Zin van het leven Marjoleine de Vos, NRC-columnist, dichter en essayist

‘Opgaan in iets of iemand, dat is volop leven’

Marjoleine de Vos. Beeld Jitske Schols

Toen bleek dat ze kinderloos zou blijven, bezocht Marjoleine de Vos jarenlang een katholieke kerk. Als ongelovige op zoek naar aanvaarding. Waarom is daar de kerk bij nodig?, wil Fokke Obbema weten.

Waar dient het allemaal toe? Als 15-jarig meisje kan Marjoleine de Vos ervan wakker liggen in de Amsterdamse Beethovenbuurt, begin jaren zeventig. ‘Ik begreep maar niet wat de zin van het leven kon zijn. Nu ga ik naar school, straks ga ik studeren, daarna zal ik mijn hele leven werken en dan ga ik dood. En dat is wat mijn ouders ook doen. Wat heeft dat voor nut?’

Houvast in de vorm van religie wordt haar niet geboden – haar vader, een ­zakenman, roept ‘christelijk imperialisme!’ bij het horen van kerkklokken, haar moeder ‘begrijpt niets van mensen die in God geloven’. Dus is De Vos ‘vanzelfsprekend’ ook ongelovig. Haar twijfels over het bestaan deelt zij niet met haar vriendinnen. Verwantschap voelt ze met melancholieke dichters als Kloos (‘Ik ween om bloemen in de knop gebroken’) en Lodeizen.

De studie Nederlandse taal- en letterkunde vloeit er logisch uit voort, al blijkt die keuze op een misvatting te berusten (‘Ik verkeerde in de foute veronderstelling dat we veel over literatuur en poëzie zouden discussiëren’). Haar studiejaren brengen haar in aanraking met schrijvers, die ‘richtinggevend’ zullen blijken. Zo maakt Willem Brakman diepe indruk op De Vos, wanneer hij stelt dat de wereld ons dagelijks ‘op onthutsend creatieve wijze’ ervan probeert te overtuigen dat het geen zin heeft ­iedere dag op te staan. ‘Ik dacht: ‘Hé, hier staat gewoon dat je het leven zinloos kunt vinden’. Ik begreep zijn achterliggende vraag. Soms heb je iemand anders nodig om de vraag die in jezelf sluimert, verwoord te krijgen.’

Ze wordt verliefd op de twaalf jaar ­oudere universitair docent, dichter en literair criticus Tom van Deel. Hun relatie zal dertig jaar duren, eindigend in 2009. Kinderen krijgen ze niet, tot haar grote verdriet. Kerk­bezoek biedt haar troost, al blijft ze ongelovig. Sinds 1987 is ze redacteur van NRC Handelsblad en ze ontpopt zich tot dichter en essayist. In haar NRC-column is zingeving een voornaam thema, aanvankelijk tot afgrijzen van atheïstische collega’s, Rudy Kousbroek voorop. Inmiddels is haar column een onomstreden, vast bestanddeel van de krant. De 61-jarige De Vos, die in een dorp in het noorden van Groningen woont, weet grote filosofische vragen met het alledaagse bestaan te verweven. Haar laatste boek gebundelde columns, Doe je best, bevat de typerende slotzin: ‘We leven. En we doen wat we kunnen.’

Wat is de zin van ons leven?

‘Een paar dagen geleden was ik aan het wandelen, toen ik misschien wel het beste antwoord bedacht: ‘Kom maar mee naar buiten en kijk eens even om je heen.’ Je ziet dan het licht, die veelheid van kleuren, geuren, schitteringen, overgangen, de ruimte. Het gaat om die ervaring, die woordloos binnenkomt. Dat zijn heus niet momenten waarop ik denk: wat is de zin van het bestaan? Die voel je dan.

‘Ik geloof niet dat zin het goede woord is. Dat suggereert iets dat gegeven moet zijn, iets hogers. Ik heb het liever over de betekenis van ons leven. Die kun je zelf aanbrengen of ergens in zien. De kunst is wel om daarin te blijven geloven. Als je betekenis ziet als een likje verf dat je hebt aangebracht, ligt daaronder de zinloosheid op de loer. Het is werk om het leven als betekenisvol te ervaren. Maar dat lukt meestal wel. Ik vind het leven betekenisvol, maar niet per se zinvol.’

Betekenisvol is bescheidener?

‘Ja, zinvol brengt je al bijna bij een ­hoger doel, al dan niet van goddelijke oorsprong. Betekenis kun je op allerlei momenten zien en vooral voelen. Ik geloof sterk in het aanhalen van de banden met het leven door concentratie en aandacht. Dat kan op een wandeling, maar vooral via de kunst of de poëzie. Kijk naar het videoschilderij van David Hockney waarin hij een bosrand intens scherp heeft gefilmd, dan zie je hoe opwindend rijk de werkelijkheid kan zijn. Geconcentreerd kijken maakt de wereld betekenisvol. Kunst intensiveert je band met het leven, je kunt je eraan overgeven. Opgaan in iets of iemand, dat is volop leven. Als je veel van iemand houdt, beleef je alles ook intenser.’

Is overgave in de liefde mogelijk?

‘Dat ben ik een ingewikkeld onderwerp gaan vinden, sinds ik tien jaar geleden ben gescheiden. Daarvoor vond ik het een stuk eenvoudiger en geloofde ik er absoluut in. Nu denk ik: misschien is totale overgave niet zo gezond. Nu heb ik een andere, evenwichtiger liefdesrelatie. Ik vind het ­tegenwoordig moeilijk algemene uitspraken over de liefde te doen, terwijl ik dat vroeger onbekommerd deed.’

U bleef kinderloos, wat betekende dat voor u?

‘Dat gaf een gevoel van betekenisloosheid, iets wat ik soms nog steeds weleens heb. Ik voelde me een los eindje, een dorre tak. Er komt niks uit je voort, bij jou houdt het op. Op een gegeven moment kon ik zelfs mijn ­eigen jeugdfoto’s niet meer zien. Toen ik nog dacht een kind te kunnen krijgen, was het leuk ernaar te kijken. Maar toen vaststond dat dat niet meer ging gebeuren, kreeg het iets verdrietigs.’

‘Ik heb altijd twee kanten gehad, een blijmoedige en een melancholieke. Ik kan veel plezier hebben in koken, literatuur, de slappe lach met vriendinnen. Ik ben niet somber, maar ik lijd bijvoorbeeld wel aan angst voor de leegte van de middag. Dan kan het zijn alsof alles stilstaat, of er geen enkele beweging meer in de wereld zit. Alsof je gevangen bent in die leegte.

‘Rond mijn 40ste, toen wel vaststond dat ik geen moeder zou worden, ben ik jarenlang vooral verdrietig geweest, misschien een beetje depressief. Ik dacht: ‘Ik kan nu net zo goed ineens 60 zijn, wat maakt het uit? De komende twintig jaar gaat er toch niks meer veranderen in mijn leven.’ Ik dacht niet aan de dood, zo ernstig was het niet, maar wel: laat de toekomst maar zitten.’

Leestip

Verzamelde Gedichten van Zbigniew Herbert, in de vertaling van Gerard Rasch. Herbert dicht over grote kwesties en alledaagse zaken. De wereld wemelt van details, net als zijn poëzie. Als hij tot een ‘zuivere gedachte’ wil komen, denkt hij aan een ‘groot en schoon water’. Maar dan ziet hij een golf ‘met blikjes/ hout,/ een plukje haar van iemand’. Wreedheid en domheid ziet hij in de wereld, maar ook schoonheid. Heldere, toegankelijke poëzie.’

Hoe hield u zich staande?

‘Ik probeerde me te verzetten tegen al te sombere gedachten. Een vriendin met hetzelfde probleem vond dat haar leven zonder kind helemaal geen waarde zou hebben. Daarvan dacht ik: ‘Dat moet ik niet tegen mezelf gaan zeggen. We zijn nog met zijn tweeën, ik hou van mijn man, we hebben het goed samen, wat een onzin om te zeggen: het leven heeft geen zin.’ Ik wilde ook niet in de proteststand terechtkomen en me voortdurend afvragen: waarom overkomt mij dit? Het lot is zo en je hebt je ermee te verstaan. Ik ben jarenlang naar een katholieke kerk gegaan. Dat was een manier om tot aanvaarding te ­komen.’

Wat kon de kerk u dan bieden?

‘Opgaan in iets groters. Een stapje achteruit kunnen zetten: je kunt je ­eigen lot wel enorm gaan uitvergroten, maar ik zag ook dat het klein leed was.’

Daarvoor kon u ook de krant ­lezen.

‘In de kerk kon ik meedoen met rituelen, waaraan ik troost beleefde. Ik geloofde in de woorden, die ik daar wel kon zeggen, maar erbuiten niet. Niet als waarheid, maar omdat het betekenisvolle formuleringen voor mij ­waren. ‘Heer, ontferm u’, vond ik bijvoorbeeld fijn om te vragen. Dat woord ‘ontfermen’ is heel mooi. Het betekende voor mij: sta mij bij. In een kerkdienst kon ik dat uitspreken. Buiten die context komen vragen als: is er wel een God, hoe moet je je die ontferming voorstellen? Maar ga je er op die manier tegenin redeneren, dan biedt dat geen enkele troost. Ik zei bijvoorbeeld ook graag de regel in het Onze Vader: ‘Aan U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid.’ Dan verruim je het perspectief door te benadrukken dat je er zelf niet over gaat: wat je overkomt, is buiten je ­eigen controle. Ik kon mijn ongeloof opschorten en zo verlichting van mijn lot ervaren. Tot ik aan het einde kwam van wat ik ermee kon bereiken.’

Hoe kijkt u er nu, met uw ratio, op terug?

‘(Schatert) Als een soort overspel van de ratio, dat nooit had mogen gebeuren! Nee hoor, ik heb daar geen problemen mee. Sindsdien begrijp ik iets van geloven. Er zijn denk ik heel veel mensen die niet zozeer in de kerk ­komen vanwege hun vaste geloofs­opvattingen, maar voor dat soort ­ervaringen. De troost zit niet in de voorstelling van een eeuwig leven na de dood, maar in formuleringen die mensen al eeuwenlang hebben gezegd. Dat verbond me met de andere mensen ter plekke, maar ook met de mensheid. ‘Dat is sterk uitgedrukt, maar ik voelde me door mijn kinderloosheid wel in een bepaald opzicht buiten het leven staan. Niet meedoen aan het doorgeven van het leven werd verzacht door meedoen in een lange traditie, in iets van alle mensen.’

Zou u opnieuw naar de kerk gaan, wanneer uw dood aanstaande blijkt?

‘Ik denk altijd dat ik mijn dood niet zo’n ramp zou vinden, maar als ik me voorstel het bericht ervan te ontvangen, deins ik net zo hard achteruit als ieder ander. Misschien zou ik wel weer wat vaker naar de kerk gaan, om dezelfde reden als destijds: aanvaarding, overgave aan iets groters. Niet om fundamenteel existentiële vragen beantwoord te krijgen. Ik zou denk ik eerder autobiografische vragen hebben als: heb ik wel goed geleefd? Heb ik gedaan wat ik moest doen?’

Heeft u goed geleefd?

‘Het is moeilijk daar zomaar ‘ja’ of ‘nee’ op te zeggen. Ik kan wel momenten bedenken dat ik betekenisvol voor anderen ben geweest, maar dat geldt dan nog niet voor mijn hele ­leven. Aan het eind van de rit zal ik niet denken: ‘Ik heb toch maar mooi al die columns geschreven.’ De vraag zal eerder zijn: heb ik wel genoeg van de mensen om me heen gehouden?’

Uiteindelijk draait het om de kleine cirkel?

‘Je hebt ook mensen die helemaal voor hun werk leven, maar zo is het bij mij niet. Natuurlijk is het in mijn leven van grote betekenis dat ik columns en gedichten schrijf. Maar ik denk nooit met welbehagen aan wat ik een eventuele lezer misschien heb gegeven. Ik wil voor andere mensen de betekenis van hun leven vergroten. Dat geldt uiteindelijk vooral voor degenen die je het meest nabij zijn, voor mensen die je kent. In liefde voor de mensheid als geheel geloof ik niet zo.’

De zin van het leven

Na een hartstilstand, die hem tussen dood en leven deed zweven, gaat Fokke Obbema op zoek naar antwoorden op die aloude vraag: waartoe zijn wij op aarde? In een serie interviews gaat hij daarover het gesprek aan met mensen met zeer diverse beroepen en achtergronden. Lees hier alle voorgaande verhalen. 

Overleeft een liefde ziekte, een miskraam of vreemdgaan? In Van Twee Kanten interviewt Corine Koole twee partners apart van elkaar over een heftige gebeurtenis in hun relatie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden