Interview Ad Kerkhof

Oud-hoogleraar suïcidepreventie Ad Kerkhof: ‘Er zijn nogal wat artsen, verpleegkundigen en psychologen die van zelfdoding helemaal niets begrijpen’

Beeld Antonia Hrastar

De juiste opvang en nazorg kan het aantal suïcides – nog op hetzelfde niveau als 25 jaar geleden – doen dalen, zegt Ad Kerkhof. Maar de hulpverlening schiet tekort. De oud-hoogleraar suïcidepreventie stapt daarom met een petitie naar het ministerie.

Nog altijd zijn er hulpverleners die denken dat een poging tot zelfdoding een schreeuw om aandacht is, dat wie echt dood wil toch niet valt tegen te houden en dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen serieuze pogingen en flutaanleidingen (een vriendje dat het uitmaakt bijvoorbeeld). Veertig jaar geleden, aan het begin van zijn carrière, onderzocht hoogleraar suïcidepreventie Ad Kerkhof hoe medisch personeel in ziekenhuizen mensen opvangt na een suïcidepoging. Toen dat onderzoek twee jaar geleden werd herhaald, bleek er weinig veranderd: jaarlijks belanden 15 duizend mensen op de spoedeisende hulp na een poging zichzelf van het leven te beroven en nog steeds geven artsen en verpleegkundigen aan dat ze onvoldoende tijd en kennis hebben om die patiënten goed bij te staan. En nog altijd heerst er vijandigheid. Eenvijfde van de hulpverleners erkent dat ze patiënten niet altijd respectvol behandelen.

Het is een onderwerp dat Kerkhof (66) nooit heeft losgelaten. Een half jaar geleden nam hij afscheid als hoogleraar, maar als klinisch psycholoog behandelt hij een paar dagen in de week nog patiënten en nabestaanden en wat hij van hen hoort, stemt hem soms droef. In zijn werkkamer op de zolderverdieping van zijn huis in Leiden, met rechts naast de zithoek een kastwand vol boeken over het onderwerp, kan hij midden in een rustig betoog opeens fel uithalen. ‘Er zijn nogal wat artsen, verpleegkundigen en psychologen’, zegt hij, ‘die er helemaal niets van begrijpen. De grootste fout die ze maken: denken dat zelfdoding een vrije keus is.’

De afgelopen maanden heeft hij een petitie helpen opstellen om aandacht te vragen voor een betere opleiding van hulpverleners. Als je weet dat de kans op herhaling groot is, zegt hij, dat 50 tot 60 procent van de mensen die overlijden door suïcide al eerder een poging heeft gedaan, dan ligt daar dus een belangrijke sleutel om het aantal zelfdodingen omlaag te krijgen, bij een goede eerste opvang, meer begrip en de juiste nazorg. Brits onderzoek heeft uitgewezen dat een betere opleiding van hulpverleners veel kan uitmaken, vertaald naar de Nederlandse situatie zouden daarmee jaarlijks tientallen zelfdodingen en honderden pogingen per jaar kunnen worden voorkomen, zegt Kerkhof. Maar waar blijft die opleiding? En waarom is scholing over het onderwerp zo vrijblijvend?

Over ruim een maand gaat hij, met de petitie in de hand, naar het ministerie van Volksgezondheid in de hoop dat suïcidepreventie wordt opgenomen in de wettelijke opleidingseisen voor artsen, verpleegkundigen en psychologen. De petitie wordt ondersteund door een groot aantal nabestaanden, een korpspsycholoog van de politie, de NS, ProRail, een GGD, GGZ Nederland en zelfs door het NIP, de beroepsvereniging van psychologen. De beroepsopleidingen geven al jaren niet thuis, zegt Kerkhof. ‘Het geld ontbreekt en het rooster zit overvol, dat is wat we aldoor te horen krijgen. Maar dit gaat over leven en dood, er is nu een zetje van het ministerie nodig. Het gaat om pakweg vier extra dagen op een opleiding van vier jaar. Waar hebben we het over?’

Vorig jaar pleegden 1.829 mensen suïcide, het zelfdodingscijfer zit nog op hetzelfde niveau als 25 jaar geleden. Veelal onnodige, onvrijwillige, onbegrepen en eenzame suïcides, zei Kerkhof in zijn afscheidsrede.

Hoe ver is het wetenschappelijk onderzoek naar suïcide, wat heeft u de afgelopen veertig jaar geleerd?

‘Er is veel onderzoek gedaan onder mensen die suïcidale gedachten hebben of die een poging hebben overleefd. Daaruit weten we dat er wetmatigheden zijn in de chaos en de emotionele ontreddering die zij ervaren. Ze hebben het gevoel dat ze in een ondraaglijke situatie zitten, raken geobsedeerd door de problemen, komen daar niet uit, gaan lopen piekeren. Zelfkwelling noemen we dat: tegen jezelf zeggen dat je niet goed genoeg bent en dat honderd keer per dag. Ze komen terecht in een gedachtenproces waar ze geen controle meer over hebben, suïcide wordt een soort nooduitgang, maar denken aan die mogelijkheid wordt ook weer een dwang. Zo ontstaat een angstige maalstroom aan gedachten en beelden waar ze niet meer tegenin kunnen, want niets doen voelt nog veel erger. Ik zou het liever niet doen, zeggen ze, maar ik moet het doen omdat ik mijn gevoelens en mijn gedachten niet meer verdraag. Mensen krijgen dan onweerstaanbare aanvechtingen om eruit te stappen. En dat proces is zo eenzaam.

‘Hulpverleners hebben door hun gebrek aan opleiding vaak geen idee van die psychologische processen, ze snappen niet hoe mensen tot de overtuiging kunnen komen dat ze er maar beter niet meer kunnen zijn. En dat leidt tot onprofessioneel handelen.’

Wat is het gevolg, wat gaat er mis in de hulpverlening?

‘Het allerbelangrijkste is: contact maken, práát over die suïcidaliteit, want dat is het meest intense wat patiënten bezighoudt. En het spijt me wel, maar ik zie nog veel hulpverleners die daar niet goed in zijn. Patiënten komen na een poging op de spoedeisende hulp en er wordt niet gesproken over wat er is gebeurd. Want de verpleegkundige weet niet hoe ze moet reageren, de arts denkt dat het niet zijn taak is om zo’n gesprek te voeren en de psychiater die wordt opgeroepen slaat vaak aan het taxeren, loopt een lijst met vragen na om te kunnen bepalen of patiënten moeten worden opgenomen.

‘Als we patiënten vragen wat ze vonden van de gesprekken in het ziekenhuis, zeggen ze vaak dat ze zich afgewezen voelden. De dokter zat een lijstje af te vinken, vertellen ze, alsof ze een splinter in hun vinger hadden. Terwijl als daar, bij de eerste opvang, iemand zit die goed met je praat, dan kan dat zoveel uitmaken. Er is een landelijke richtlijn, als alle psychiaters en psychologen en huisartsen en verpleegkundigen die zouden volgen, zou dat heel veel schelen. Maar dat moeten ze dan wel eerst leren.’

En dat gebeurt niet?

‘Er zijn een aantal huisartsenopleidingen die nu een scholingsdag suïcidepreventie organiseren, en dat is al heel wat. De meeste verpleegkundigen en artsen op een spoedeisende hulp hebben die opleiding nooit gehad, terwijl zij al die patiënten na een suïcidepoging zien binnenkomen. Ook psychologen worden nauwelijks geschoold. Bij psychiaters is de theoretische basis wel aanwezig, merk ik, maar ze missen vaak de gespreksvaardigheden. Er wordt van uitgegaan dat zij het in de praktijk wel leren. Maar ze zijn helemaal niet voorbereid op de heftige problemen die ze dan tegenkomen. Het komt vaak genoeg voor dat ze door de zelfdoding van een patiënt getraumatiseerd raken. Ik heb collega’s in behandeling gehad die vanwege de suïcide van een patiënt een posttraumatisch stresssyndroom hadden opgelopen.’

Zo’n 40 procent van alle mensen die suïcide plegen, was in behandeling bij de ggz, bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, zo blijkt uit cijfers van de Inspectie. Wat zegt dat?

‘Dat zijn er veel inderdaad, maar dat wil niet zeggen dat die patiënten allemaal slecht geholpen zijn, het geeft aan hoeveel mensen wanhopig zijn. Zonder de ggz was het aantal zelfdodingen nog veel hoger geweest, ervaren hulpverleners zijn vaak wel effectief in het voorkomen van suïcides, maar dat lukt niet bij iedereen. Ik heb in mijn praktijk ook drie suïcides meegemaakt.’

Wat deed dat met u?

‘Dat was vreselijk. Ik ging het hele dossier teruglezen. Wat had ik fout gezegd? Had ik het kunnen zien aankomen? Hulpverleners denken vaak dat het hun fout is, dat ze iets niet gezien hebben.’

Kun je daar als hulpverlener iets van leren?

‘Dat het soms razendsnel kan gaan, van niks naar honderd. Patiënten zijn ’s ochtends soms nog gewoon vrolijk, en ’s avonds dood. Zo’n terugval zie je lang niet altijd aankomen, opeens schieten hun gedachten dan in een kramp: zie je wel, het wordt niks met mij. Er zijn ook patiënten die zich kunnen verbijten, die niemand laten zien hoe slecht ze zich voelen, jongeren die hun ouders niet tot last willen zijn en dus niks vertellen.

‘En je leert ook hoe belangrijk het is om samen te werken met de familie. Wij moeten ouders en partners helpen om hun beschermende taak zo goed mogelijk te doen. Wat moeten ze zeggen en doen of juist nalaten? De familie is verantwoordelijk voor de veiligheid van de patiënt en die kunnen wij als hulpverlener nooit overnemen. Soms vragen patiënten me om hun suïcidegedachten geheim te houden voor hun dierbaren, dat weiger ik altijd.’

Ad Kerkhof

Schendt u dan niet het beroepsgeheim?

‘Er is in onze beroepsgroep een debat gaande over de vraag wanneer je nou je zorgplicht moet laten prevaleren boven de geheimhoudingsplicht. Ik zeg: altijd. Er zijn nog veel collega’s die een suïcidewens geheimhouden, met soms desastreuze gevolgen. Als patiënten je vragen om geheimhouding, moet je dat niet honoreren, zo’n verzoek bewijst hoe ver ze buiten de werkelijkheid zijn komen te staan.’

Hij vertelt over een programma dat wordt gebruikt op spoedeisendehulpafdelingen in Zwitserland. ‘De opzet is simpel. Zodra patiënten aanspreekbaar zijn, nodigt een psycholoog of psychiater of een speciaal opgeleide verpleegkundige ze uit om te vertellen. Wat was er nou zo erg dat ze het leven niet meer konden verdragen? Hoe krijgen ze hun gedachten weer onder controle? Dat gesprek wordt opgenomen op video en de volgende dag kijken ze met de patiënt de video terug. Het is een soort selfie, zeg maar. En dan gaan ze praten over de antwoorden, dan vragen ze: als je dit nou zo ziet, wat zou je dan tegen jezelf kunnen zeggen om het de volgende keer anders te doen? Patiënten zijn het contact met de realiteit vaak kwijt, je kunt ze op die manier proberen terug te halen.’

Onderzoek wijst uit dat zo’n aanpak werkt, patiënten doen daarna minder vaak een nieuwe poging. Dat kan op lange termijn effect hebben op het zelfdodingscijfer, zegt Kerkhof: de belangrijkste voorspeller van suïcide, dat zijn eerdere pogingen. ‘Zo’n programma zou heel goed in Nederlandse ziekenhuizen kunnen worden opgezet. Waarom helpen we patiënten met een gebroken been wel altijd op de juiste manier en waarom lukt dat bij deze groep zo vaak niet?’

Wat fascineert u aan dit onderwerp?

‘In de aanloop naar suïcide komt alles samen wat in de psychologie wordt bestudeerd: gedrag, persoonlijkheid, piekeren, perfectionisme, levensgeschiedenis, trauma. Er zijn niet veel wetenschappers die zich bezig willen houden met suïcide, ik denk dat veel mensen er toch bang voor zijn.’

Bang?

‘Er is iets met zelfdoding wat wetenschappers, hulpverleners en misschien ook journalisten angstig maakt. Ze blijven op afstand, verdiepen zich liever niet in de gedachten en ervaringen die tot suïcide kunnen leiden. Voor veel mensen is het lastig om zich een voorstelling te maken van hoe een ander tot zo’n daad komt. Dan zou je misschien tot de overweging kunnen komen dat het voor jouzelf ook een optie kan zijn in moeilijke omstandigheden. Als je dat idee niet wilt toelaten, kun je je maar beter niet inleven in wat andere mensen meemaken.’

Dat is een hard oordeel over uw collega’s.

‘Toen ik hoogleraar suïcidepreventie werd in Amsterdam, kwam er een collega-hoogleraar naar me toe die zei: daar kun je toch geen onderzoek naar doen, dat heeft toch niks met psychologie te maken. In zo’n opmerking zit zo veel onbegrip. Wie een suïcidepoging doet, is in de ogen van velen gek. En dat idee leeft nog steeds.’

Wilt u praten over zelfdoding of wilt u hulp op dit gebied? Bel 113 Zelfmoordpreventie: 0900-0113. Of neem contact op via 113.nl.

Verhalen van nabestaanden

‘Op de dag van zijn overlijden heeft mijn zoon nog contact gehad met de psychiater. Die zei hem niet te kunnen helpen. De geestelijke nood zou niet ernstig genoeg zijn.’

‘Mijn broertje heeft vlak voor zijn suïcide nog contact opgenomen met de crisisdienst en de spoedpost van het ziekenhuis en daar een hulpvraag neergelegd. Tevergeefs.’

Het zijn passages uit de bundel Hoopvolle aanpakken, indringende verhalen die volgende maand wordt uitgegeven door de Ivonne van de Ven stichting, die zich inzet voor suïcidepreventie. Nabestaanden en hulpverleners vertellen daarin soms hoopgevende verhalen, maar toch is het beeld dat de familie schetst vaak treurig: hulpverleners die de patiënt niet serieus namen of suïcidale gedachten negeerden, die niet de juiste toon wisten te treffen in de gesprekken, die te weinig oog hadden voor de veiligheid, en die, vanwege privacyregels, niet wilden samenwerken met de familie. De zus van een 22-jarige student die vorig jaar overleed na suïcide: ‘Hulpverleners hebben ons amper betrokken. Wanneer ik mijn zorgen telefonisch deelde, werd er gevoelsmatig al opgenomen met een zucht.’

Ad Kerkhof schreef het voorwoord en concludeert dat hulpverleners met de familie en de partner van de patiënt een bondgenootschap moeten sluiten: ‘Zij moeten eenzelfde benadering uitstralen: jij bent de moeite waard en we willen je niet kwijt.’

Zit er een limiet aan het aantal mensen dat je kunt kennen? Wat bewijst de uitslag van een schriftelijke test eigenlijk? In onze Grote Vragen Podcast beantwoorden we ‘vragen waar je nooit over na hebt gedacht maar plotseling dolgraag een antwoord op wilt hebben’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden