interview

Petra Possel verhuisde naar het platteland om te ontsnappen: ‘Er is hier gewoon helemaal niks’

Presentator Petra Possel. Beeld Eva Roefs
Presentator Petra Possel.Beeld Eva Roefs

Presentator Petra Possel werkte zich een slag in de rondte en maakte van alles een project. Tot haar man overleed en de stad ineens een leeg gevoel gaf. Nu maakt ze drukte op het Friese platteland.

Het is een woensdagochtend in juni, strakblauwe lucht, een uitbundig groene tuin. Petra Possel wijst naar haar vogelhuisje: ‘In het voorjaar krijgen we hier enorme zwermen dansmuggen. Zodra je de Afsluitdijk over bent, plakken er al vijfduizend tegen je voorruit. En daar, op dat nest, broedt de grauwe vliegenvanger – een vogel die die muggen vangt. Ik heb me hier in het dorp door de Zwaluwman laten vertellen dat dat een heel bijzonder vogeltje is, en nu vind ik het dus leuk dat die per ongeluk in mijn tuin is geland, en niet in die van hem. Heel kinderachtig wel, maar goed: ik maak me zorgen, omdat die vogel nu al twee dagen niet is gesignaleerd, terwijl er wel eieren liggen. De Zwaluwman heb ik hierover nog niet geconsulteerd. Hoe dan ook: zo gebeurt er hier dus van álles.’

Even daarvoor was het gegaan over Jeroen Pauw, met wie ze bevriend is sinds 1987, het moment dat zij als redacteur werd aangenomen bij Ophef en Vertier, het VARA-radioprogramma dat hij destijds presenteerde. Over de trek die Possel maakte van de drukke Amsterdamse binnenstad naar het Friese platteland had hij gezegd: ‘Verschrikkelijk. Dat dorp heeft niets om leuk gevonden te worden. Je moet het echt helemaal uit jezelf halen.’

Possel, vanachter het fornuis op hoge hakken, in een donkerblauwe jumpsuit en met rode lippen en nagels: ‘Jeroen vindt het hier te burgerlijk, ja. Hij begrijpt er helemaal niets van. Toen Pieter en ik trouwden, keek-ie naar het weiland en verzuchtte: ‘Gelukkig ga ik morgen weer naar huis.’ Eigenlijk ben ik zelf ook heel stads. Amsterdam heeft een magnetische uitwerking op me, maar ik word er ook knettergek. Schrijven vind ik veel moeilijker als ik daar ben, vanwege alle afleiding.’ Monter: ‘Nou, daar heb je hier in elk geval geen last van.’

Pauw zei dat het wel leuk was aan jullie vriendschap, dat jullie nooit iets hebben gehad.

Grappend: ‘Jeroen heeft twee goede vriendinnen met wie-ie niet samen is geweest. Zijn andere vriendinnen zijn allemaal exen.’

Hij maakte er ook een grap over: ‘Er glipt er weleens eentje door de mazen van het net.’ ‘Die vrouw en ik stellen ons in zijn bijzijn steeds weer expres aan elkaar voor: ‘Oh, jij bent degene die óók nooit...’’

Even later, zwaaiend met een pollepel: ‘Eerst had ik al een schrijfhuisje in Broek in Waterland. Dat dorp zag er heel romantisch uit, maar was eigenlijk toch een beetje nep-platteland: er wonen vooral miljonairs.’

Het is dan ook pas na haar vertrek uit Amsterdam, en na de plotselinge dood van haar tweede echtgenoot Jan, dat er vier verhalenbundels van Petra Possel verschijnen. De laatste twee gaan over haar nieuwe leven in het Friese Gaast, een gehucht met 180 inwoners pal aan het IJsselmeer waar tot de komst van Possel in 2013 ‘de Zwaluwman’ de bekendste inwoner was: Theunis Piersma, de met een Spinozaprijs gelauwerde hoogleraar trekvogelecologie.

Ook andere dorpsgenoten figureren sindsdien regelmatig in haar verhalen: de Sokkenvrouw, de Broodbusman en de Weduwvrouw aan de dijk. Ze gaan over rust en vrijheid, maar ook over landschapspijn, biodiversiteit, eenzaamheid, de afnemende reputatie van boeren, tanende sociale cohesie, hoe Frieslands trots, Doutzen Kroes, een ‘viruswappie’ werd, én over Possels pogingen tot integreren, terwijl ‘Hollanders’ nog altijd met argusogen worden bekeken (‘Hollanders zijn een gevoelige kwestie. Hollanders zijn betweters. Hollanders zwaaien met een dikke portemonnee, kopen dorpen op, gaan vervolgens zeuren over de geur van mest en het zware vrachtverkeer, doen nooit mee aan dorpsfeesten, spreken geen woord Fries en vertrekken wanneer het hun uitkomt’).

De stad uit wordt momenteel door scenarioschrijver Frank Houtappels (Gooische Vrouwen, Familie Kruys) bewerkt tot bioscoopfilm; Lies Visschedijk speelt Possel. Vervolg Alles gaat over – Leven op het platteland verschijnt vandaag bij uitgeverij Podium.

Alles gaat over schreef je deels in coronatijd. Terwijl heel Nederland in paniek raakte, noteer jij: ‘Er is hier geen horeca om te sluiten, geen winkelkarretje om te ontsmetten, geen mensenmenigte om uit elkaar te houden, we houden altijd afstand en zoenden toch al niet met elkaar.’

‘Zeker de eerste golf is hier redelijk onopgemerkt voorbijgegaan. Het contrast met Amsterdam, waar ik voor mijn werk nog wekelijks kom, was heel groot. Pas van een afstandje zag ik hoe we onszelf hebben dolgedraaid met onze neoliberale droom, die vooralsnog dominanter is gebleken dan het verlangen naar solidariteit. Ik zie nu de idioterie van het leven op een mierenhoop. Dat je op een bepaald tijdstip naar je kantoor moet rijden terwijl je wéét dat je dan vol in de file komt, maar dat tóch doet.

‘Ik begrijp het wel, maar ik weiger het te accepteren. Ik woonde op een flatje in De Pijp met een klein balkon en vond het eigenlijk best sneu dat ik al dertig jaar keihard aan het werk was met als resultaat dat ik in dat hele kleine woninkje zat, met een hoge hypotheek die ik nog de rest van mijn leven moest gaan afbetalen ook. Ik doe iets zó verkeerd, dacht ik toen.’

In Gaast betaalde je de vraagprijs voor het ‘authentieke klushuis’ waar je nu in woont. Daar begrepen de Friezen niets van.

‘Terwijl ik voor dat geld in Amsterdam net een berging had kunnen kopen. Maar toen ik dit huis zes jaar geleden vond, kwamen er hier hooguit twee mensen per jaar naar te koop staande woningen kijken. Overbieden is een fenomeen dat Friesland toen nauwelijks kende; door corona en daarmee de herwaardering van het platteland is de huizenmarkt inmiddels ook hier oververhit aan het raken. Maar goed, mijn lasten zijn straks teruggebracht tot bijna niks. Dus dan heb ik bijna de vrijheid bereikt. Dat is voor mij ook een motief: dat ik gewoon alleen maar voor de lol werk. Lijkt je dat geen aantrekkelijk idee?’

Al dertig jaar is ze presentator en interviewer, vooral op de radio: eerst samen met Matthijs van Nieuwkerk in het AVRO-programma Opium, tussen 2001 en 2019 bij het op cultuur- en media gerichte dagelijkse interviewprogramma Kunststof (NTR), afwisselend met Jellie Brouwer. En al elf jaar elke vrijdagavond als presentator van Mangiare!, de culinaire show van Radio 1 – Possel schrijft ook wekelijks restaurantrecensies voor NRC Handelsblad.

In Gaast wordt intussen de tafel gedekt. Lichtgroen kleedje, brocante borden in dezelfde kleur, zilveren bestek. Bij het serveren van de lunch, op plechtige toon: ‘Nou, we hebben hier dus te maken met een lentefrisse doperwtensoep, met feta en munt. Daarbij eet u een knapperig vers desembroodje met huisgerookte boter en Friese schapenkaas.’

Als ze zit: ‘Ik droom weleens van een bikinifiguur. Gisteren zeiden ze bij RTL Boulevard dat heel hoog opgesneden badpakken momenteel de trend zijn. Jammer, dacht ik, wordt het dus wéér niet mijn zomer.’

In één van je boeken schrijf je dat je na de dood van Jan hoopte op een ‘rouwdieet’.

‘Dat zag ik om me heen, dat mensen mager werden van verdriet. Ik had dat samengeknepen gevoel in mijn maag ook wel, maar heb er gewoon dwars doorheen gegeten. Zodra ik wakker word, denk ik nou eenmaal aan eten. En ik heb mezelf toen ook niet verwaarloosd. Een week na Jans dood ben ik ook weer als een gek gaan werken. Als afleiding, maar ook uit misplaatst stoer gedrag. Heel monter gaan lopen doen als mensen je met een gezicht vol medelijden aankijken: dat is echt iets voor mij.’

Waarom doe je dat?

‘Ik ben bang om zielig over te komen. Dat zou ik heel vervelend vinden.’

Je was pas 49 toen je je grote liefde verloor. Dat ís toch ook gewoon zielig?

‘Toch wilde ik niet zo de boeken ingaan. Rouw is wat mij betreft een heel particuliere ervaring, ik loop niet met die vorm van kwetsbaarheid te koop. Dat je zoiets zou moeten delen vind ik een misverstand. Als je je totaal klote voelt, bel je juist níét iemand op. Althans, ik niet. Ik kon er wel een boek over schrijven, maar erover praten vind ik lastiger.’

Heb je dingen over rouw geleerd die je niet wist?

‘Echt heel veel. In mijn interviews had ik regelmatig gesproken met mensen die een groot verlies hadden geleden. Maar ik wist daar maar heel oppervlakkig iets van. Mijn grootste angst was eigenlijk vooral dat ik mezelf niet zou kunnen redden, als zoiets me zou overkomen.’

Waarom?

‘Omdat ik tot het type vrouw behoor dat heel erg haar territorium verdedigt, die bezig is altijd rechtop te staan, ertoe te doen en niemand nodig te hebben. Of in elk geval; die de dingen altijd zélf wil doen. Met Jan was ik getrouwd, maar we woonden niet samen. Nu met Pieter ook niet. We leven in een tijd dat vrouwen economisch, cultureel en sociaal niet meer gebonden hoeven te zijn, dus dat ben ik dan ook de hele tijd tot op het irritante toe aan het uitdragen. Daar hoort ook bij dat je je goed moet kunnen redden als je met zoiets ergs als rouw wordt geconfronteerd. Althans, dat had ik mezelf opgelegd.’

En wat als je dat niet had gekund?

‘Dan zou ik mezelf teleurstellen, denk ik. Er is niemand geweest die mij heeft opgebeld en gezegd: ‘Hé, wel een sterke meid zijn, hè!’ Maar dat zei ik wel tegen mezelf. Ik heb een heel pakket aan eisen: nooit afhankelijk zijn, carrière maken, en intussen ook nog een goede doperwtensoep op tafel zetten.’

Maar wat leerde de rouw je dan?

‘Dat je het niet kunt sturen. Ik maak van alle grote dingen in mijn leven meteen een project. Voor mij is dat een handzame manier om het leven vorm te geven. De verhuizing, de dood van Jan: een boek. Toen het boek af was: een uitbundige presentatie met de mooiste muziek, het lekkerste eten. Maar ja, daarmee bleek het project dus helemaal niet afgesloten.’

Possel Beeld Eva Roefs
PosselBeeld Eva Roefs

Het project rouw?

‘Ja. Ik dacht dat ik met het maken van dat boek over mijn eerste jaar na de dood van Jan de hond zou temmen. Zoals ik rouw ergens beschrijf; als een onbetrouwbare hond die naar je enkels hapt zodra je net even rustig zit. De grip die ik overal op wil hebben, krijg je gewoon niet. Waardoor ik nu makkelijker accepteer dat er in het leven dingen gebeuren waar je geen controle over hebt. Dat kan ook zoiets als een coronacrisis zijn.’

Drie jaar na de dood van Jan verhuisde je naar Friesland.

‘Het een heeft onmiskenbaar met het ander te maken. Na zijn overlijden ontstond bij mij de behoefte aan een ander leven. Ik was voortdurend op zoek gegaan naar zoveel mogelijk prikkels. Maar op een gegeven moment gaf me dat juist een heel leeg gevoel. Amsterdam was als McDonald’s voor me geworden. Ondanks alle afspraken, drukte en vertier ging ik me er steeds eenzamer voelen. De stad gaf me de suggestie van samen, maar in wezen was ik alleen. En ik wilde in een lagere versnelling gaan leven. Eenmaal hier heb ik nachtenlang onder de houten balken gelegen wanneer het weer eens heel hard waaide, alles kraakte en het nogal naargeestig werd, maar er dus geen mogelijkheid meer was om te ontsnappen. Geen kroeg of vrienden in de buurt waar je naartoe kunt vluchten – dat heb ik kennelijk nodig gehad. Ik noem het hier half spottend mijn sanatorium, maar zo was het wel. Het dorp heeft me mezelf teruggegeven. Langzaamaan herstelde ik.’

In De stad uit schrijf je: ‘In het dorpshuis is een kast waar je boeken uit mag lenen, als je ze maar weer terugzet, en eens per jaar is er een muziekbingo. De toneelvereniging is bij gebrek aan acteurs opgeheven, het dorpskoor hield op met zingen en de dichtstbijzijnde fanfare blaast en toetert vijf kilometer verderop.’

‘Er is hier gewoon helemaal niks.’ Schaterlach: ‘Maar daar kan ik het dan toch nog heel druk mee hebben, met dat niks!’

Toch heb je je hier niet helemaal teruggetrokken, maar ben je juist van alles in het dorp gaan organiseren. Ook hier wil je op een bepaalde manier de vrouw zijn die ertoe doet.

Geamuseerd: ‘Ik kan het niet laten, hè.’

Zodra de eerste sneeuw valt breng jij heel Gaast een bakje snert en in een poging het culinaire niveau wat op te krikken serveer je tijdens de maandelijkse dorpsavond Stuif es In huzarensalade naar receptuur van het hippe Amsterdamse restaurant Rijsel.

‘Conclusie: het is trekken aan een dood paard.’

‘In elk geval wat betreft het eten: in het dorp wordt tussen de middag warm gegeten, altijd ‘avg’tjes’, aangezien Friesland bepaald geen last heeft van vleesschaamte: landelijk scoren de Friezen het slechtst waar het gaat om minder vlees eten. Zelf schrijf je: ‘Ik ben een rascarnivoor. Noem een vleessoort en ik begin te kwijlen, praatjes over dode dieren schrikken mij in het geheel niet af.’

‘Ho ho, ik vertel er ook bij dat ik pogingen doe om mijn leven te beteren, hè. Klimaat is wat mij betreft momenteel het belangrijkste onderwerp, dus dan kun je niet eindeloos beesten blijven opeten. Ik ben in transitie naar een beter mens, zullen we maar zeggen. Alleen lukt dat niet altijd.’

‘Petra heeft geldingsdrang’, zei Jeroen Pauw. ‘Ze vindt het leuk om op het podium te staan, en daar best wel veel van zichzelf te laten zien. Dat is wat ze de hele tijd doet op alle mogelijke manieren: met boekjes, columns, radioprogramma’s.’

‘Podiumpjes ja, dat is zo. Maar ook omdat ik het allemaal léúk vind. En omdat er hard gewerkt moet worden; zo ben ik opgevoed.’

En ook omdat je de waardering nodig hebt?

‘Dat zal het allemaal zijn. Ik ben altijd zo geweest. Vroeger thuis in Vriezenveen al, in die tamelijk saaie nieuwbouwwijk van de jaren zeventig, organiseerde ik rolschaatswedstrijden. Met voor de winnaar gouden stuivers zoals ik die bij Ria Bremer had gezien in Stuif es In en ererondjes met bloemen die ik dan had geplukt. Werd altijd een enorme toestand. En eigenlijk doe ik het nog steeds zo – ook weer in dit kalme dorp.’

Waar je ook naartoe gaat, je neemt altijd jezelf mee.

‘Dat zegt mijn moeder ook altijd, ja.’

Petra Possel Beeld Eva Roefs
Petra PosselBeeld Eva Roefs

Oh.

‘Maar ik weet niet of mijn droom was dat ik helemáál zou veranderen. Ik ben natuurlijk ook heel aanstellerig middenin het dorp gaan wonen. Er zijn mensen die van nature een wat bescheidener positie innemen, maar ik ben daar niet een van.’

Heb je dat karakter van huis uit?

‘Ja. Mijn drie zussen zijn precies zo. Onze moeder was medisch laborant-analist. Zij en mijn vader kregen vijf kinderen en toen de jongste naar de kleuterschool ging, begon ze weer met werken. Intussen had ze ook een nieuwe studie gedaan, ving ze Syriërs op en was ze actief in de protestantse kerk. En in die tijd was het niet gebruikelijk dat vrouwen werkten. Zeker niet binnen de bekrompenheid van een dorp. Dus wat zij deed, werd sterk afgekeurd. Iets waar ik dan weer veel verzet tegen voelde – in die zin is het vreemd dat ik nu opnieuw in een dorp woon, al proef ik die sfeer hier niet. Hoe dan ook: mijn zussen en ik zijn naar voorbeeld van mijn moeder stevige carrièrevrouwen geworden.’

Een carrièrevrouw op zoek naar podiumpjes.

‘Kennelijk wel. Ik denk dat ik daar veel bevestiging uit haal. Mijn huidige man Pieter is kok. Als er gasten komen, leggen we ze ook helemaal in de watten. Ik zeg weleens tegen hem: ‘Dit keer gaan we níét zo aanstellerig koken.’ Want het is ook heel erg imponeergedrag, hè. Anderen doen het met een sportwagen, wij door ons heel overdreven uit te sloven met zeven gangen. Daarmee sla je je gasten ook lam. Maar wij vinden het gewoon heel leuk. En tegelijkertijd is dat dan ons podium.’

Terwijl ze opnieuw de met kookboeken bezaaide keuken in loopt, dit keer voor een portie garnalenkroketten: ‘In Vriezenveen waren wij importkinderen. Ik moest als iemand die het dialect niet sprak, eigenlijk te goed kon leren en met zo’n moderne moeder ook wel heel erg voor mezelf leren opkomen. Sowieso moesten wij thuis allemaal ons best doen om gezien te worden, alleen al omdat we met vijf kinderen waren en allemaal een grote mond hadden. Dus het was aan tafel zowel een gevecht om het eten als om de aandacht. Waardoor ik natuurlijk wel een haantje de voorste ben geworden.’

Wat is er zo fijn aan die aandacht?

‘Bevestiging natuurlijk.’ Met aangezette stem: ‘Dat er van je wordt gehouden.’ Even later: ‘Ik wantrouw bescheidenheid. Er zijn bepaalde erg beroemde presentatoren die net doen alsof ze zo bescheiden zijn gebleven. Hoezó? Je zit daar avond aan avond voor een miljoenenpubliek.’

Hoe verhoudt die behoefte aan aandacht en podiumpjes zoeken zich dan tot de toch wat dienende rol als interviewer?

‘Ik ben meer aanwezig geworden in mijn interviews, maar die uitgesproken rol paste ook wel bij een programma als Kunststof, waarin je echt een ontmoeting met je gast hebt. Ik had ook nooit gesolliciteerd als vragen-oplezer. In alles wat ik doe gaat mijn persoonlijkheid mee.’

In jouw boeken spaar je jezelf niet. In Vrouw in de rouw beschrijf je Jans laatste nacht bij bewustzijn.

Meteen: ‘Dat was afschuwelijk. Het ergste drama ever.’

Zomer 2012 vieren Possel en haar man vakantie bij vrienden in Frankrijk. Jan voelt zich niet goed, krijgt last van koude rillingen. Een paar maanden eerder had hij een (derde) hartklepoperatie ondergaan. Possel dringt erop aan dat hij zich bij thuiskomst laat onderzoeken. Tussen het moment dat hij dat doet en zijn dood zitten vier dagen. De avond voor de beslissende riskante (en uiteindelijk fatale) operatie biedt de dienstdoende verpleegster Possel een bed aan, zodat ze naast haar man kan overnachten.

Jan zei dat je naar huis moest gaan, naar je 18-jarige dochter.

‘En ik deed dat.’ In tranen: ‘Ik had al bedacht dat je hierover zou kunnen beginnen, maar het is toch een moeilijk moment, omdat dit precies is wat mijn leven ingewikkeld maakt.’

Kun je dat uitleggen?

‘Ik had daar die nacht natuurlijk gewoon moeten zíjn. Ik begrijp nog steeds volledig waarom ik ben weggegaan, maar vind het ook oerstom. En nu is het nooit meer goed te maken. Jan en ik waren opgeteld twee keer stoer gedrag. Hij was iemand die alles relativeerde, en ik iemand die zich graag groothoudt. Die combinatie is ons fataal geworden.

‘Als ik in dat bed was gaan liggen terwijl we allebei wisten dat dat misschien wel onze laatste nacht zou zijn, dan werd het ook meteen zo beláden. Dus zei hij: ‘Dit gaan we niet doen.’ Ergens was dat ook een vorm van bezweren, alsof het risico minder groot leek als ik naar huis zou gaan. Bovendien drong daar mijn karakter zich erg aan mij op: als ik was gebleven, was het zo’n pathetische, dramatische scène geworden. Iets waar ik niks mee heb.

‘Dus ik ging. Gelukkig heb ik hem daarna nog gebeld, omdat ik zelf ook wel voelde dat de verpleegkundige dat bed niet voor niets had aangeboden. Jan zei toen dat het niet erg was. Daar ben ik blij mee, maar ik vind natuurlijk dat ik het nooit zo had moeten doen.

‘De volgende ochtend is hij geopereerd, die operatie duurde anderhalve dag en nacht, hij werd alleen maar slechter. Uiteindelijk is hij van de beademing gehaald; ik was erbij toen hij stierf. Maar de laatste uren voordat hij onder narcose werd gebracht is hij alleen geweest, omdat ik er niet was om zijn hand vast te houden. En nu moet ik daar dus mee dealen. Je vroeg net wat rouw me heeft geleerd: nou, bijvoorbeeld dat al dit soort processen behoorlijk eenzaam zijn.’

Op een bepaalde manier moet je jezelf leren vergeven?

‘Ja. Maar zoals je merkt is dat nog niet gebeurd.’ Even later: ‘Er zijn ook veel dingen die we wel goed hebben gedaan, maar die vergeet je.’

Hoe is het om een paar jaar later weer opnieuw verliefd te worden, en dan bovendien op een man die zelf ook jong weduwnaar werd?

‘Ingewikkeld. Als je al wat ouder bent, zit je sowieso al opgescheept met allerlei ballast. En dan waren zowel Pieter als ik ook nog onze partner verloren. Tegelijkertijd schiep het een band. Maar ik vond het eng om me opnieuw aan iemand te binden, omdat je daarmee ook opnieuw iemand kunt kwijtraken. Hij dacht er precies zo over.’

Je zocht een nieuwe assistent om voor je restaurantrecensies mee uit eten te gaan en had Pieter al eens ontmoet.

‘Hij was privé-kok in Amsterdam. Maar ik was net naar Friesland verhuisd, had bedacht dat het misschien beter was om alles en iedereen een beetje op afstand te houden.’

Al had je wel een minnaar.

‘Die, omdat hij gebonden was, ook lekker op afstand bleef. Totdat ik inzag dat het ook wel iets armoedigs had, om met iemand te zijn die zo heel duidelijk niet voor jou kiest. Dus op een gegeven moment ben ik met Pieter gaan kaasfonduen, om te kijken of het werkmatig klikte. Daarna kwam-ie langs in Friesland, en werd het ook privé iets. Jij begint nu net over die nacht in het ziekenhuis, maar daar praat in mijn omgeving nooit iemand over. Iedereen slaat juist een heel vriendelijke, warme deken om me heen en raakt de pijnpunten niet aan. Dat is heel lief, maar je voelt je er ook op een bepaalde manier eenzaam door.’

Petra Possel Beeld Eva Roefs
Petra PosselBeeld Eva Roefs

Ik vroeg er alleen naar omdat het moment in je boek staat.

‘Maar dat hebben zij ook echt wel gelezen, al kan ik me voorstellen dat ze het desondanks niet aanroeren. Daarom is het zo prettig dat ik er met Pieter wel over kan praten. Hij heeft zelf ook voor zoveel afslagen gestaan waarbij je je later afvraagt: heb ik hier wel goed gehandeld? Wat had ik anders kunnen of moeten doen?’

Ineens: ‘Shit! De garnalenkroketten!’ Gemompel vanachter de frituurpan: ‘En dat presenteert dan een kookprogramma.’

Ben je eigenlijk tevreden met hoe je carrière is gelopen? Je hebt aan het begin veel samengewerkt met Pauw en Matthijs van Nieuwkerk en...

‘En dat zijn supersterren geworden, ja. Ik heb die kwaliteiten nooit gehad. Ik ben ook veel meer radio dan televisie. Het is nooit de heilige graal voor me geweest, al heb ik natuurlijk wel degelijk pogingen gedaan op televisie – met wisselend succes.’

Terwijl ze de kroketten uitserveert: ‘Toen Op1 werd opgestart, heb ik Carel Kuyl, de coördinator cultuur van de NPO, toch een mailtje gestuurd: ‘Als jullie nou echt iederéén uitproberen, mag ik dan ook eens langskomen?’ Hij antwoordde dat hij er niet over ging, maar het zou doorgeven. Nooit meer iets gehoord. Nou ja, niet erg, het is momenteel vooral mijn ambitie om een heel goede schrijver te zijn. Ik wil nog veel meer boeken maken. Al kost schrijven me veel energie en verdient het beperkt – tot nog toe dan, ik ben hoopvol gestemd.’

Je wilde alleen nog werken voor de lol.

‘O ja, dat is waar. Ik wil zo lang mogelijk doorwerken, zolang het maar niet te veel op werk lijkt. Maar oké: Als ze morgen van de radio bellen dat er een heel fijn nieuw uptempo programma komt, waar ze helemaal níémand voor kunnen vinden en zélfs Dionne Stax wil niet, dan zeg ik meteen ja. Dat dan weer wel, natuurlijk.’

CV PETRA POSSEL

3 mei 1963 geboren in Harderwijk, opgegroeid in Vriezenveen

1985 Academie voor de Journalistiek in Kampen afgerond, daarna programmamaker Cultureel Centrum De Effenaar (Eindhoven)

1987 Redacteur en later regisseur cultureel radioprogramma Ophef en vertier (VARA), gepresenteerd door achtereenvolgens Jeroen Pauw, Hanneke Groenteman en Berend Boudewijn

1991 Als presentatrice in dienst bij de AVRO, waar ze onder meer radioprogramma Opium presenteert, samen met Matthijs van Nieuwkerk

1998 Presentator tv-programma C-Land (NPS)

1990-1999 Recensent kleinkunst en cabaret voor Het Parool

2000 Overstap naar de NPS (later NTR), waar ze vanaf 2001 mede-presentator is van kunst- en cultuurprogramma Kunststof (Radio 1)

2005 Reishandboek Curaçao verschijnt, eerste van een serie reisgidsen

2009 Schrijft oral history-boek over Tip Marugg, Niemand is een eiland

2010-heden Presenteert elke vrijdagavond Mangiare! op Radio 1

2012 Echtgenoot Jan van Rijnswou overlijdt

2013 Verhalenbundel Vrouw in de rouw

2014 Restaurantrecensent regio Amsterdam voor NRC Handelsblad

2015 Verhalenbundel De troost van eten - over kippensoep, sterrenrestaurants en de poes van Johannes

2019 Verhalenbundel De stad uit - Mijn hart verpand aan het platteland. Neemt na 18 jaar afscheid als presentator van Kunststof

2020 Millstreet Films koopt rechten verfilming De stad uit

2021 Verhalenbundel Alles gaat over - Leven op het platteland is vandaag verschenen bij uitgeverij Podium

Petra Possel woont in Gaast, is sinds 2018 getrouwd en heeft een latrelatie met kok Pieter Hubregtse. Ze is ook moeder van een dochter, Romy Day Winkel (26).

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden