Postcodekanjers

Het is nu bijna een jaar geleden dat de Postcodekanjer op de Koningin Beatrixlaan in Vrouwenpolder viel. Anneke Stoffelen bezocht het Zeeuwse dorp in de winter, lente, zomer en herfst en zag hoe de loterij er het leven veranderde.

De pelgrimskerk. Beeld Peter de Krom

In groepjes kwamen de Vrouwenpoldenaren die avond hun dorp uitgefietst, de mutsen ver over hun oren getrokken. Tegen de donkere hemel bewogen lichtbundels die hen de weg wezen. Ze beloofden dat hier bij de duinen iets spannends stond te gebeuren. Het was zaterdagavond 4 januari 2014. Op zwoele zomeravonden was deze parkeerplaats bij het Zeeuwse Vrouwenpolder de plek waar badgasten in de beschutting van hun auto een natte bikini wisselden voor een droge onderbroek, de zandkorrels van hun lichamen kloppend.

In de winter was het er gewoonlijk uitgestorven. Nu werd de rust verbroken door een helverlichte karavaan, waarin tal van Nederlandstalige hits uit boxen schalden. Boven een podium lichtten rode letters op: '42,9 miljoen. Postcodekanjer.'

Anouk en Frans de Kok, ouders van drie kinderen in de basisschoolleeftijd, stonden in hun dikke winterjassen wat zenuwachtig tussen de mensen. Zouden hun vier loten vanavond genoeg zijn om hun onlangs geplaatste kunststof kozijnen terug te verdienen?

Dorpsbewoners hapten in de broodjes worst die Unox uitdeelde. Presentator Gaston stuiterde over het podium. 'Hoe leuk is het om heel Vrouwenpolder hier vanavond een prijs uit te mogen reiken!'

Heel Vrouwenpolder?

Postcodeloterij

Op Nieuwjaarsdag was bekendgemaakt dat de Postcodekanjer, de grootste prijs die de Postcodeloterij jaarlijks uitdeelt, was gevallen op dit dorpje met 1.100 inwoners. De helft van het bedrag was op 1 januari al uitgedeeld aan de lotenbezitters met postcode 4354 BK, de Koningin Beatrixlaan.

Deze nieuwe miljonairs stonden nu met een glas champagne in de hand op een verhoging neer te kijken op Anouk en Frans de Kok en de honderden andere Vrouwenpoldenaren op de parkeerplaats.

De rest van het prijzengeld, ruim 21 miljoen euro, werd op deze zaterdagavond verdeeld onder iedereen met postcodecijfers 4354. Dat was heel Vrouwenpolder. Of nou ja, heel Vrouwenpolder met een lot.

De spanning werd vanavond opgevoerd. Hoeveel zou een lot opleveren? Danny de Munk zong. De tellers op de videoschermen gingen naar 25 duizend. Wolter Kroes zong. Het bedrag kroop naar ruim 40 duizend.

Frans de Kok stond met een vriend tegen een hek geleund. Hun zoontjes renden om hen heen. De menigte zweeg toen op de schermen de teller voor de laatste keer begon te ratelen en te bliepen.

De nummers rolden steeds trager. Haperend kwamen ze tot stilstand. Frans de Kok sperde zijn ogen open, hij moest nog een keer kijken. Maar het stond er echt: 80.399 euro. Dat was het bedrag per lot. Ze hadden er vier. Meer dan drie ton bruto!

Het plein ontplofte, serpentines en papieren nepcheques vlogen door de lucht. Frans sloot zijn vrouw Anouk in de armen. Hun zoontje raapte een cheque van de grond en danste ermee in het rond.

Maar zijn vriendje stond stil. In de vochtige ogen van het jongetje was teleurstelling te lezen, als van een kind dat als enige geen ijsje kreeg.

Het gezin van Frans en Anouk de Kok. Beeld Peter de Krom

De eenzame man was bij een nichtje in Rotterdam, die nieuwjaarsdag. Werd hij gebeld door een kennis, zo iemand waar je eigenlijk nooit wat van hoort, maar er op dit soort momenten als de kippen bij is. Hij woonde toch ook in Vrouwenpolder, had hij geen loten dan? Hij had inderdaad even met zo'n aanmeldformulier in zijn hand gestaan in december. Zou hij? Maar zo'n lot kostte ook weer 10 of 15 euro. Die kon hij eigenlijk niet missen, hij leefde al jaren van een uitkering. Hij had de reclamefolder weggegooid en er niet meer aan gedacht. Tot dat telefoontje.

Pelgrimskerk

Die zondagochtend na de prijsuitreiking voelde pastor Bert Fluit een last op zijn schouders drukken. Hij wist dat hij het onderwerp in zijn protestantse Pelgrimskerk niet onbesproken kon laten. Om even voor tien uur opende hij de kerkdeur van binnenuit. De frisse januarilucht werd het eenvoudige kerkje inblazen. Fluit, klein van postuur, een zestiger met een vriendelijke blik achter zijn montuurloze bril, liep de kerk weer in en ging zitten op zijn vaste plaats aan de zijkant van het podium. Met het liedboek in zijn handen keek hij toe hoe de gemeenteleden even later hun plek zochten in de olijfgroene bankjes. Terwijl de welkomstmuziek klonk, gleed zijn blik over hun gezichten: hij niet, zij wel, zij niet.

Fluit had er ook gestaan, de vorige avond op de parkeerplaats. Het had een vrolijk feest geleken. Maar hij zag ook de verborgen teleurstelling op de gezichten van mensen zonder loten. Er zou maar iemand bij zijn die heimelijk toch al suïcidaal was.

Het was op deze 5de januari, een dag voor de viering van Driekoningen, nu aan hem om de boel bij mekaar te houden. Vanochtend had hij zitten broeden op een manier om het verhaal van de drie Wijzen uit het Oosten te koppelen aan het verhaal van de Postcodeloterij. Hij moest uitkijken met voorbeelden, wist hij al na een half jaar in Vrouwenpolder. In een gemeenschap van slechts 1.100 zielen was snel duidelijk over wie je het had als je een anekdote vertelde.

Hij beklom de kansel. Op zijn aantekeningenblaadje stonden slechts steekwoorden, hij was geen type om preken woordelijk uit te schrijven. 'Stond het in de sterren geschreven?', begon hij retorisch. 'De drie Wijzen uit het Oosten hadden een ster gezien en lieten zich hierdoor naar Bethlehem leiden. Maar stond het ook in de sterren geschreven dat Vrouwenpolder dit jaar zo'n grote prijs zou krijgen?'

Hij hield een pauze, keek goed naar de reacties van zijn gehoor, naar hun lichaamstaal. Aan de rechterkant zag hij iets gebeuren. De man die daar zat, op zijn vaste plekje, kneep zijn lippen samen. Zijn hoofd zakte naar beneden. Terwijl Fluit doorpraatte, over zichzelf als verliezer, over de waarschuwing dat dit niet mocht leiden tot tweespalt in het dorp, leek de man steeds meer in zichzelf te keren. De pastor wist dat deze vader van een jong gezin financiële problemen had.

'Waar zoeken wij het geluk', vroeg Fluit. 'In de materialiteit van een geldprijs?' De Wijzen uit het Oosten lieten zich door de sterren leiden naar een ander soort geluk. Het ware geluk, besloot Fluit: dat tere kindje Jezus in die kribbe.

Voedselbank

De eenzame man had het moeilijk, elke keer als de klep van de brievenbus rammelde en er met een plof weer een glimmend boekwerk op de mat landde. Dure kleding. Auto's. De gekste reizen. Hoe hij ook zijn best deed er niet te veel over na te denken, er was geen ontkomen aan. Sinds de prijs was gevallen, kwam de luxereclame in absurde hoeveelheden binnen. Telkens weer die steek van het besef dat de anderen hadden gewonnen, en hij niet. Het was niet dat hij het de mensen niet gunde. Hij hoopte dat ze zouden genieten van hun geld. Maar hoe wrang was het om te worden omringd door prijswinnaars.

Elke week reed hij naar de Voedselbank in Middelburg. Zelfs daar, in de rij voor zijn pakket met bonen in blik en soep, hadden mensen hem aangeklampt: 'Jij woont toch in Vrouwenpolder, had je geen lot?'

Had hij met iemand samengeleefd, dan was het misschien makkelijker te verdragen geweest. Maar hij zat alleen in zijn huisje. Stapels folders van supermarkten op zijn glazen salontafel, waarin hij bijna obsessief prijzen vergeleek. Steeds was hij aan het rekenen: als hij daar fruit kocht, had hij nog zo veel voor het avondeten. Al dat optellen en aftrekken, daar kon je een dagtaak aan hebben.

De Vroondijk in Vrouwenpolder. Beeld Peter de Krom

Twee ton

Brandend van opwinding logde Anouk de Kok in bij haar bank, die laatste maandag van januari. Zojuist had haar broer gebeld. Bij hem was het geld al gestort. Maar nu zag ze dat zij en haar man nog rood stonden. Haar broer was bij een andere bank, misschien lag het daar aan.

Die hele maand was er in het dorp gespeculeerd over de nettobedragen die de winnaars zouden overhouden. Het bedrag van 80.399 euro per lot was bruto. Daar moest belasting af en dan was er nog iets met Kanjerpunten die het eindbedrag zouden bepalen.

Een uur later probeerde ze het nog eens. Het was er! Snel maakte ze met haar telefoon een fotootje van het computerscherm. Hoe vaak zouden ze nog meemaken dat er twee ton op hun rekening zou staan? Ze belde haar man, die nog aan het werk was: Frans, het geld is gestort. Nu was het echt.

Maar de blijdschap die ze voelden bij dit moment, had een kartelrandje dat ze allebei niet hadden voorzien. Ze werden nerveus. Al die euro's op hun bankrekening waren nu hún verantwoordelijkheid. Ze hadden geen idee wat het beste was, voor henzelf, hun drie kinderen. Moesten ze gaan aflossen op hun rijtjeshuis? Of zouden ze aflossen in de vishandel die ze hadden overgenomen van Frans' ouders? Op welke bank kon je zulke bedragen het beste kwijt? Als ze maar niets verkeerd deden, want dan kon het geld zomaar verdwenen zijn en dan was het hun eigen schuld.

Frans en Anouk de Kok sliepen er de hele maand februari slecht van. Ze spraken er met niemand over, alleen met elkaar. Met zo'n bedrag op hun rekening was het niet legitiem om te zeuren, dat snapten ze ook wel. Maar dat nam hun zorgen niet weg.

Zonnepanelen

De lente bracht dit jaar niet alleen de toeristen naar Vrouwenpolder, maar ook de busjes met werklieden. Overal doken ze ineens op, de hoveniers, de dakdekkers, de badkamerspecialisten. En installateurs van zonnepanelen. Heel veel zonnepanelen. Het was goed denkbaar dat Vrouwenpolder na dit jaar de boeken in zou gaan als het dorp met de hoogste zonnepaneeldichtheid van het land.

Terwijl tuintjes werden opgefleurd, strandtenthouders hun eerste porties kibbeling van het seizoen serveerden en campinggasten hun stacaravans betrokken, zat Alex Maas in het Provinciehuis achter zijn computer te ploeteren, de mouwen van zijn ruitjesoverhemd opgestroopt. In de voormalige abdij van Middelburg, waar norbertijnen zich in vroeger eeuwen over bijbelteksten bogen, was het voor de blonde financieel beleidsmedewerker dit jaar wederom stressen om de jaarrekening van de Provincie Zeeland tijdig af te ronden.

Hij had nooit een hekel gehad aan zijn werk, aan de drukte rond de jaarlijkse deadline. Maar deze lente bekroop hem toch steeds nadrukkelijker de vraag voor wie hij het allemaal deed. Laatst was hij op een zonnige dag op zijn nieuwe mountainbike van Vrouwenpolder naar zijn moeder in Domburg gefietst. Waarom reed hij niet vaker door deze bossen, vroeg hij zich dan af. Waarom ging hij niet vaker op pad met zijn dochtertje van 10? Het leven was te leuk om op kantoor te zitten.

Maas was een gescheiden man van 42. Hij zou het allemaal ook nog eens helemaal anders kunnen doen, fantaseerde hij. Opnieuw beginnen als zelfstandig consultant. Misschien zelfs Zeeland verlaten.

Natuurlijk wist hij dat andere mensen ook met dat soort gedachten speelden. Maar voor hem was het sinds afgelopen winter ineens een reële mogelijkheid. Hij woonde in de Koningin Beatrixlaan en had een lot. Hij had tot nog toe die mountainbike gekocht, en een auto, een tweedehands Audi A6. Maar op zijn rekening was begin dit jaar ongeveer de acht ton bijgeschreven. Het was het soort bedrag waarmee je je leven op zijn kop kon zetten, als je dat wilde.

Er waren geen dure sportauto's het dorp in komen tijden en ook geen grote campers... Beeld Peter de Krom
...wel doken overal installateurs van zonnepanelen op. Beeld Peter de Krom

Bankstel

De eenzame man was jaren geleden voor de rust en de ruimte naar Vrouwenpolder gekomen. Het dorp van de zomers van zijn jeugd. Hij maakte graag lange wandelingen. Over de Vroondijk langs de polders vol fruitbomen, en dan het helmgras van de duinen door. Daarachter gloorde het eindeloos brede strand en als je verder keek, zag je niets dan water.

Maar die prachtige natuur bracht hem niet langer tot rust.

Deze zomer las hij een stuk in de plaatselijke krant over de loterij. Daarin zei iemand dat er geen jaloezie was, omdat mensen in Vrouwenpolder met elkaar deelden. Als de een van het loterijgeld een nieuw bankstel kocht, werd de oude bank weggegeven aan de ander.

Wat was het toch een dorp van schone schijn. Ze moesten eens weten hoe hij erbij zat hier. Op zijn ingezakte tweezitter, met een plaid om de kapotte bekleding te verhullen.

Straatbarbecue

De vettige geur van verschroeide hamburgers verspreidde zich door de Koningin Beatrixlaan. Een buurjongen van 13 had zijn dj-set met verlengkabels op straat gezet en draaide feestmuziek. Het volume van de gesprekken nam recht evenredig toe met de hoeveelheid lege bierflesjes op de witte statafels.

De jaarlijkse straatbarbecue in de Koningin Beatrixlaan wakkerde dat typische dorpse saamhorigheidsgevoel aan bij Maas. Buren kletsten met elkaar over de voorbije zomervakantie. Het ging dit jaar soms ook over het prijzengeld en de plannen van de winnaars. Maar er waren net zo goed straatgenoten zonder loten, dus je kon het daar niet de hele tijd over hebben.

De warmte van die dag werd verdreven door een korte bui. Ze schuilden met zijn allen in de grote partytent. En daar was plots die man uit een andere straat verschenen. Of het wat zachter kon, allemaal. De bewoners van de Koningin Beatrixlaan hadden elkaar verbouwereerd aangekeken. Het was pas tien uur, op zaterdagavond. Ze hadden één keer per jaar een feestje samen. Mocht het misschien?

Op dat soort momenten had Maas het idee dat bij sommige dorpsgenoten misschien toch wat jaloezie sluimerde.

Viskraam

Anouk de Kok schepte de Hollandse garnalen in bakjes, woog de schol netjes af, vulde de broodjes met makreel. Het werk ging non-stop door 's zomers, als ze naast de vijf gewone weekmarkten ook zeven seizoensmarkten afreden met hun viskraam.

Een klant had na het winnen van de prijs gezegd: nu is de vis zeker gratis hier? Dat vond ze een stomme opmerking. Ze werkten nog steeds hard voor hun geld.

Het was nooit een bewuste keuze geweest van Anouk de Kok om tussen de haring te eindigen, maar ze was veertien jaar geleden nu eenmaal verliefd geworden op een man die met een net in zijn handen geboren leek. Dat ze de vishandel van zijn ouders zouden overnemen, was vanaf het begin duidelijk geweest.

Zelf was De Kok geen volbloed ondernemer. Daarvoor was ze iets te zorgelijk. Als het op een grote toeristenmarkt een dag lang had geregend, lag ze 's avonds in bed te piekeren. Zouden ze wel weer uitkomen, aan het eind van het jaar?

Deze zomer leek het voor de buitenwereld misschien een zomer als alle anderen. Ook dit jaar kon je Frans de Kok dagelijks rond vijf uur 's ochtends naar de visafslag zien vertrekken, ook dit seizoen waren hij en zijn vrouw zeven dagen per week tot 's avonds laat in touw.

Maar in het hoofd van Anouk de Kok was er een rust neergedaald die niet kon worden verstoord door een dagje regen. Ze hadden dankzij de loterij de schulden op hun huis en hun zaak deels afgelost. Hun werkdagen waren nog hetzelfde, maar de vraag of ze het financieel zouden redden, hield hen niet meer uit hun slaap.

Stad

De eenzame man hield van vroeg opstaan, 's morgens voelde hij zich het best. Maar die grote gapende leegte van weer een nieuwe dag zonder iets om handen, overviel hem in de loop van de ochtend toch telkens weer.

Als het hem te veel werd, vluchtte hij naar de stad. Daar had je reuring, daar liepen mensen. En ook al passeerden ze hem alleen maar in die vrolijk versierde winkelstraten, hij warmde zich toch kort aan hun aanwezigheid en aan hun stemmen. Even niet die oorverdovende stilte van Vrouwenpolder op een mistige herfstdag, wanneer de bomen op het land stamloos in het witte niets leken te verdwijnen.

Zijn grootste angst was dat zijn auto uit 1992 het zou begeven. Dan kon hij niet meer naar de stad wanneer het isolement hem naar de keel greep. Dan zou hij zijn vrijwilligerswerk moeten opgeven. Zonder auto zou hij vastzitten in de stilte van Vrouwenpolder.

Bedevaartsoord

In 1314 werd op de eerste ingepolderde schorren en kapelletje gesticht dat in de Middeleeuwen uitgroeide tot een bedevaartsoord. Er was hier een klein Mariaportret opgedoken dat goddelijke krachten werd toegedicht. Onze Lieve Vrouwe van den Polder was een zo magnifiek geschilderd stuk, dat men geloofde dat de verf door engelenhanden moest zijn aangebracht. Door de eeuwen heen reisden zeelui van heinde en verre af naar Vrouwenpolder om haar bescherming te vragen. De hedendaagse Zeeuwse folkzanger Broeder Dieleman zingt erover: Maant de sturm tot stilte/ Houdt de golven in bedwang/ Zorgt dat wie in vrede leven/ En de kinders nooit meer bang.

Op de werkkamer van pastor Fluit hing van het magische stuk een ingelijste kopie in potlood. Hij had het gevonden tussen de rommel van zijn voorganger in de pastoriewoning. Wanneer hij opkeek als hij achter zijn bureau zat te werken of te peinzen, keek hij in haar kalme gezicht. Dat had hij ook gedaan toen in januari de storm in Vrouwenpolder was opgestoken en hij naar passende woorden had gezocht. Nu was het bijna een jaar later en stelde Fluit in zijn werkkamer opgelucht vast dat hij geen scheuring had waargenomen in het dorp.

Als relatieve buitenstaander meende hij dat het toch iets te maken moest hebben met de volksaard van die Vrouwenpoldenaren, nakomelingen van een dorp dat nooit veel welvaart had gekend. Hier was je voor altijd die eenvoudige Zeeuw.

Als het wagentje van het leven redelijk rolde, waren er maar weinigen die ervan genoten het roer om te gooien. Zo zat de mens niet in elkaar, dacht Fluit. Er waren geen dure sportauto's het dorp in komen rijden en ook geen grote campers. De nieuw verworven rijkdom was grotendeels achter de voordeur verborgen gebleven.

Dat gold ook voor het verdriet.

Fluit dacht terug aan hoe hij begin dit jaar op zijn fiets was gestapt en onaangekondigd was langsgegaan bij die man, die in de kerkbankjes zo klein was geworden. Het gezin had financiële problemen. Juist daarom had de man zijn loten opgezegd. Hij kon zichzelf wel voor zijn kop slaan, hij was er letterlijk ziek van. Met zo'n bedrag had hij zijn gezin in één klap uit de zorgen kunnen bevrijden.

Fluit had de man gezegd dat er veel in zijn leven was waar hij dankbaar voor mocht zijn. Zijn gezondheid. Werk, zijn vrouw, kinderen. Laten we het probleem eens bij God neerleggen, had de pastor voorgesteld. Dat deden ze. Ze hadden naast elkaar gezeten in gebed.

Fluit had het idee dat de man daarna weer meer ruimte had gevoeld.

De pelgrimskerk Beeld Peter de Krom

Tweedehandsauto

Zagen de loterijwinnaars het dan niet? Zagen ze niet dat de gaten in zijn broek vielen? Dat de roest zijn auto van onderuit wegvrat? Natuurlijk, hij wist niet zeker wat hij zou hebben gedaan in hun plaats. Als hij zelf een gezin had gehad, een koophuis, en een baan, en op een dag een miljoen in zijn schoot geworpen kreeg. Maar de eenzame man kon zich niet voorstellen dat je dan helemaal geen oog zou hebben voor de mensen die het minder hadden.

Zijn monteur had hem onlangs verteld dat zijn auto niet door de keuring kwam. Dus kon hij niet anders. Hij was met de twee schilderijen naar de taxateur gegaan. Het ene toonde een kar met paarden, het andere een expressief landschap. De specialist had geschat dat ze op de veiling samen 1.800 euro konden opleveren. Hij hoopte het. Dan kon hij eind december een andere tweedehandsauto aanschaffen.

De schilderijen hadden nooit aan zijn muur gehangen. Daar vond hij zijn huurhuisje te klein en te rommelig voor. Maar hij was er aan gehecht. Het waren verdorie erfstukken van zijn bloedeigen moeder, die hij nu onder de hamer bracht.

Verhuisd

Alex Maas stak de schop in de aarde en begon te graven. In het gras lag konijn Nellie. Van haar zwart-witte vacht resteerden slechts plukken. Overal was bloed. Haar binnenste deed Maas nog het meest denken aan een bord afgekloven spareribs.

Het had iets symbolisch vond hij, dat hij op deze bewolkte herfstochtend een graf stond te scheppen in de achtertuin van het huis waarvan hij onlangs afscheid had genomen. Het huis in de Koningin Beatrixlaan, waarin hij was gaan samenwonen, waarin hij was gescheiden.

Maas was een paar weken eerder verhuisd naar Domburg. Zijn nieuwe woning was eigenlijk te groot voor hem alleen. Je kon er een fors gezin in kwijt. Alleen al op de zolderverdieping was ruimte voor twee royale kinderkamers. Aan de zijkant van het pand bevond zich een vakantieappartement, dat hij verhuurde hij aan Duitse toeristen. Je moest leven van de vruchten, niet van de boom.

Hij was tevreden met zijn nieuwe plek. Maar toch. Als hij terugdacht aan zijn oude straat, miste hij Vrouwenpolder. De buurman waar hij zijn kapotte mountainbike voor de deur kon achterlaten, en die dan een dag later gerepareerd terugkwam. Zijn buurvrouw die voortdurend bezig was met biologische voeding en het vermijden van E-nummers. Met hen had hij altijd interessante gesprekken gevoerd. In de Domburgse straat was het killer. Het leek wel alsof iedereen er veel drukker was met zijn eigen leven dan de mensen in de Koningin Beatrixlaan.

Hij laadde de overblijfselen van het konijn op zijn schop. Haar kopje gaf niet mee, voelde hij, het lijfje was al verstijfd. Hij liet Nellie in het gat vallen. Zijn ex-vrouw keek toe hoe hij de aarde terugschepte.

Even later stuurde Maas zijn zwarte Audi via de rotonde de Vrouwenpolderseweg op, het dorp en de zee achter zich latend. Langs de akkers reed hij richting het Provinciehuis. Het was maandagochtend, een nieuwe werkweek begon.

In het verhaal van de eenzame man zonder loten zijn op diens verzoek enkele details aangepast om herkenning te voorkomen.

Alex Maas met zijn dochter in zijn nieuwe huis. Beeld Peter de Krom
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden