Oppassen met hagelslag, want de fabrikant zal het niet zeggen

Allergiepatiënten hebben vaak weinig aan het etiket van voedselproducten...

Het waren boterhammen met pure hagelslag die wetenschappers van TNO in Zeist ertoe brachten om onderzoek te doen naar onbedoelde allergenen in voedingsmiddelen. Een 38-jarige vrouw met een koemelkallergie had zich bij het UMC Utrecht gemeld met een ernstige allergische reactie: tintelende lippen, gezwollen ogen, niesbuien en misselijkheid. De klachten waren ontstaan na het eten van pure hagelslag. Dat was opmerkelijk omdat op de verpakking melkeiwitten niet als ingrediënt stonden vermeld.

Via het ziekenhuis kwam het pak hagelslag terecht bij de divisie Kwaliteit van Leven van onderzoeksorganisatie TNO. Daar werd vastgesteld dat er wel degelijk melkeiwitten in zaten. Een analyse van nog eens elf pakken pure hagelslag toonde aan dat het niet om een incident ging: in alle hagelslag bleek koemelkeiwit te zitten, variërend van 2 tot 3.547 milligram per kilo. Op slechts drie pakken werd de mogelijke aanwezigheid van dat allergeen genoemd.

TNO-onderzoekers ontwikkelden daarop samen met het UMC Utrecht en de Universiteit Utrecht een methode waarmee het aantal consumenten kan worden geschat dat allergisch reageert op een bepaalde concentratie allergeen in een product. Zo kan worden bepaald welke concentratie aanvaardbaar is voor de gezondheid. Die kan worden gebruikt als drempelwaarde bij het etiketteren. De onderzoekers schreven er vorige maand over in het vakblad Food Additives & Contaminants.

De methode kan de informatie op etiketten betrouwbaarder maken, zegt Geert Houben, programmaleider voedselveiligheid bij TNO Kwaliteit van Leven. Mensen met een voedselallergie (1 à 2 procent van de volwassenen) worden nu te vaak op het verkeerde been gezet, zegt hij. ‘Er is veel te weinig samenhang tussen wat er op het etiket staat en wat er werkelijk in een product zit.’

Als allergenen, zoals ei, melk en pinda, bewust aan een product worden toegevoegd, geldt de verplichting die te vermelden op het etiket. Problemen ontstaan als allergenen onbedoeld in een voedingsmiddel terechtkomen door kruisbesmetting. Dat kan gebeuren tijdens het vervoer van grondstoffen of wanneer, zoals bij de hagelslag, na het produceren van een voedingsmiddel restanten van een allergeen in de productielijn achterblijven.

Veel producenten vermelden dat niet op de verpakking. Onduidelijk is echter wanneer dat noodzakelijk is omdat niet is vastgelegd welke concentraties nog acceptabel zijn. Er zijn ook producenten die uit voorzorg op tal van voedingsmiddelen de mogelijke aanwezigheid van allergenen vermelden (‘Kan sporen bevatten van’), ook als de kans daarop minimaal is. Dat heeft als nadeel dat het de voedselkeuze van allergiepatiënten onnodig beperkt.

Minister Klink van Volksgezondheid stelde vorig jaar in de Voedingsnota dat er naar een oplossing moest worden gezocht voor de problemen met de etikettering. Een uniforme, bruikbare methodiek ontbrak echter tot nu toe.

De TNO-methode maakt gebruik van probabilistische technieken, legt Houben uit, waarbij drie variabelen in een computerprogramma worden gecombineerd. Allereerst de concentratie van het onbedoelde allergeen in een product. Daarnaast het aantal consumenten dat een bepaald voedingsmiddel nuttigt en de hoeveelheid die ze ervan eten. Daarvoor wordt gebruikgemaakt van de nationale voedselconsumptiepeiling, met als uitgangspunt dat het voedingspatroon van allergische consumenten vergelijkbaar is met dat van consumenten zonder allergie.

De gevoeligheid van allergiepatiënten is de derde variabele. Die informatie komt uit studies waarbij de dosis van een bepaald allergeen is opgevoerd om vast te stellen wanneer patiënten klachten krijgen. Het zijn onderzoeken die vaak in ziekenhuizen zijn uitgevoerd, ten behoeve van patiënten zelf, zegt Houben. De gevoeligheid voor een allergeen kan sterk uiteenlopen. ‘Sommige kinderen die allergisch zijn voor eiwit uit kippeneieren, reageren op microgrammen, maar er zijn er ook die dat pas doen bij ruim een gram. Dat scheelt een factor miljoen.’

In de loop van dit jaar komen gevoeligheidsonderzoeken beschikbaar van de meeste allergenen waarbij kruiscontaminatie kan voorkomen, zegt Houben. TNO verzamelt alle studies en zet de gegevens in een databank. De combinatie van de drie variabelen geeft duizenden uitkomsten. Zo vertoont een allergiepatiënt die heel gevoelig is maar heel weinig eet van het product geen reactie, terwijl een patiënt die minder gevoelig is maar er veel van eet weer wel reageert. Die reactie is weer afhankelijk van de concentratie van het allergeen. Voor elk voedingsmiddel, voor elk allergeen, voor mannen en vrouwen, voor volwassenen en kinderen, kunnen zo curves worden gemaakt.

Waarom het risico eigenlijk niet tot nul gereduceerd en de bovengrens van de concentratie allergenen bij de gevoeligste patiënten gelegd? Houben zegt dat die keuze ons eten onbetaalbaar zou maken. ‘Dan moeten de ruimten voor vervoer en opslag van producten steeds worden ontsmet en moeten fabrikanten hun productielijnen na een wisseling van product helemaal schoonmaken.’

Het is mede aan patiëntenorganisaties, artsen en overheden om te bepalen welk risico maatschappelijk aanvaardbaar moet worden geacht, zegt hij. Hoeveel patiënten mogen bij het eten van een voedingsmiddel maximaal een reactie vertonen, en wat voor soort reactie mag dat zijn? ‘Als dat vastligt, is het voor ons eenvoudig vast te stellen wat de maximale concentratie van het allergeen mag zijn. Alles wat daaronder blijft, hoeft dan niet meer op de verpakking te worden vermeld.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden