Overheden zijn medeplichtig aan lot familie Gümüs

De integratie van de Turkse familie Gümüs is op alle denkbare manieren door de overheid bevorderd. Het kan haar niet worden aangerekend dat zij haar toekomst in Nederland zag, meent Maud de Vries....

DE NEDERLANDSE Vreemdelingenwet is restrictief, en dat heeft, zoals Marcel van Dam constateerde in zijn column van 18 juli, enkele 'minder sympathieke consequenties'. Het nut van de restricties heeft in de acties rond de familie Gümüs nooit ter discussie gestaan; voor ons draait het om de subtiele en - natuurlijk - subjectieve grens tussen 'minder sympathieke' en onaanvaardbare consequenties.

De Vreemdelingenwet dient een doel. Dat doel is niet om alle niet-Nederlanders te weren, maar om de instroom te beheersen. Daartoe hanteren 'wij ' maatstaven die niet alleen in de Vreemdelingenwet, maar in de hele Nederlandse wetgeving gelden; de afweging tussen individuele belangen en het algemeen belang, de afweging tussen strafmaat en de ernst van wat misdaan is.

Wat nu heeft de familie Gümüs gedaan? De heer Gümüs heeft een eigen zaak opgezet, met hulp van de Kamer van Koophandel. Mevrouw Gümüs heeft in Nederland een kind gebaard, en dat naar school gestuurd. Haar oudste zoon heeft ze gestimuleerd in zijn schoolcarrière. En net toen ze zich lekker hadden gesetteld op een etage - gewoon gehuurd van de woningbouwvereniging - en een sociaal leven hadden opgebouwd, hebben ze ook nog protest aangetekend tegen het bevel om weg te gaan. Hoe halen ze het toch in hun hoofd.

Stel dat we het erover eens zouden zijn dat dit allemaal niet had mogen gebeuren. Dan blijft toch het feit staan dat ze het wel gedaan hebben, dat ze daarbij van verschillende (overheids)instanties steun hebben gekregen, en dat ze zich in de afgelopen acht jaar hebben gevoegd in het dagelijks leven in een gewone Amsterdamse straat.

Dat de heer Gümüs destijds naar Nederland is gekomen, dat hij zo naïef was om zichzelf op een ongelukkig gekozen moment bij de Vreemdelingenpolitie te melden, dat hij inmiddels acht jaar in Nederland woont, dat zijn kinderen zich hier thuis voelen en hier hun vriendjeskring hebben opgebouwd, dat de kinderen niet is uit te leggen waarom zij hier niet mogen wonen, en de Jantjes en Marietjes uit hun klas wel - dat zijn argumenten die elk op zich geen reden vormen om de familie een verblijfsvergunning te verlenen. Maar in de combinatie van al deze factoren heeft de Nederlandse overheid toch tenminste de indruk gewekt dat hij hier een toekomst voor zijn kinderen kon opbouwen.

Daarmee heeft Nederland zich tot medeplichtige gemaakt aan het langdurige verblijf van de familie Gümüs. Met de invoering van de Koppelingswet is die medeplichtigheid voor de toekomst uitgesloten; nieuwe 'Gümüssen' kunnen zich onmogelijk meer op vergelijkbare wijze ongemerkt nestelen in de Nederlandse samenleving. Dat de Koppelingswet nodig wordt geacht, is dan ook direct op te vatten als bewijs van schuld aan de mate van integratie die bijvoorbeeld de familie Gümüs inmiddels heeft bereikt.

Het argument dat de familie Gümüs al anderhalf jaar weet dat ze hier niet mag blijven, gaat al helemaal niet op: de wegen die zijn bewandeld om uitzetting te voorkomen, zijn alle strikt legaal. Dat de familie zo succesvol is in het steeds opnieuw voorkomen van uitzetting, kan dus evengoed gelden als bewijs van uiterste integratie. Met het scheppen van verwachtingen en al dan niet valse hoop, overschrijden we de grens tussen 'minder sympathieke' en onaanvaardbare consequenties van wetshandhaving.

Gelukkig kent elke wet, elke regel, elk voorschrift in Nederland een hardheidsclausule. Die wordt juist opgenomen voor het geval de wet in individuele gevallen geen recht doet. De heer Gümüs voldoet niet aan de zesjarenregel - hij meldde zich toen hij vijf jaar in Nederland was, en natuurlijk kan hij over die periode geen zes jaar legaal werk aantonen. Dat neemt niet weg dat zelfs mevrouw Schmitz gezocht heeft naar 'openingen' in zijn aanvraag (Het Parool, 12 juli). Dat bewijst de mogelijkheid van een soepeler toepassing van de regel.

Daarbij lijkt men wel eens uit het oog te verliezen dat die criteria opgesteld werden, niet als middel om de instroom te beheersen, maar als maatstaf voor de mate van integratie van mensen die hier al woonden en werkten. Vandaar ook de naam 'witte-illegalenregeling'. Dat het niet de enige geldige maatstaf is, bewijzen de gerechtelijke uitspraken waarmee een verblijfsstatus is verleend in zaken waarbij zes jaar legaal werk niet kon worden aangetoond, maar waar de kinderen al vier jaar of langer in Nederland onderwijs genoten.

Wij pleiten overigens niet voor een uitzondering op de zesjarenregeling. Wij pleiten voor toepassing van de hardheidsclausule, die in de Vreemdelingenwetgeving 'verblijfsvergunning op humanitaire gronden' heet. En op dat punt biedt de Vreemdelingenwet wel degelijk - geheel in de lijn van de Nederlandse wetgeving - ruimte voor overwegingen van individuele aard. Vooral als kinderen in het geding zijn, want de zorg voor kinderen is een teer punt in ons land.

En voor de kinderen staat er nogal wat op het spel. De oudste zoon is weliswaar in Turkije geboren, maar hij heeft de Nederlandse spelling en grammatica geleerd. Hij is dertien jaar oud, een jonge puber dus, en inmiddels is hij al langer in Nederland dan hij in Turkije heeft gewoond. Zou het niet juist voor de oudste zoon het moeilijkst zijn om zich aan te passen aan een nieuw land, waar hij geen vrienden heeft, en met een grote leerachterstand op zijn leeftijdsgenoten?

De jongste is hier geboren. Misschien dat hij zich nog makkelijker aanpast, maar hij zal niet de speciale aandacht kunnen krijgen waar het Nederlandse schoolsysteem, vanouds gewend aan multiculturele klassen, zo goed in is. Zouden de ouders van de kinderen misschien daarom ook zo opzien tegen een gedwongen terugkeer, omdat ze weten dat het voor beide kinderen zo moeilijk zal zijn?

Zij kwamen naar Nederland in de hoop op een glorieuze toekomst, en in ieder geval hebben ze zich in moeilijke tijden kunnen troosten met het idee dat ze het beste met hun kinderen voorhadden. Die troost hebben ze niet als ze op weg zijn naar Turkije.

Juist op de afwijzing van de aanvraag op humanitaire gronden is de explosie van protest van de laatste weken losgebarsten. Uit de argumenten die daarbij worden aangedragen, ook of juist uit de puur emotionele, kan men aflezen waar het werkelijk om gaat: de machteloosheid van burgers die tot in het diepst van hun hart weten dat de wet er is om het volk recht te doen, en niet andersom.

Maud de Vries maakt deel uit van het comité Gümüs Moet Blijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden