Interview

Peter Middendorp over Drenthe en zijn voorkeur voor melancholische humor

Hij verachtte de Blokkerwinkel van zijn vader, zijn school, Drenthe. Columnist Peter Middendorp schrijft erover in zijn derde roman: Vertrouwd voordelig.

Beeld Jesaja Hitzkia

De ouders van Peter Middendorp hadden een warenhuis in de Noorderstraat in Emmen. Hebo Warenhuis, heette het. Later werd het een Blokker. 'Dat was niet zo mooi', zegt Middendorp, maar zijn vader had weinig keus. Blokker wilde een winkel openen in Emmen, een 'groot afzetgebied', en benaderde Joop Middendorp. 'Hij kon nee zeggen, maar dan zou er vlakbij een Blokker zijn geopend, waarmee ons Hebo Warenhuis nooit had kunnen concurreren.'

Vanaf dat moment was Peter Middendorp niet meer Peter Hebo, maar Peter Blokker. Ze woonden boven de winkel. 'Dat oranje licht was ineens overal en in dat licht zag alles er goedkoop uit. Ik realiseerde me: er zal altijd een zweem van korting om mij heen blijven hangen.'

Over zijn jeugd als Blokkerzoon schreef Middendorp (42), schrijver en columnist voor de Volkskrant, zijn derde roman, die volgende week verschijnt: Vertrouwd voordelig.

Naar Blokker gaat hij nooit meer.


'Liever niet. Ik heb me vanmorgen nog geërgerd aan opbergsystemen die mijn vriendin had gekocht. We hebben nu niet één wasmand, maar drie, zodat je de was vast kan sorteren. Ik vind alles wat handig is ergerniswekkend. Misschien ís zoiets wel handig, maar het feit dat mensen dat dan gaan kopen, het feit dat ze zullen zeggen: kijk eens, wat handig - daarbij voel ik wrevel. Onredelijke wrevel.'

Hoe komt dat?
'Doordat ik al die mensen op die spullen heb zien afkomen. Ik heb gezien wat ze ervoor over hebben. Vooral als er korting op zit. Korting - nog iets waar ik slecht tegen kan. Wat houd je over van een opvoeding in een Blokker? Nou, een scherp oog voor de kwaliteit van slijtvaste vloerbedekking en een fobie voor korting.'

Wat is er zo erg aan korting?
'Ze stonden bij ons al voor negenen voor de deur. Als ze me door de winkel zagen lopen, op weg naar school, begonnen ze op de ramen te bonken en te roepen: opendoen, opendoen! Wat ik merkte is: die sapcentrifuge kon ze niks schelen. De korting, dat is waarin ze geïnteresseerd waren. Als je die twintig of vijftig Emmenaren voor de deur hebt gezien, duwend en trekkend, die kooplust in die ogen, die drift om met korting te kunnen kopen, dan weet je: dit is niets. Dit is het niets.'

Je koopt zelf nooit iets met korting?
'Er zijn tijden geweest dat ik bij Kruidvat een fles shampoo uit de schappen pakte, zag dat er korting op zat, de fles terugzette en een andere zonder korting kocht. Nu is dat iets minder erg.'

Je hebt die Emmenaren in hun identieke winterjacks gehaat - die indruk krijg ik als ik dit boek lees.
'Ja, zeker.'

En misschien doe je dat nog steeds wel een beetje.
'Het wordt relatiever. Als je jong bent, vind je anderen vaak enorm stom. Gaandeweg ontdek je dat je zelf ook behoorlijk stom bent. Dat die beperkingen niet aan één iemand hangen, maar aan de mens in het algemeen. Dat leidt tot berusting. Toen haatte ik ze. Mijn wieg stond letterlijk achter de kassa. Ik kroop rond op de afdeling klein plastic. Als ik iets tegen mijn vader of moeder wilde zeggen, stonden die lui erbij. Daar ligt de kiem van de ergernis, denk ik: ik moest als kind met ze concurreren. En klanten gaan natuurlijk voor. Als kind denk je dan: kutklanten.'

Je vader was zeer meegaand en klantgericht. Een pan met aangekoekte resten nam hij zonder zeuren terug. Als de klant maar tevreden is.
'Dat vond ik niks natuurlijk. Wees een kerel! Maar hij was gedienstig. Later begreep ik dat, maar als kind vond ik het niet leuk om te zien.'

En dan waren er nog de klusjes, de 'eeuwige klusjes'. Vrachtwagens uitladen, prijzen, magazijn opruimen. 'Ik vond het pas echt erg toen ik klanten in de winkel moest gaan helpen. Dat ik met de moederdagdrukte bij de afdeling technisch moest staan. Vroegen klanten aan mij welke van de twee citruspersen ze moesten kopen. Ik zou de goedkoopste nemen, zei ik dan, omdat dat het beste advies was wat ik kon geven. Uiteindelijk zagen mijn ouders ook wel: dit is niks voor ons Peter.'

Wat onderscheidt Drenthe van de rest van Nederland?
'Drenthe was een moerasgebied, geen provincie zoals de andere. We hadden alleen het veen. Daar kwamen allerlei landlopers op af, niet het meest verfijnde spul. Toen het veen was afgegraven, moest er iets komen voor die horden voormalige veenarbeiders. Dat werd Emmen. Het is een bedachte stad uit de tijd dat bedachte steden nog moesten worden uitgevonden. Elk jaar trekt het talent weg, de achterblijvers worden er in het algemeen niet snuggerder op.'

Beeld Jesaja Hitzkia

Wat kenmerkt de Drenten?
'Berusting. Niet snel een vinger opsteken. Drenthe is het enige stukje aarde waar nooit om is gevochten. Zelf denk ik dat de Drent door die veronachtzaming is gaan geloven dat die veronachtzaming terecht is. Hij vindt het niet mooi, maar hij begrijpt het. In Drenthe is alles snel apart, er is geen prestatiecultuur, er heerst geen gevoel dat ergens iets aan te veranderen of verbeteren is. Die mentaliteit zag en hekelde ik in mijn vader; zijn toegeeflijkheid, zijn angst voor de klanten. Drenten zijn overmatig bescheiden. Er zijn nauwelijks beroemde Drenten. Vroeger gingen mensen nog wel eens 'drentenieren', maar sinds duidelijk is geworden met wie drentenierders in de verzorgingstehuizen terecht komen - Drenten - hoor je daar ook nooit meer iemand over.'

Zit die mentaliteit ook in jou?
'Misschien haatte ik het wel omdat ik ook zo ben. Al is dat moeilijk vol te houden als je elke week een stukje in de krant schrijft. Die meegaandheid herken ik. Het weggeven, van jezelf als het nodig is.'

Het idee dat je niets voorstelt.
'Dat is het een beetje, al kan ik soms ook denken dat ik wel wat voorstel. Mijn eerste roman heb ik stiekem geschreven. Ik was als de dood dat ze zouden zeggen: o, Jantje de Boer moet ook zo nodig een roman schrijven. Of dat zo wás. Ik ben ook pas laat begonnen met lezen, op mijn 18de: Tejo, de lotgevallen van een geëmancipeerde man. Daarvoor wist ik niet wat een roman was. Daarna las ik De donkere kamer van Damocles en was het wel gebeurd.'

Las je op school nooit een boek?
'Nee, dat deden wij niet. En de mensen die dat wel deden, werden in elkaar gebeukt. Dan was je een professor of een homo. Toen ik eenmaal begon met lezen, verstopte ik dat voor mijn vrienden. Ik zat te lezen bij een jazzmuziekje en als ik een vriend hoorde komen, schoof ik het boek onder de bank en zette ik André Hazes aan.'

Dat gaat best ver.
'Ik was zelf een van de ergsten op school. Als iemand had geleerd voor een proefwerk, kreeg-ie van mij de volle laag. Dat was verraad, dat deed je niet. Je gaat niet naar het atheneum als je ook naar de havo kunt.' Met Drentse tongval: 'Dat is mooi zat, ja.'

Je vond het stom überhaupt iets te willen.
'Dat vond ik toen. Ik was onaanraakbaar en had een enorme minachting voor volwassenen. Ik stal uit de kassa van mijn ouders. Ik ga even wisselen, zei ik dan, legde er een tientje in, haalde er vijftig uit en dat maakte ik op in het café. Ik vind het lastig me er nu in te verplaatsen. Waarom ben ik twee keer van school gestuurd? Waarom heeft niemand me ooit een boekje gegeven, gezegd: lees Campert? Zou het dan niet beter zijn gegaan?'

Waarom ben je twee keer van school gestuurd?
'Omdat ze geen vat op me kregen. Ik kwam gewoon niet opdagen. Ik had een entourage van lui die anderen in elkaar sloegen - ik was de leider of op z'n minst een van de leiders.'

Wie werden er in elkaar geslagen?
'Professors. Homo's. Mensen met mooie spulletjes. Mensen met een broodtrommeltje vol netjes gesneden boterhammetjes. Ik had een hekel aan alles waar aandacht aan was besteed. Op een gegeven moment sloeg ik zelf niemand meer in elkaar, ik gaf de opdracht. Het was een hiërarchische vriendenclub. Als je erin wilde, moest je je houden aan kledingvoorschriften. Strakke Edwin-spijkerbroeken, hoog opgetrokken, gymschoenen en een wit T-shirt. Soepkleern, noemden we dat; zuipkleren. Als Mario dan op zaterdagavond het befcafé binnenkwam - dat noemden we zo omdat de mannen daar allemaal een snor hadden met mayonaise erin - in een colbertje, dan stuurden we 'm weg. Naar huus, soepkleern aan! Dan ging-ie snel naar huis om een vies shirt uit de wasmand te trekken. De kern was ik met een andere jongen. Dan had je de subkern, en dan de meute. Door iemand z'n bril af te pakken in de discotheek, bijvoorbeeld, kon je promoveren.'

Ineens: 'Ik krijg het een beetje warm als ik dit vertel. Het is verschrikkelijk. Sommige mensen hebben er echt last van gehad. Eén jongen, ik zal z'n naam niet noemen, heb ik vanaf de brugklas jarenlang het leven zuur gemaakt. Twee of drie keer per week vechten. Gelukkig was hij Noord-Nederlands judokampioen, dus ik verloor altijd.'

Kon het je iets schelen hoe je leven eruit zou gaan zien?
'Nee. Toen ik van school werd gestuurd, liep ik halverwege het gesprek met de conrector naar buiten. Het deed me niks. Maar op een zeker moment was er geen school meer. Ik werkte in de dierentuin als tafelruimer. Ik had een collega die zich Sjakkes noemde. Volgens mij heet jij gewoon Jacques, zei ik tegen hem, een Franse naam. Hij keek me aan alsof er inwendig iets in hem ontplofte. Sjakkes werd ontslagen omdat hij lang haar had wat hij niet wilde afknippen. Als ik om vijf uur vrij was, ging ik naar het café. Iedereen zei dat ik iets met mijn handen moest gaan doen, met mijn hoofd zou het niet lukken. En iedere dag veegde ik in het dierentuinrestaurant weer de kots van baby's en bejaarden van tafels. Op een zeker moment dacht ik: hé, wacht eens even, ik ben geen sukkel. Op de avondschool ben ik mijn havo-certificaten gaan halen. Toen bleek dat ik goede cijfers haalde wanneer ik m'n best deed.'

Tot de ouders in het boek lijkt de slechte reputatie van hun zoon niet door te dringen.
'Ze wilden het niet zien. Eigenlijk denk ik, erop terugkijkend, dat ik die mensen gewoon wilde ráken. De eerste keer dat ik van school werd gestuurd, is daar nauwelijks iets van gezegd. Toen ik na zes weken ook van de volgende school werd afgetrapt, gingen mijn vader en ik een eindje rijden. Hij moest huilen. Ik dacht: waarom moet je nou huilen? Ook dat minachtte ik.'

Was het ooit de bedoeling dat jij de zaak zou overnemen?
'Mijn eerste herinnering is dat er een klant boven me hangt en zegt: zo, dus dit is de opvolger. Zodra ik kon praten, zei ik dat ik nooit van mijn leven in een Blokkerwinkel zou gaan staan. Dat was mij te min.'

Voor je ouders niet leuk, lijkt me, een zoon die neerkijkt op hun werk.
'Mijn vader heeft ook veel moeite met dit boek gehad. Hij vond het niet mooi. Het lijkt alsof hij opnieuw is geschrokken van hoe ik toen was. Er staat een scène in het boek waarin ik een beeld op straat in Emmen verniel door er een zwerfkei tegenaan te gooien. Hij zei: dat moet je er niet in zetten, straks komt de politie aan de deur. Het heeft indertijd groot in de Emmer Courant gestaan. Mijn vader wist niet dat ik dat had gedaan.'

Wat zei hij toen hij het boek had gelezen?
'Hij voelde zich zo ongemakkelijk dat hij niet stil kon blijven zitten. Hij is een boekenkast voor mij gaan timmeren. Na twee keer lezen zei hij: dat je over mij zo schrijft is één ding, maar dat je over de klanten en de Blokker zo schrijft, dat kun je niet maken. Hij was zenuwachtig, dacht zelfs heel even dat mensen de ruiten zouden gaan ingooien. En ik denk dat hij ook denkt: je hebt er toch van gegeten, van gestudeerd? Het is een soort verraad. Zo voelt het voor mij ook wel.'

Wat heb je tegen hem gezegd?
'Dat het boek is geschreven vanuit het perspectief van een 17-jarige. Ik herinnerde hem aan wandtegels die we vroeger verkochten, waarop stond: als je klein bent is je vader een held, als je een puber bent is hij knettergek, en als je zelf oud bent, denk je: was mijn vader er nog maar.'

Dan: 'Uiteindelijk is het ook een lief boek. Ik ben hartstikke gek op mijn vader. Dat weet hij natuurlijk ook wel. Anders had hij die boekenkast niet getimmerd.'

Heb je getwijfeld over wat belangrijker was, het schrijven van het boek of het sparen van je vader?
'Ja, maar dat laatste weegt dan toch niet zwaar genoeg. Gevoelens zijn minder belangrijk dan het verhaal. Schrijven betekent iets overwinnen. Gekwetste winterjacks, een gekwetste vader, dat is ondergeschikt. In mijn ogen gaat dit boek over zonen, over een jongen die er op een gegeven moment achterkomt dat zijn vader óók een zoon is, een zoon van een vader - mijn opa Middendorp - die op een nacht in het kanaal viel en verdronk. Waarom is nooit opgehelderd; een ongeluk, alcohol, ik heb me zelfs wel eens afgevraagd of het zelfmoord kon zijn. Wat ik aan afwezigheid heb gevoeld, heeft mijn vader écht meegemaakt, want zijn vader was dood. In mijn boek gaat de hoofdpersoon op zoek naar wat er is gebeurd die nacht dat zijn opa in het kanaal viel. Hij doet dat om zijn vader te helpen. Daarom denk ik dat het uiteindelijk ook een lief boek is.'

Beeld Jesaja Hitzkia

Drie jaar geleden werd Middendorp zelf vader, van Lotje, inmiddels een meisje met twee blonde staartjes. 'Ik was mijn tanden aan het poetsen en Anna kwam met zo'n testje de badkamer in: kijk, ik ben zwanger. Ik voel niks, zei ik. Ik voel ook niks, zei ze. We moesten die dag naar een verjaardag in Emmen. In de auto begon het tot me door te dringen: ik reed mijn verleden in, maar ik zou vanaf dat moment ook zelf iemands verleden zijn. Zoals ik nu naar oude foto's van mijn ouders kijk, zo zou Lotje later naar foto's van ons kijken. Wat voor vader ging ik worden? En daarna: wat voor vader had ik gehad? Wat voor vader had hij? Eigenlijk is daar mijn boek ontstaan.'

Lijk je op je vader?
Denkt lang na. 'Ik lijk erg op mijn vader. Niet alleen fysiek, ook in hoe ik ben. Hoe ik was, bijvoorbeeld, toen ik in Amsterdam woonde omdat ik dacht dat ik daar schrijver moest worden. Dat ik niet naar feestjes ging omdat ik dacht: de mensen hebben daar al lol, ze hebben mij niet nodig. Toen ik een jaar of 27 was, ontwikkelde ik een angststoornis, al wist ik niet dat het zo heette. Ik was overal bang voor. De wereld, hoe dingen eruitzagen. Ik durfde geen appels te eten omdat ik dacht dat mijn tanden zouden afbreken. Ik was altijd bezig met mijn hartslag in de gaten houden. Elke tik kon de laatste zijn.'

Je had een te groot zelfbewustzijn, zei je eens.
'Ik kon niet gewoon koffiedrinken, ik zag mijn hand naar het kopje gaan en het oppakken, alsof ik mezelf registreerde door het oog van allerlei camera's. En bij alles wat ik deed, dacht ik: jézus, wat stom. Als je lang naar iets gaat kijken, wordt het vanzelf belachelijk. Je vervreemdt van jezelf. De angsten werden steeds erger. Als ik in de trein zat en de machinist begon aan een mededeling, dacht ik: we zijn gekaapt. Op de fiets naar het station dacht ik duizend keer achter elkaar dat ik een hartaanval zou krijgen. Ik durfde niet in liften. Kon niet meer slapen, tenzij ik een fles wijn achterover sloeg, wat ik dus ook maar deed.'

En verder zat je in het schrijverscafé.
'Eigenlijk wel. Ik zoop en snoof zo veel mogelijk. Dat terwijl iemand met een angstig karakter, zoals ik, echt geen coke moet gebruiken. Ik werd er ook niet druk van, zoals anderen, maar juist heerlijk kalm. Die angsten hebben er altijd wel in gezeten, maar toen het zo erg werd, heb ik het aan Amsterdam gekoppeld. Ik moest terug naar waar ik vandaan kwam, want daar kon ik tenminste ademhalen. Ik zou twee maanden bij mijn ouders in de tuin gaan zitten, maar ik bleef veel langer. Had geen idee wat er met me aan de hand was, behalve die dreigende hartaanval, waarvoor ik steeds naar de dokter ging. Er is niks met je hart, zei de dokter dan, maar ik had gezien dat een van die plakkertjes van mijn borst viel, en dus was de meting onbetrouwbaar. Ik kon niet gerustgesteld worden.'

Is het overgegaan?
'Niet helemaal, wel grotendeels. Ik moet mezelf in acht nemen. Er is voor mij niks lekkerders dan een paar borrels drinken. Maar als ik drie avonden achter elkaar naar de kroeg ga, wat ik tot voor kort regelmatig deed, ben ik maandag overal bang voor. Dus dat doe ik niet meer. Ik fiets graag anderhalf uur door de weilanden. Gaandeweg voel je dat hele hart- en longsysteem kalm worden. Maar goed, ik ben nu 42, het is vijftien jaar geleden. Het duurt blijkbaar lang voor je zoiets leert.'

Vind je het jammer dat het Amsterdamse schrijvers-leven niet voor je was weggelegd?
'Wat ik stom vind, is dat ik niet zag dat het logischerwijs niet was vol te houden, elke dag zuipen en snuiven. Dan ga je na een jaar om je moedertje roepen. Dat had iedereen kunnen voorspellen.'

Hoe reageerden je ouders toen je als 27-jarige weer bij ze kwam wonen?
'Ze stelden geen moeilijke vragen. Ik zat in de bijkamer op een dieet van drie biertjes per avond. Mijn moeder ging bij me zitten tot ik zou beginnen met praten: op een gegeven moment komt het - ook dat is Drents. Lief, ook.'

Ineens: 'Ik zit te denken aan dat Drentse gevoel. Opeens denk ik aan die buurvrouw die in het boek Ria heet, en die haar hele leven zat te breien. Breien, breien, breien, breien, tot ze bijna 50 was, opstond, een van die gebreide sjaals om haar nek knoopte en zich zonder een woord van afscheid ophing aan een spijl van de trap. Dat vind ik heel Drents. Er geen woorden aan vuil maken maar het gewoon doen, klaar. En ergens vind ik het nog grappig ook, dat iemand een leven lang zit te breien en zich dan ophangt. Al zie ik natuurlijk ook de diepe tragiek.'

Op een gegeven moment had Middendorp naar eigen zeggen weer te lang in het noorden gezeten en wilde hij de wereld in. Hij betrok een appartement tegenover de Tweede Kamer en schreef jarenlang een dagelijkse column voor De Pers over zijn observaties aan het Binnenhof. 'In het begin speelde ik keihard op de man. Soms echt meedogenloos. Ik vond Den Haag geen mooie wereld. Later zag ik beter dat veel mensen die er rondliepen ook gewoon maar slachtoffers waren van hoe het daar werkt.'

De column betekende zijn doorbraak, bundels en televisieoptredens volgden. 'Mijn schrijven werd ineens gezien. Zoiets heeft altijd een beetje een gevaarlijk effect op de auteur. Ineens dacht ik: het is cool wat ik doe.'

Ook was het 'een soort redding', zegt hij. 'Als je een zenuwlijer bent, kun je moeilijk keuzes maken. Nu wist ik elke dag wat ik moest doen. Ik kon maar één kant op.'

Sylvia Witteman noemde je de beste columnist van allemaal.
'Ik denk daar maar niet te veel over na. Ik kan me herinneren dat ik mijn eerste stukje had geschreven en dat mensen zeiden dat ik een natuurtalent was. Dat verlamde me totaal. Als er één zinnetje op mijn scherm stond, dacht ik: een natuurtalent had dit echt wel iets beter gedaan.'

Waarom heeft het negen jaar geduurd voor je weer een roman schreef?
'De columns kwamen ertussen. En ik heb ook twee romans weggegooid - echt weg. Achteraf jammer, want ik kan niet teruglezen of ze echt zo slecht waren.'

In een van je laatste columns schreef je over Vertrouwd voordelig: 'Als het af is, eindelijk af, zal ik gelukkig zijn. Maar toen wist ik nog niet dat het een kutboek was.'
'Een grap, uit literaire hypochondrie geboren. Sommige mensen vonden dat onverstandig, maar er waren ook die het slim vonden. Nu zou iedereen nog benieuwder zijn! Een boek begint met grote ideeën, maar als het eindelijk af is, zie je zelf alleen nog de moeizame ontstaansgeschiedenis. Ik denk dat elke schrijver zijn boek haat als het net af is. Dat hoort erbij, dat je denkt: jezus, is dit het nou.'

Je bent in je eigen columns vaak de een beetje tragische sukkel die het ook niet weet.
'Mijn chef bij de Volkskrant zei laatst dat hij regelmatig de vraag krijgt of het wel goed gaat met Peter. Ik heb een voorkeur voor melancholische humor. Ik kan ook wel echt melancholisch zíjn, hoor. Het leven is best een beetje treurig. En sommige dingen die triest zijn, zijn ook een beetje grappig, zoals Drenthe.'

Maar eigenlijk gaat het best goed met Peter.
'Jawel. Jaaa. Het gaat goed met Peter. Ik heb het goed. Een fijn gezin. Goed werk. Ik heb nu een werkkamer. Wat is trouwens goed gaan, met iemand? Daar zou je nog best lang over na kunnen denken. Maar misschien moet ik dat maar niet doen.'

Beeld Jesaja Hitzkia

CV Peter Middendorp


3 oktober 1971 Geboren in Emmen.

1990 Havo aan Dag- en Avondcollege Emmen.

1991 Atheneum aan Instituut Stavast in Haren.

1996 Geschiedenis en Journalistiek, Rijksuniversiteit Groningen.

2002 Debuutroman Noordeloos.

2005 Tweede roman Amateur.

2006 Literair-journalistieke verhalenbundel Eerst had ik een leuke vriendin.

2008 Lange Poten, gebundelde columns De Pers.

2009 De lachende derde, over Jan-Peter Balkenende.

2010 Met de kennis van nu, gebundelde columns De Pers.

2012-heden Columnist voor de Volkskrant (Vonk en Sport).

2014 Derde roman Vertrouwd voordelig.

Peter Middendorp woont samen en heeft een dochtertje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden