ColumnSylvia Witteman

‘Papa kan nu even niet naar zijn werk, maar papa ís wel aan het werk’

Sylvia Witteman artikel columnBeeld .

Op de zonovergoten bankjes voor café Wildschut kon je een kanon afschieten. Dat kon natuurlijk altijd al, mocht je een kanon ter beschikking hebben, maar niet zonder bloedvergieten. Nu wél, tenzij je goed mikte op de twee enige mensen die er zaten: een man en een kind. De man was een jaar of 40 en keek ingespannen op het scherm van zijn telefoon. Hij had een ijdel, halflang kapsel en de gebruinde trekken van iemand die tamelijk onlangs is wezen skiën; wellicht in zo’n Italiaans oord waar de dood toen nog incognito rondsloop tussen de schuimende bierpullen.

Het kind was een blond jongetje van een jaar of 6. Hij zat op de tegels en betastte lusteloos een stuk speelgoed waar hij te groot voor was: een rechtopstaande, blank houten spil die een torentje van gekleurde ringen in aflopende grootte bijeenhield.

Hij duwde tegen zijn vaders knie en zei iets wat ik niet kon verstaan, omdat ik te ver van hem vandaan zat. Het zijn lastige tijden voor afluisteraars. Gelukkig had de vader een harde stem: ‘Wat is er nou weer, Kas?’, zei hij. ‘Je wou toch spelen? Gá dan spelen. We hebben het hier toch over gehad? Papa kan nu even niet naar zijn werk, maar papa ís wel aan het werk. Lekker buiten, zodat jij kunt spelen in het zonnetje.’

Het jongetje keek moedeloos naar zijn speelgoed. De vader draaide zich om en tuurde grimmig het lege, donkere café Wildschut binnen. Geen mens die hem de koffie kon komen brengen waar hij juist zo’n zin in had. Terwijl hij zich weer op zijn telefoon wierp, haalde het jongetje alle ringen van de houten spil en legde ze er in omgekeerde volgorde weer op. ‘Pap!’, zei hij. De man maakte een sissend geluid tussen zijn tanden. ‘Papa!’, riep het jongetje.

De man liet zijn telefoon met een dramatisch handgebaar op zijn schoot vallen. ‘Ja!?’, sprak hij dreigend, met die stem die galmde over het lege Roelof Hartplein. Lachend toonde het jongetje zijn toren. Ik moest denken aan die huiveringwekkende regels van Achterberg: ‘En de hoop is een krijtwit kind, dat lacht tegen de rover die het slacht.’

Maar van slachten kwam het niet. ‘Kas, godverdomme, ik...’, begon de man. Nu kwam er uit de richting van de Van Baerlestraat een vrouw aanlopen, 40, in de categorie ‘representatief’. ‘Hé Bart, hé Kas!’, riep ze, op de inmiddels spreekwoordelijke gepaste afstand. ‘Hoe gaat-ie? Rare tijden hè? Redden jullie je een beetje?’

De man haalde diep adem en sloot even de ogen. Daarna deed hij ze weer open, stak beide duimen agressief de lucht in en bracht uit: ‘TOP!’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden