiding van zijn verhaal overspoeld met reacties. ‘Ik werd er stil van’.

Fokke Obbema verwerkte zijn aanvaring met de dood door die op te schrijven. Tot zijn eigen verbazing werd dat een onderzoekend, journalistiek stuk. Gijs Groenteman praat met hem over zijn ervaring en daaruit voortkomende interviewreeks in onze podcast het Volkskrantgeluid.

Als aftrap van de serie ‘Zin van ons leven’ vertelt Fokke Obbema in deze video over zijn bijna dood-ervaring. Voor alle andere verhalen uit de serie kunt u hier terecht.

Wilt u uw eigen verhaal hierover met de Volkskrant delen: zinvanhetleven@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.