Oud-minister Jan Pronk: ‘We denken alleen maar aan onszelf’

Zijn vrouw zegt dat hij milder is geworden, maar ook na zijn hartinfarct maakt oud-minister Jan Pronk zich boos over de wereld. ‘Ik vind niet dat ik gelijkhebberig ben.’

Oud-minister Jan Pronk 'Heel raar, ik heb een permament gevoel van dankbaarheid' Beeld Martin Dijkstra

Hij neemt de lift, de trappen gaan niet meer. Het kleine stukje van zijn huis naar het Institute of Social Studies in Den Haag waar hij sinds hij de politiek verliet colleges gaf en waar hij nog een kamer heeft, viel hem al zwaar. Tegen zijn uitgever heeft hij gezegd: ‘Ik doe niks meer, alleen nog boeken schrijven.’ Zijn boek over Rwanda, Strijd rond de grote meren, is nu af, daarna volgen Suriname, Soedan, ach, Jan Pronk (78) heeft nog een heel lijstje. Hij heeft zo veel haast, dat reclame maken erbij inschiet. ‘Ik schrijf deze boeken, maar niemand die ze leest’, zegt hij, zoevend naar de tweede etage.

Vandaag is het op de dag af 24 jaar geleden dat in Rwanda een gruwelijke massamoord begon. Het is ook de dag dat de oud-PvdA-minister van Ontwikkelingssamenwerking zijn boek erover publiceert. Later dan gepland, doordat hij halverwege het schrijven een hartinfarct kreeg.

Een van de eerste beslissingen die u nam toen u in het ziekenhuis lag, was dat u hoe dan ook dit boek zou voltooien.

‘Ja, in het begin kon ik niks anders dan denken toen ik daar zo lag. Ik heb toen een aantal drastische beslissingen genomen. Eén was dat boek en twee was: stoppen met de rest. Ik heb tien jaar met veel plezier colleges gegeven, maar ik durf niet meer. Stel dat het nog een keer gebeurt en ik zit midden in een collegereeks, dan laat je je studenten in de steek.’

Wat is er precies gebeurd?

‘Ik zat in Zwitserland, waar ik een tweede huis heb, thee te drinken met mijn vrouw. En ineens, van de ene op de andere seconde, brak er wat in mijn borst, ik moest ook continu overgeven. Ik wist meteen: het is mijn hart. De huisarts was er gelukkig snel. Hij zei gelijk: ‘Je moet naar Bern, want het ziekenhuis in dit dorp is daar niet voor geëquipeerd. Het is alleen spitsuur, dus je moet met de helikopter.’ Ze hebben me gereanimeerd op een grasveldje voordat ik de helikopter werd ingeschoven, ik was toen al buiten bewustzijn. In de lucht hebben ze me nog vier keer gereanimeerd en bij aankomst weer. Ik heb zó’n geluk gehad. Er waren complicaties bij de operatie, maar ook dat is allemaal goed gekomen. Dus dan begin je een nieuw leven. Mijn verjaardag is voortaan niet meer op 16 maart maar op 16 mei, de dag dat ik opnieuw kon beginnen. Het is zó’n ingrijpende gebeurtenis geweest, het was echt kantje boord.’

Beeld Martin Dijkstra

Heeft het u veranderd?

‘Ja. Er is een permanent gevoel van dankbaarheid, dat is heel raar, vroeger was alles vanzelfsprekend. En mijn vrouw zegt, en dat neem ik dan maar aan: ‘Je bent milder geworden.’ Tegelijkertijd heb ik al mijn ambities nog, alleen weet ik dat ik een hoop dingen niet meer kan.

‘Het gekke is, toen ik daar op het grasveldje lag en dacht dat ik doodging, gaf ik me helemaal over aan de artsen. Doe maar, dit is het einde. En dan word je twee dagen later wakker uit een coma. Mijn vrouw en mijn zoon zaten aan mijn bed. Mijn zoon had steeds gezegd: ‘Als papa nog maar kan denken. De rest is niet zo belangrijk, als-ie nog maar kan denken.’ Ik word wakker en het eerste wat ik zie, is een bord voor mijn bed waar mijn naam op staat en de datum. Ik zei meteen: ‘Het is geen donderdag, het is woensdag’ - me niet realiserende dat ik weg was geweest. Toen waren ze zo blij, haha. Maar ik heb ook weer léren denken. Ik was verward in het begin, misschien door de medicijnen. De nachten waren niet leuk, ik kreeg waanideeën: alles was rood, terwijl er niks roods was in die kamer, en ik werd aangevallen. Ik zag mensen om me heen die ik niet kende. Ze vallen me aan, ze vallen me aan, dacht ik steeds - heel verontrustend. Toen het ergste voorbij was, heb ik op een nacht bewust geprobeerd systematisch te denken. Ik heb een opzet voor een hoofdstuk in mijn boek over Rwanda gemaakt. Ik had van mijn zoon een potlood en een opschrijfboekje gekregen en toen het licht werd, heb ik drie bladzijden geschreven met wat ik die nacht had bedacht. Dat ik dat kon, was voor mij het bewijs: ik kan niet alleen weer denken, ik kan ook systematisch denken. Dat stelde me gerust.’

Ze zeggen weleens dat als je de dood in de ogen kijkt, je leven aan je voorbijtrekt. Had u een tevreden gevoel over uw leven toen u dacht: dit is het einde?

‘Nee. Het was gewoon kalm. Ik was niet opstandig, niet tevreden, niks.’

Is het typerend voor u dat uw eerste gedachten meteen weer uitgingen naar het werk?

‘Ja, ja, pertinent.’

U wilde vooral snel verder met schrijven.

‘Ja, het gaf me wel een extra drive om weer opnieuw te beginnen. Men had steeds tegen mij gezegd: je moet nou eens je memoires gaan schrijven, maar dat wilde ik niet, dat gaat dan allemaal over mezelf. Maar ik heb schitterende archieven, ik heb alles wat ik vanaf 1971 ooit heb gedaan, genoteerd. Ieder gesprek, iedere onderhandeling heb ik uitgeschreven, een dikke 20 duizend bladzijden aan handgeschreven notities die ik allemaal in een kaartsysteem heb gezet. Dus ik dacht: ik ga schrijven over landen en gebeurtenissen waarmee ik veel te maken heb gehad. De lijst is lang, die zal ik nooit afmaken.’

U beschrijft in uw boek heel beeldend de genocide in Rwanda. Schreef u al die indrukken ’s avonds op?

‘Ja. Ik was 31 toen ik in de fractie van de PvdA kwam, dan ben je niemand. Je kijkt tegen anderen op, ik keek erg op tegen Joop den Uyl. En die schreef álles op. Dus ik ben dat ook gaan doen. En ik ben ermee doorgegaan tot een paar jaar geleden, want ik maak nu niks meer mee.’

Beeld Martin Dijkstra

Welk beeld staat u het meest op het netvlies?

‘De rivier met daarin een eindeloze stroom lichamen, dat hield niet op, je zag geen water meer, alleen lijken. Duizenden vermoorde Tutsi’s waren in het zuiden van Rwanda in de rivier gedumpt, vrachtwagens vol. De meesten waren naakt, velen misten een of meer ledematen, sommigen waren onthoofd. Ik stond er een half uur en telde bijna honderd lichamen, ook van kinderen. Een ander beeld wat ik nooit zal vergeten, is wat ik aantrof in het dorp Kigapaga. Ik was naar Kigali gevlogen en had alle medewerkers achtergelaten, men durfde niet, maar ik vond: ik moet daarnaartoe. In dat dorpje was iedereen vermoord. Iedereen. De huizen zagen er normaal uit, alleen de deuren stonden open en ze waren leeg. Op straat lagen overal lijken, in de voortuintjes kinderlijkjes met daarnaast hun poppen. Op een pleintje zagen we een door honden tot op het bot afgekloven jongenslichaam. Ik heb beelden in mijn herinnering gegrift staan van over de hele wereld, van Gaza, Somalië, Soedan, Cambodja, Libië, ik ben overal geweest. Maar als je mij vraagt: wat is het ergste beeld dat je ooit hebt gezien met betrekking tot oorlog en geweld, dan was het Rwanda. Die bewuste afslachting van mensen op zo’n grote schaal.’

U schrijft: ‘Ik weet hoe massamoord ruikt.’

‘Ja. Die geur ben ik nooit kwijtgeraakt. Raar, hè? Die kwam je tegen op plekken waar veel mensen waren omgebracht. Niet een paar, maar een massa. Die ligt dus te verrotten. Die geur is... ja, indringend.’

‘Heel veel conflicten in de wereld zijn het gevolg van een koloniaal verleden’, zegt Pronk later in het gesprek. ‘Dat is ook het geval geweest in Rwanda. Daar zijn de onderlinge verschillen tussen de Hutu’s en de Tutsi’s, die in vroeger tijden vreedzaam samenleefden, uitvergroot door de Belgische kolonisatoren, die iedereen identiteitskaarten gaven waarop stond of je een Hutu of Tutsi was; de Tutsi’s kregen een voorkeursbehandeling. De Tutsi’s zijn gaan geloven in hun eigen superioriteit doordat zij door de westerse kolonisatoren op een voetstuk werden geplaatst. Dat zie je eigenlijk in alle landen met een koloniaal verleden. Bestaande verschillen werden uitvergroot. Verdeel en heers. Dat hebben wij ook in Suriname en Indonesië gedaan. Geen kolonisator die zich daar niet schuldig aan heeft gemaakt. Veel landen betalen daar nu nog de prijs voor.’

Begrijpt u hoe die hersenspoeling werkt, waardoor mensen zover gaan dat ze hun eigen familieleden vermoorden, zoals dat door de Hutu’s in Rwanda werd gedaan?

‘Dat zal niemand ooit volledig begrijpen, maar in belangrijke mate is dat het gevolg van dwang en angst. Als jij het niet doet, dan maken ze jou af. Er was vanaf het midden van de vorige eeuw een haatzaaicampagne tegen de Tutsi’s op gang gekomen in Rwanda. Ik schrijf in mijn boek dat we daar onvoldoende oog voor hebben gehad in de jaren tachtig. Het werd bedekt, daardoor kon het doorgaan. De Hutu-leiders die aan de macht kwamen, zetten hun achterban tegen de Tutsi’s op. Dat waren nu de ‘anderen’, de minderwaardigen die jou wat aan wilden doen, dus moest je hen als eerste wat aandoen. Dan volgt er wraak, het houdt nooit meer op. En achter dat moorden zitten altijd leiders, instigatoren.’

‘Het is niet zozeer de slechtheid van de mens, maar het is angst. Dat ging ook heel ver in Oeganda bij het Verzets-leger van de Heer en ik heb het ook gezien in Mozambique: kinderen hun vader laten vermoorden, dat was strategie. Als je dat hebt gedaan, ben je kennelijk helemaal in de ban van diegene die jou die opdracht heeft gegeven. Die mensen zijn zelf ook slachtoffer.’

In Somalië zag u aan de ene kant van de weg mensen over de grond kruipen, ze konden niet meer. Aan de andere kant van de weg was een vluchtelingenkamp waar eten en drinken was, maar de hulpverleners waren te druk om ze op te halen, waardoor ze stierven. Had u daar de neiging zelf mensen naar de overkant van de straat te helpen?

‘Ik ben altijd naar de allerergste situaties gegaan omdat ik vond dat ik daar moest zijn als minister van Ontwikkelingssamenwerking. Je moet zelf zien, voelen, horen, ruiken, proeven wat er speelt, zonder dat kun je geen goed beleid voeren. Ik heb daar veel geleerd van hulpverleners en artsen. Geconfronteerd met dood, ellende, gewonden en rampen zijn ze er altijd en ze gaan altijd door. Maar ze kunnen niet alles, ze hebben te weinig middelen en de rampen zijn te groot. Wat ik op zo’n moment in Somalië kon doen, was zorgen dat er voldoende hulp kwam.’

In dit geval had u maar één mogelijkheid om te helpen en dat was zelf met mensen gaan slepen.

‘Ja, dat was... dat was... daar ging je van huilen. Je zag ze kruipen en als ze het zelf niet haalden, werden ze niet toegelaten. Dat was iets keihards, ik heb het nooit begrepen. Men ging het kamp niet uit om de mensen op te halen. Van mij zou het ook niet geaccepteerd zijn als ik mensen naar binnen had gebracht.’

Waarom niet?

‘Ik weet niet wat er dan gebeurd zou zijn, maar kijk, ik was ook solidair met de hulpverleners. Zij doen het werk, in jouw opdracht. En ik kwam hen niet corrigeren, ik kwam hen steunen. Dat doe je door er te zijn, vragen te stellen, te luisteren, niet door te corrigeren.’

Dus dat wint het dan van de paar mensen die u had kunnen redden. Dat lijkt me heftig.

‘Ja, dat was het. Dat was het. Toen ik in de Tweede Kamer verslag uitbracht van dat bezoek aan Somalië, ben ik gaan huilen, dat is de enige keer geweest dat ik emotioneel ben geworden. Ik kon niet verder praten. Ik zag al die hulpverleners weer voor me. Hoe zij zich inzetten en in welke problemen zij zaten. Want zij doen het werk, we mogen ze niet laten stikken. Maar we laten ze zo vaak stikken, om maar niet te spreken van alle slachtoffers die we nog erger laten stikken.’

Beeld Martin Dijkstra

Roméo Dallaire, de Canadese commandant van de VN-missie in Rwanda, kreeg later een zware emotionele terugslag ten gevolge van wat hij in Rwanda had meegemaakt, ook omdat hij zichzelf verwijten maakte. Voelde u zich ook schuldig?

‘Ja, dat bén je. Want je bent verantwoordelijk. Alleen, je kunt die verantwoordelijkheid alleen maar tot uitdrukking brengen binnen het kader van de instructies die je hebt gekregen. Je vraagt bijvoorbeeld: mogen we van de ene partij de wapens afnemen waarmee ze de andere partij vermoorden? Dat mocht Dallaire niet, dat werd hem verboden. De genocideplegers waren de schuldigen, maar de internationale gemeenschap was medeverantwoordelijk omdat men zich heeft afgewend. Wij hebben onvoldoende gedaan om deze catastrofe, waarbij meer dan een miljoen mensen zijn omgekomen, te voorkomen. Het leert je dat je instructies soms moet negeren. Je mόét wel. Want die worden gegeven op een veilige afstand in New York, Brussel, Den Haag of waar dan ook. Wat wij in Srebrenica hebben gedaan, was het precies opvolgen van de instructies. Daarvan zijn zevenduizend mensen de dupe geworden.’

Paul Kagame, de huidige president van Rwanda die met het Rwandees Patriottisch Front een einde maakte aan de genocide, maakte de VN scherpe verwijten: de bevolking dacht dat de VN-missie Unamir hen zou beschermen, maar de VN nam alleen buitenlanders onder haar hoede, deed niets voor de Tutsi’s, trok weg en liet de bevolking afslachten. Unamir, zei hij, bood schijnzekerheid aan een bevolking die beter naar het Patriottisch Front had kunnen vluchten.

‘Dat is het punt. Je zegt dat je ze beschermt, maar je doet het niet. Dat hebben wij ook gedaan in Srebrenica. We gingen heel ver daarin. We hebben zelfs de wapens afgenomen van Srebrenica-commandant Naser Orić.’

Heeft u zich in al die jaren weleens afgevraagd of ontwikkelingshulp eigenlijk zelfoverschatting is?

‘Als je ontwikkelingshulp alleen maar geeft in de vorm van geld en noodhulp, zeg ik ja. Maar als je bezig bent met een totaalaanpak en dat betekent dus vredesbeleid, politieke onderhandelingen over mensenrechten, staatsvorming, handel op een zodanige manier dat jij er niet beter van wordt, maar zij, dan geloof ik niet dat het zelfoverschatting is.’

Onlangs was Oxfam Novib in opspraak vanwege seksueel wangedrag van hulpverleners. Hoe kijkt u daar tegenaan?

‘Het mag absoluut niet. Het komt overigens minder voor dan nu wordt gezegd, maar je moet er als leiding heel alert op zijn. Humanitaire hulpverleners staan erg onder druk. Sommigen worden met de dood bedreigd. Velen - vaak jonge mensen - voelen zich machteloos in het zicht van de ellende die zij zien, maar niet kunnen veranderen. Dat soort stress komt het moreel niet ten goede. Dat wordt in Europa niet altijd goed begrepen. Maar hoe dan ook: stress is geen excuus voor wangedrag.’

Kunt u een Afrikaans land noemen dat zich dankzij onze hulp aan armoede heeft kunnen ontworstelen?

‘Daar is veel tijd voor nodig en ontworstelen is definitief. Dus: nee. Maar op het terrein van gezondheidszorg en onderwijs is er heel veel tot stand gebracht. Er gaan veel minder kinderen dood dan in de jaren zeventig. Er gaan veel meer kinderen naar school. Je bent er niet mee, want daarna hebben ze geen baan. Dus het is allemaal veel ingewikkelder dan het lijkt, maar hoe dan ook, er is veel tot stand gebracht. Er zijn ook burgeroorlogen tot een einde gebracht door goede interventies, bijvoorbeeld in Mozambique.

‘Ik heb in Nederland het budget voor ontwikkelingshulp naar 0,7 procent van het nationaal inkomen gekregen in 1975, daar kun je veel goeds mee doen. Alleen, dat is nu weg. De PvdA heeft dat, ffffftt, weggegooid. Dat is kwalijk.’

Veel mensen geloven niet meer in ontwikkelingshulp.

‘Ja, dat is zo, omdat men niet goed weet wat het inhoudt. En er worden fouten gemaakt, ja. Maar als je niet betrokken bent, worden er óók fouten gemaakt en zijn er veel meer mensen slachtoffer. Bovendien: alle ontwikkelingssamenwerking is voor een belangrijk deel een correctie op een pervers koloniaal beleid in het verleden. Wij zijn mede rijk geworden door koloniale relaties. Ik vind dat die landen gelijk hebben als ze zouden zeggen: ontwikkelingshulp willen we niet, we willen een herstelbetaling. Compenseer ons maar. Want het is ons geld. Jullie hebben het afgepakt, we willen het terug. Dat geldt voor zoveel Afrikaanse landen. Maar ze zeggen het niet, ze zijn te beleefd. Ze zijn zó beleefd. En zodra die mensen ons de waarheid zeggen, worden we boos, kijk naar de zwartepietendiscussie. Dat is eigenlijk de continuering van een koloniale en discriminerende houding uit het verleden. Maar je moet begrijpen waarom mensen zich tegen ons verzetten. Ook in het hele Midden-Oosten. Dat hebben wij, net als Afrika, gemaakt zoals het is. Met allemaal grenzen door alles heen. Op een gegeven moment gaat dat fout. Dan komen er conflicten, want die grenzen hebben ze niet zelf getrokken. En als het dan leidt tot een gigantische clash, doen we niks. We kijken weg. In Syrië hebben we totaal weggekeken, terwijl we het probleem zelf groter hebben gemaakt dan het was.’

Iets later: ‘Ik vind het beschamend. Ik moet zeggen: vroeger was het anders. Tegenwoordig worden mensen niet meer geraakt. Ze worden gemanipuleerd in de richting van: die vluchtelingen zijn allemaal islamieten en ze komen onze dingen afpakken. We keren ons af, dat is echt veranderd. En dat weten ze in Afrika en het Midden-Oosten. De hekken die we hebben opgetrokken aan de randen van Europa zeggen hen: jullie zijn beter van ons geworden en nu laten jullie ons aan ons lot over. En eerlijk gezegd voedt dat bij sommigen ook de bereidheid om aanslagen te plegen. Helemaal niet op zo’n grote schaal als mensen vaak denken, overigens, maar het voedt de angst.’

Beeld Martin Dijkstra

Ziet u daarin een vergelijking met Rwanda: doordat we bang zijn, laten we anderen doodgaan?

‘Pertinent. De angst voor de ander, het opgezet worden tegen elkaar, ervan uitgaan dat de ander jou iets aan wil doen. Heeft u gehoord van George Bernard Shaw, de Engelse toneelschrijver uit de 19de eeuw? Een van zijn stukken heet Major Barbara, over een majoor uit het Leger des Heils. Een belangrijk deel van het stuk is een gesprek tussen haar en haar vader, een wapenhandelaar. Hij zegt op een gegeven moment: ‘Armoede? Dat is heel erg. Mensen die arm zijn, maken mij beschaamd.’ Dan denk je: nu gaat hij zijn leven beteren. Maar hij zegt: ‘They shouldn’t be there. Kill them!’ Met andere woorden: elimineer degene die mij in verlegenheid brengt, zodat mijn comfort niet verder wordt verstoord. Het is literair verwoord, maar het is exact onze perverse reactie op de armen in de wereld: ze horen er niet te zijn. Dus we zien ze niet. Veel mensen denken dat het vanzelf wel goed komt, maar de boodschap van mijn opvolger mevrouw Ploumen - ‘Africa rising’ en ‘India shining’ - is onzinnig. Dan kijk je alleen naar diegenen met wie het goed gaat. En dan bedenken we dat als je hen verder helpt, met handel en zo, dat het doorsijpelt naar de onderlaag. Nou, de kernboodschap van ontwikkelingseconomen is: het sijpelt niet door. Je moet juist bezig zijn met de onderklasse, de gigantische groep die altijd het slachtoffer is. Kinderen bijvoorbeeld. Daar kun je niet van wegkijken.

‘Ik ben nu pessimistisch over Afrika. Vaak is er geld beloofd zonder die belofte waar te maken. Dan gold het smoesje dat de Afrikaanse Unie corrupt was. Natuurlijk is er corruptie in Afrika, maar als dat de norm is, laat je de mensen daar in de steek. Daardoor willen ze ook weg. Vandaar die gigantische stromen van vluchtelingen, door heel Afrika heen, en een aantal gaat ook onze kant op. Je zag het ook in Syrië, waar het beloofde geld maar niet aankwam en er een vluchtelingenstroom op gang kwam. En dan gaan wij onze grenzen sluiten; stoppen, wegwezen, we hebben een deal. Vervolgens zeggen we dat die deal werkt, want ze komen niet meer. Ja, geen wonder. We houden ze tegen. Maar zij zitten daar nog steeds te creperen. Dat is de westelijke hypocrisie op dit moment. We denken alleen maar aan onszelf.’

Uw stellige overtuigingen hebben u de typering ‘agressieve betweter’ opgeleverd, Den Uyl noemde u ‘een gevaarlijk ideoloogje’. Op de begrafenis van uw vader, die schoolmeester was, zei u: ‘Eigenlijk was hij op school leuker dan thuis. Thuis was ik een beetje bang voor hem. Ook tegenover mijn moeder wist en kon hij het altijd beter en dat liet hij merken ook.’ Lijkt u daarin op hem?

‘Mijn vader was heel gelijkhebberig. Hij was thuis ook echt een schoolmeester. Voordat ik naar de basisschool ging, kon ik daardoor al lezen, op mijn 7de las ik de krant. Ik heb ook een klas overgeslagen, wat helemaal niet zo leuk is. Je bent altijd de jongste, de kleinste, de zwakste. Alle jongens kunnen beter voetballen dan jij. Ik ben me daartegen gaan wapenen door van alles te gaan organiseren. Maar ik vind van mezelf niet dat ik gelijkhebberig ben. Misschien denken andere mensen daar anders over. Ik verloor in 2007 de campagne om het partijvoorzitterschap van de PvdA van Ploumen omdat er krachten waren die zeiden: hij is te links, hij is te lastig. En dat was ook wel zo, ik was links en lastig. Je hebt veel politici die denken: wat vinden de mensen? Dan vind ik dat ook, ook al vind ik het niks. Dat is niet mijn lijn. Maar diezelfde Den Uyl, die dat zei van dat ideoloogje, zei ook dat hij vond dat ik te makkelijk compromissen sloot. Misschien had hij gelijk. Ik ben niet voor niets de langstzittende minister geweest na Luns.’

Was u thuis de man die met Kerst het vlees aansneed of zelfs dat niet?

‘Ik was veel weg. Mijn vrouw was degene die het gezin bij elkaar hield. Maar ik heb geen belangrijke momenten gemist. Ehm... Denk ik. Ik zal best eens een verjaardag hebben gemist, als ik net op reis was. Mijn dochter kon weleens zeggen: je was er nooit. Maar mijn zoon zegt altijd: dat is helemaal niet waar. Sowieso doen zij het veel beter dan ik. Ze zijn echt met hun kinderen bezig, besteden veel tijd aan ze. Daar kijk ik met grote bewondering naar. Het is ook iets van deze tijd, hè. In mijn tijd was een papadag iets voor softies.’

Beeld Martin Dijkstra

U bent dertig jaar geleden van de ene op de andere dag gestopt met drinken nadat u onder meer dronken een greppel in was gereden. Heeft u daarna een andere manier gevonden om u te ontladen?

‘Ik ben gaan hardlopen. Ik nam mijn loopschoenen mee over de hele wereld. In Soedan rende ik met mijn beveiligers achter me aan. Ik houd erg van lijstjes, schrijf altijd alles systematisch op. Op iedere plek waar ik had gelopen, noteerde ik precies de route en de tijd. En als ik dan terugkwam, in Maputo ofzo, dan probeerde ik het sneller te doen dan de vorige keer. Dat lopen heeft me erg geholpen, mijn conditie was niks meer na die drank. Die heb ik dus behoorlijk op weten te vijzelen. Maar hardlopen kan ik nu niet meer, dat is voorbij sinds mijn hartinfarct. Ach, dat is het ergste niet. Het belangrijkst is dat je er nog bent.’

CV Johannes Pieter (Jan) Pronk

16 maart 1940 Geboren in Scheveningen

1965-1964 Economie, Erasmus Universiteit Rotterdam.

1965-1971 Wetenschappelijk medewerker Nederlands Economisch Instituut.

1971-1973 Lid Tweede Kamer.

1973 Lid Europees Parlement.

1973-1977 Minister voor Ontwikkelingssamenwerking (kabinet-Den Uyl).

1978-1980 Kamerlid.

1980-1986 Adjunct-secretaris-generaal bij de Unctad.

1986-1989 Kamerlid.

1989-1995 Minister voor Ontwikkelingssamenwerking (kabinet-Lubbers III).

1994-1998 Minister voor Ontwikkelingssamenwerking (kabinet-Kok I).

1998-2002 Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (kabinet-Kok II).

2002-2004 Buitengewoon hoogleraar Theorie en praktijk van de internationale samenwerking, ISS, Den Haag.

2004-2006 Speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN in Soedan.

2006-heden Buitengewoon hoogleraar Theorie en praktijk van de internationale samenwerking, ISS (nu emeritus).

Jan Pronk is getrouwd en heeft een zoon en een dochter.

Op 28 mei 2013 zegde hij zijn lidmaatschap van de PvdA op.

Vandaag verschijnt zijn boek Strijd rond de grote meren. Onderhandelen over vrede en recht in het hart van Afrika bij uitgeverij LM Publishers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.