interview

Paul Blokhuis over zijn overleden dochter: ‘Ik zal Julia weer zien. Dat is mijn troost’

Paul Blokhuis  Beeld Imke Panhuijzen
Paul BlokhuisBeeld Imke Panhuijzen

Waar was God toen Julia enkele jaren geleden op haar 18de overleed? Staatssecretaris van VWS Paul Blokhuis (ChristenUnie) over de dood van zijn jongste dochter en hun reünie in de hemel.

Op de begraafplaats in Wenum, bij Apeldoorn, bezoekt hij regelmatig zijn jongste dochter, met name op de zondagen en woensdagen.

‘Hoi Juul, zeg ik dan. Ik ga bij haar zitten. Ik zet muziek op: gospel als Gods zegen voor jou, maar ook wel symfonische rock uit de jaren zeventig als Pink Floyd, met een nummer als Wish You Were Here. Om m’n emoties los te maken. Om te janken. Rouwen, verdriet zoeken... dat lukt me wel. Tegelijkertijd heb ik het gevoel dat ergens in mijn buik een oerhuil zit die er nog niet uit is. Ik zou mijn verdriet zo hard en intens willen uiten dat de muren instorten. Doe ik niet. Is ook gêne. Bij aankomst op de begraafplaats kijk ik altijd of er fietsen en auto’s staan. Soms ben ik alleen met Julia, maar ik weet ook: op een paar honderd meter staat een huis. Sta ik daar te brullen, komen die mensen naar me toe: ‘Alles goed verder?’ Maar het verlangen blijft.’

We zitten aan de lange tafel in zijn werkkamer op het ministerie van Volksgezondheid, Wetenschap en Sport. De staatssecretaris is monter en amicaal.

‘Ik heb me op dit gesprek verheugd’, zegt hij. ‘Omdat ik graag over Julia praat. Niet om haar in leven te houden, want ze is echt overleden, maar deze aandacht verdient ze gewoon. Het gekke is wel: Julia zal nooit ouder zijn dan 18. Dat merk ik steeds meer. Ze blijft achter in de tijd.’

Julia Blokhuis was een millenniumbaby, geboren op 1 januari 2000.

‘Als jongste had ze vier moeders: haar mama en drie grote zussen, Sharon, Thamar en Sarah. Toch werd Julia niet voorgetrokken of verwend. Ze piepte ook nooit. Van een vakantie herinner ik me dat wij met z’n allen voorzichtig een voetje in het water van een onverwarmd zwembad zetten, maar zij sprong er meteen in. Op de camping moest de vaat ouderwets met de hand worden gedaan. De meiden mokken en zeuren, maar dan stond Julia al af te wassen – terwijl het niet eens haar beurt was. Ze was heel steady en rustig, met een natuurlijk overwicht. Als iemand op school gepest werd, sprong zij er direct tussenin. Het slachtoffer beschermde ze, de dader sprak ze aan. Dan ben je als ouder beretrots.

‘Soms denk ik bij mensen: heb jij Jezus een beetje begrepen? Nou, Julia had dat zonder twijfel. Dat zie ik als de rode draad in haar leven. Ik wil haar niet als een engel omschrijven, maar na haar overlijden zei een meisje dat haar goed kende: ‘Aan Julia was niets wat niet lief was.’ Natuurlijk had ze als puber haar onzekerheden. Mag ik er zijn? Ben ik goed genoeg? Julia was ook wel moeilijk te doorgronden, verdriet en zorgen deelde ze niet makkelijk.

‘Ze was al vroeg geïnteresseerd in jongens. Op haar 8ste had ze een vriendje, maar dat ging uit. Ik weet nog dat we aan tafel zaten. Tranen. Toen uitte ze zich dus wél. En wat zei ik? ‘Ah, wat rot. Wil je nog nasi?’ Omdat ik dacht: kind, je bent 8 jaar, waar maak je je druk om? Nu denk ik: lulhannes. Had haar nou die knuffel gegeven. Op dat moment was er voor haar geen groter leed in de wereld denkbaar.’

Het begon ogenschijnlijk onschuldig.

‘‘Wat is er met je oog?’, vroeg Ida. Mijn vrouw ziet alles aan de kinderen. Julia zei dat ze al een tijdje last had van pijn. Naar de huisarts. Ik maakte er direct iets groots van: oeh, als daar maar geen tumor achter zit. Het bleek om een ontsteking te gaan. Naar de oogarts. Julia kreeg prednison. Op woensdag 21 februari kwam ik terug van een dienstreis naar de Cariben en Colombia. Julia was de eerste die ik weer zag, ze woonde als enige nog thuis. Met haar oog ging het wel, zei ze.

‘Een dag later voelde ze zich ineens misselijk. Ze had ook uitvalverschijnselen in haar linkerarm en linkerbeen. Naar het ziekenhuis. Ik zat alweer in Den Haag. Ida belde mij: ‘Moet je vrijdag naar de ministerraad?’ Deze plichtsgetrouwe jongen zei: ‘Waarschijnlijk wel.’ Algauw had ik het gevoel: nee, dit is ernstig, dit gaat om mijn kind, die hele ministerraad kan m’n rug op. In de familie-app vroeg ik mijn zeven broers en zussen om voor Julia te bidden. Eigenlijk vond ik dat over de top. Als je zoiets vraagt, moet het wel héél ernstig zijn, hè.’

Kort, sip lachje.

‘Julia had de catastrofale variant van antifosfolipide, een zeldzame auto-immuunziekte. Het lichaam schiet zonder reden gestold bloed rond, waardoor alles verstopt raakt. In de hele wereld zijn maar duizend gevallen bekend. Julia had stolsels op een hartklep. Dat kon fataal zijn, zei de neuroloog. Met gillende sirenes werd ze van Apeldoorn naar het Universitair Medisch Centrum in Utrecht gebracht. Ik belde Thamar, onze tweede dochter... Vóór die tijd hadden mijn kinderen mij zelden of nooit zien huilen. Daar hoef je niet trots op te zijn als vader, maar nu was het zover.

‘Die vrijdagavond moest Julia een openhartoperatie ondergaan. Superheftig, zeker voor een meisje van 18. Maar: wij hadden alle vertrouwen in de hartspecialist, een grote, rustige man. Ida en ik mochten in het ziekenhuis blijven. In de late avond hoorden we: operatie geslaagd. Geweldig. Om 2 uur ’s nachts konden we naar haar toe, ze was aan het bijkomen op de intensive care. ‘Hoi’, zei ze. ‘Ik ben blij.’ Typisch Julia. Ontroert me nu nog.’

Echt herstel bleef uit. Julia’s conditie was onverminderd reden tot zorg.

‘In het weekend waren we als gezin bij elkaar in een kamer naast de ic. We konden niets doen, behalve hangen, huilen, bidden, zitten, lezen...’ Hij pakt zijn telefoon. Veegt een paar keer over het scherm. ‘Kijk, dit schreef onze derde dochter Sarah op een whiteboard: ‘Als je bescherming zoekt bij de allerhoogste God, ben je helemaal veilig. Psalm 91. Lang leve Julia.’ Met allemaal hartjes. Mooi, hè. In psalm 91 staat ook: ‘Geen onheil zal u overkomen.’ In het geval van Julia kun je dat natuurlijk niet letterlijk nemen. Ik ga niet recht praten wat krom is, maar als je dat loslaat op de hele mensheid zal er nooit iemand door het noodlot getroffen worden. Ik lees het zo: wanneer je overlijdt en weer wakker wordt, zal God bij je zijn, en jij bij Hem. We leven in de palm van Zijn hand.’

Fred Blokhuis, de eeneiige tweelingbroer van Paul, is dominee. ‘Op boze vragen aan God heb ik Paul nooit kunnen betrappen’,’ zei hij aan de vooravond van het interview. ‘Ik vind hem altijd zachtmoedig en gelijkmatig. Misschien zou het goed voor hem zijn om af en toe iets meer te puberen. Joden zijn daar goed in, die blijven vragen stellen aan God.’

‘Nou, voor mijn doen was ik soms best brutaal. Verschillende keren zei ik tijdens het bidden voor Julia: ‘Kom op, God, laat nou eens wat zien.’ Ik wilde Hem ter verantwoording roepen, zo van: zeg, kom effe uit die hemel. Mijn opstandigheid haalde weinig uit. Op zondagmiddag werd ons gezin meegenomen naar een apart kamertje. De artsen deelden mee dat Julia hersendood was. Alleen dankzij een machine klopte haar hart nog.’ Zijn stem breekt even. ‘Ik kon alleen maar uitbrengen: ‘Arme Julia.’ We mochten zelf het moment bepalen dat de apparatuur zou worden ontkoppeld. Ik stelde 7 uur voor. Zeven is het getal van de volheid, al was haar leven niet vol. Julia overleed om 19.38 uur.

‘Er was geen afscheid. Geen persóónlijk afscheid – na die vrijdagnacht is ze niet meer bij kennis geweest. Het afscheid was: het sluiten van de kist. Dat mag je met vlag en wimpel het afschuwelijkste moment in mijn leven noemen: dit was Julia, deksel erop. De uitvaartondernemer had iets moois bedacht: we binden roze linten om Julia’s pols, die laten we door het deksel naar buiten komen. Voor de kist in de kuil zakt, knippen we ieder ons eigen lint eraf – als blijvende verbinding met Julia.

‘Julia kreeg het afscheid dat ze verdiende, ook al was het zestig, zeventig jaar te vroeg. De uitvaart was een mooi en warm samenzijn. Mijn broer Fred leidde de uitvaartdienst. Er zaten veel jongeren in de zaal, vrienden en vriendinnen van Julia. Toevallig was kort daarop de finale van Wie is de mol?. Fred zei: ‘In dat programma zeggen mensen dingen als: ‘Ik ga vol op Ruben zitten.’ Met een lichte ironie zei hij tegen de aanwezigen: ‘Laten wij hier vol op Jezus gaan zitten. Het is nu echt alles of niets met Hem en Zijn eeuwige leven.’ Dat was uit mijn hart gegrepen.

‘We konden ook lachen. Julia had een Dopper, zo’n duurzame drinkfles. In de auto hield ze de dop uit het raam om in de wind te laten drogen. Fsjjjwt, dop weg. Ze keek alleen maar licht verbaasd naar het raampje. Hé... hmm. Om dat verhaal hebben we geschaterd. Is het een lach om je verdriet te verbergen, dan is het een gelegenheidsoplossing. Is het een oprechte lach die je voelt tot in je buik, zoals hier, dan is het een genade.’

Paul Blokhuis Beeld Imke Panhuijzen
Paul BlokhuisBeeld Imke Panhuijzen

Achttien dagen na de begrafenis pakte Blokhuis zijn werkzaamheden als staatssecretaris weer op. Was dat niet een beetje te vlug?

‘Véél te vlug! Dat was bizar. Al kon ik het wel aan. De warmte en betrokkenheid van medewerkers en collega’s was heel tof. Ik had besloten dat ik me niet wilde laten leiden door het verdriet, anders kun je niet de goede beslissingen nemen. Mensen mochten ook geen last van mij hebben. Vooraf leek het mij een naar beeld: ik loop door de gangen van het ministerie en voor me uit schieten mensen links en rechts een kamer in. Ik bén niet eng. Ik ben ook niet zielig. Heb ik ook gezegd tegen de Kamerleden van verschillende partijen: tijdens het debat staat de staatssecretaris achter het katheder. Niet de zielige papa.’

Rouw is misschien wel de meest particuliere emotie. Iedereen doet het op zijn eigen wijze. Hoe rouwt Paul Blokhuis?

‘Ik huil. Elke dag. Nog steeds. Soms vijf minuten, soms tien tellen. In de eerste weken en maanden zijn er momenten dat je merkt dat de mokerslag nog niet in volle hevigheid is aangekomen. Op een dag zat ik bij de huisarts. Die draaide het computerschermpje naar me toe, en wat stond er bij de naam van Julia? Overleden. Dat ging over mijn kind, ons kind. Overleden. Rationeel wist ik het dondersgoed; gevoelsmatig kreeg ik een flinke tik.

‘Ga ik wel goed om met mijn rouw? Ik ben met een therapeut gaan praten. Een mens heeft drie niveaus om te communiceren, legde hij uit. De hersenen, het hart en de buik. Oftewel: intelligentie, geweten, gevoel. ‘Aan die hersenen van jou mankeert niet zoveel’, zei hij. ‘Je geweten is ook redelijk goed ontwikkeld. Maar je gevoel... Daar heb je een plaat beton op gelegd.’

‘Waarschijnlijk is dat al in mijn jeugdjaren gebeurd. Mijn vader was dominee en zat vaak in zijn studeerkamer. Mijn moeder cijferde zichzelf weg en voedde acht kinderen op. In zo’n druk gezin kun je geen slopers hebben. Nou, Fred en ik trokken al de spijlen uit onze box. Als ik dan een keer brutaal was en ‘stomme mama’ riep, kreeg ik een pak slaag, zoals dat in de jaren zestig gewoon was. Geen kwaad woord over mijn moeder, maar die therapeut zei: ‘Zo is jouw spontane gevoel eruit gemept.’ Van nature ben ik best extravert, maar dat is toch een beetje onderdrukt. Het verklaart misschien waarom die oerhuil er niet uitkomt.’

Fred Blokhuis heeft een eigen kijk op het rouwproces van zijn tweelingbroer. ‘Ik heb het idee dat Paul de pijn direct al helemaal liet binnenkomen. En zo voelt hij het nóg. Psycholoog Elisabeth Kübler-Ross heeft dat beroemde model met de verschillende rouwstadia ontworpen, van ontkenning via woede en depressie naar aanvaarding , maar mijn broer doet het heel anders. Het gekke is dat er bij hem een aan-en-uitknop op zit. Al vanaf het eerste moment kiest hij zijn momenten om de pijn op te zoeken, om het daarna ook weer te laten liggen.’

De staatssecretaris knikt. ‘Dat herken ik wel. Al klinkt het nu wel erg robotachtig en mechanisch. Zo van: ik ga huilen tussen 4 en 5 en daarna niet meer. De woensdagen wil ik vrij houden. Even rust nemen. In de ochtenduren werk ik een paar dossiers weg, en verder lees ik de krant en ga naar het graf van Julia. Maar het is niet alleen zo dat ik het verdriet opzoek: het overvalt mij ook. Ik had een keer overleg met Hugo de Jonge en Wopke Hoekstra. Ineens keek ik naar het beeld van Julia op mijn telefoon, of zij keek naar mij, en dat kwam hard binnen. Ik ben naar huis gegaan. Even geen behoefte aan financiën en VWS. Ik zei nog: ‘De papa wint het vandaag van de staatssecretaris.’’

Is het overlijden van Julia van invloed op zijn politieke loopbaan? Fred Blokhuis vermoedt van wel. ‘Paul zei een tijdje terug tegen me: ‘Na dit kabinet wil ik geen bewindsman meer worden, want deze functie loopt voor mij compleet parallel met de dood van Julia.’ Snap ik wel. Zij overleed een paar maanden na zijn aantreden.’

‘Ik heb dat gezegd, ja. Omdat rouwen energie kost. Een Eerste Kamerlid vertelde me dat hij een kind van 9 jaar had verloren. ‘Dat heeft mij een energielek van 30 procent opgeleverd’, zei hij. Dat ben ik nooit vergeten. Ik moet oppassen dat die gedachte zich niet bij mij gaat nestelen.’ Lacht. ‘Dat je denkt: ik ga er vandaag weer voor de volle 70 procent tegenaan. Nee. Als ik ergens dankbaar voor ben, dan is het voor mijn enorme werklust.

‘Had je mij een halfjaar geleden gevraagd: ga je door, als bewindspersoon? No way. Zoek maar een ander. Elke dag weer met een of twee pilotentassen vol dossiers en nota’s naar huis: jongens, geef mijn portie maar liever aan fikkie. Nu, na de verkiezingen en een halfjaar later, denk ik daar anders over. Als de ChristenUnie weer reëel in beeld is om mee te regeren zeg ik niet bij voorbaat nee. Er is nog erg veel moois te doen, zeker in de sfeer van gezondheidsbevordering. We zien wel. Ik ben geen carrièreman, hè. Totaal niet. Eigenlijk rommel ik maar wat aan.’

Paul Blokhuis  Beeld Imke Panhuijzen
Paul BlokhuisBeeld Imke Panhuijzen

De kamer van Julia is nog intact.

‘Alles is er nog. Als ik in de kamer ben, ruik ik haar nog steeds. Een lekkere meisjeslucht. Kan verbeelding zijn, hoor. Rond de uitvaart zei iemand iets heel moois: de grote afwezige is de grote aanwezige.’

Waar was God?

Uitdrukkingsloze blik. ‘God is niet gekomen. Dat klopt. Niet zoals ik had gehoopt.’

‘Jezus wekte Lazarus op uit de dood’, zegt dominee en tweelingbroer Fred. ‘Dan vraag je je toch af: Jezus, waar blééf U nou! Waar wás U nou toen Julia overleed?’

‘Vroeger, als steil gereformeerd jongetje, had ik wel antwoord op dit soort vragen. God was er wel, maar de duivel had er harder aan zitten trekken, die was de baas, bladiebladiebla. Ik weet wer-ke-lijk niet hoe persoonlijk God zich met Julia heeft bemoeid. Voor mij staat vast dat Hij in elk geval geen aanleiding heeft gezien om haar dood te voorkomen – waar Hij dat wel had kúnnen doen. Want: Hij is de Almachtige. Dit is ook de kern van de Auschwitz-vraag, hè. Waarom heeft Hij niet ingegrepen? Wist ik het maar.

‘Op de avond dat Julia overleed, belde ik met Mark Rutte en Gert-Jan Segers (fractievoorzitter ChristenUnie). Hartverwarmende reacties. Gert-Jan begon gelijk te huilen en zei: ‘Het wordt tijd dat we eens flink kwaad worden op God.’ Dat ontroerde mij.’

Had hij zelf dan geen woede?

‘Het is voor mij al heel woest als ik zeg: potverdomme. Ik denk dat ik tot m’n dood geen reden heb om kwaad op God te worden. Ik heb juist een rotsvast vertrouwen dat Hij er dag en nacht voor mij is. Dat geeft mij rust en vrede.’

Kan een God die niet voorkomt dat je lijdt – terwijl je Hem ziet als almachtig – de God zijn bij wie je troost vindt?

‘Wel als je Hem weigert te zien als de kwade genius achter het leed van mensen. In mijn ogen is God de goede genius die verlichting brengt. Maar het blijft een paradox, ja. In de gereformeerde theologie zie je vaak de wens om God in een soort driedimensionale werkelijkheid te vangen. Wat wij snappen, daar moet Hij inpassen. Dat is in mijn beleving een cruciale fout. Misschien bestaat God wel in tien dimensies! Neem alleen tijd en ruimte. Wanneer is God ontstaan? Hoe zit het met het heelal? Wat was er vóór de oerknal? Loesje heeft daar een mooi antwoord op. Eerst was er niks, en toen is dat ook nog ontploft. Ik wil maar zeggen: het menselijk begrip is beperkt. Zeker als het gaat om de wegen van God – blijkbaar.

‘Ik zal Julia weer zien. Dat is mijn troost. Ik weet dat het absurd klinkt. Sinds het begin der tijden zijn er honderd miljard mensen overleden, waar wil je die allemaal laten? En: hoe ga ik haar dan terugvinden? Maar ik gelóóf in de hemel, en ik vind het heel jammer dat zoveel mensen in de afgelopen decennia dat geloof hebben verloren. Voor mij staat vast dat daar geen enkel negatief sentiment is. Niet van: waarom loopt die slavenhandelaar hier rond? Nee. Alleen maar fijne dingen. In de hemel is ook fysiek contact mogelijk. Die gedachte ontleen ik aan het opstandingslichaam van Jezus, die ineens te midden van zijn discipelen verscheen. Zij konden Hem toch ook aanraken? Het lijkt me geweldig om Julia weer te omarmen. Ik zou haar willen vragen: wat heb je allemaal meegemaakt? Kon je ons zien? Zag je mij bij je graf staan? Met Diesel, ons hondje? Zag je hoe ik bij het weggaan een handkusje gaf op jouw steen? Maar eerst: een heel dikke knuffel. Kan ik zo naar uitzien, joh. Elke dag is een dag dichter bij Julia.’

Paul Blokhuis

1963 Geboren in Zuidhorn. Groeide op in Wezep, in een gereformeerd predikantsgezin met acht kinderen

1988-1993 Voorzitter RPF-jongeren

1992-1995 Studie geschiedenis, Rijksuniversiteit Leiden

1990-2006 Beleidsmedewerker van de Tweede Kamerfractie van de RPF (Reformatorisch Politieke Federatie)/ChristenUnie

2003-2006 Lid Provinciale Staten Gelderland (ChristenUnie)

2006, 2010, 2014 Lid gemeenteraad Apeldoorn (ChristenUnie)

2006-2017 Wethouder van zorg, welzijn, volksgezondheid en jeugd in Apeldoorn

2017-heden Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (WVS) in het (demissionaire) kabinet-Rutte III

Paul Blokhuis is getrouwd met Ida en is vader van vier dochters. De jongste, Julia, is begin 2018 overleden. Zijn tweelingbroer Fred is predikant in Nieuwegein. Een andere (oudere) broer is muziekkenner en presentator Leo Blokhuis.

Hoe besta je na?

Een dierbare sterft. En dan? In de onregelmatig verschijnende serie Hoe besta je na? spreken Frénk van der Linden en Pieter Webeling met mensen die een geliefde, kind, ouder of goede vriend(in) hebben verloren. Met welke herinneringen blijven we achter? Hoe rouwen we? Staat God ons bij? Is het mogelijk om een groot persoonlijk verlies betekenis te geven?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden