eenzame uitvaart

Op zoek naar het verhaal van een dode man, gevonden in een niemandsland van snelwegen en spoorlijnen

Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk.

Joris van Casteren
null Beeld Merel Corduwener
Beeld Merel Corduwener

Wat in het water drijft, lijkt van een afstand op een zak. Donderdag 25 maart 2021, 10 uur in de ochtend. Aan de Riekerweg in Amsterdam Slotervaart stappen ter hoogte van het spekgladde wildrooster twee patrouillerende agenten uit hun auto.

De Riekerweg voert door de Oeverlanden – een natuurgebied, volgens stadsdeel Nieuw-West (waar Slotervaart deel van uitmaakt). Afgezien van een volkstuinencomplex en wat bosschages, waar Schotse hooglanders werden uitgezet om de liefhebbers van openluchtseks in het tevens als homo-ontmoetingsplaats fungerende gebied te ontmoedigen, is er weinig natuur te bekennen.

Dit is een niemandsland van snelwegen en spoorlijnen. Schrikbarend laag komen vliegtuigen over, een verdwaalde hardloper glijdt uit over lege lachgaspatronen. Een tankstation en een goedkoop hotel completeren de troosteloosheid.

Duikteam

Met een lange tak proberen de agenten de zak, inmiddels gepromoveerd tot ‘verdacht pakketje’, naar de wal te krijgen. Als dat niet lukt, bellen ze het duikteam van de brandweer.

Twee duikers zwemmen ernaartoe, constateren dat het een stoffelijk overschot betreft. Voorzichtig wordt er een baar onder geschoven en aan de kant wordt het lichaam uit het water getakeld met de kraan op een speciaal vrachtwagentje van de politie.

Het lichaam is van een man, al een tijd dobbert hij hier rond, hij is flink opgezwollen. De man heeft halfhoge schoenen aan, een geruit trainingsvest met capuchon, een joggingbroek en een zwart shirt met Chinese tekens.

Hij heeft een lichte tot lichtgetinte huid, stelt de schouwarts vast, en is ruim één meter tachtig lang. Kort donker haar, een aarzelend baardje op de kin. De man zal tussen de 35 en 50 jaar oud zijn geweest, aldus de arts. Hij heeft opvallend grote oren en een gaatje in de linkerlel.

Niets in de zakken, helemaal niets. De onbekende lijkt wat dat betreft geïnspireerd te zijn door de anonieme metroman – de persoon die zichzelf bij station Duivendrecht bewust in botsing liet komen met lijn 53 richting Gaasperplas, zie de Volkskrant van 29 maart 2021 – die ik een maand eerder heb begraven.

Wel een hoop slordig aangebrachte tatoeages. Op de linker onderarm een in vlammen gevat Keltisch kruis met de letters GUTS, op de rechter bovenarm een zwarte panter, op de borst een schedel met een kroon, ter hoogte van de linkertepel een cirkel, rond de navel een zon met marihuanablad.

Bij bestudering van het gelaat constateert de schouwarts dat de kin met het aarzelende baardje flink naar voren staat. Een forse onderbeet dus, ook wel centenbak genoemd.

De arts stelt tevens vast dat het kaakgewricht ooit gebroken is geweest: op de articulus temporomandibularis is een plaatje met schroeven aangebracht. De tanden verkeren in slechte conditie, ze barsten van de gaatjes, meneer poetste absoluut niet goed.

Kamperen in de bosjes

Het is uiterst verdacht, zo’n getatoeëerd lijf tussen het riet op een schemerige locatie. Toch wordt door de forensisch patholoog in het VU-ziekenhuis, waar het lichaam minutieus is onderzocht, niets gevonden wat op een misdrijf wijst.

Het zou om een Oost-Europese arbeidsmigrant kunnen gaan, zegt de rechercheur die ik spreek. In de bosjes worden soms tentjes aangetroffen, in het wild kamperen is goedkoper dan het huren van een woning in de stad.

Misschien heeft de man een dag van hard werken afgesloten met een stevige borrel, is hij bij het urineren voorover in de sloot gevallen. Merkwaardig dat de andere kampeerders hem niet missen. Sommige van hen zijn ondervraagd, volgens de rechercheur. Ze gaven aan dat de man ook voor hen een onbekende was.

Schumann

Maandag 12 april 2021 is het lichaam vrijgegeven, medewerkers van Uitvaartcentrum Zuid halen het op. Zijn DNA-profiel is opgesteld en zonder resultaat vergeleken met profielen van vermisten in Nederlandse databanken.

Een week later, 20 april, ben ik met dichter Jeroen van Kan op begraafplaats Sint Barbara. De rouwauto, stapvoets. Vier dragers eromheen. De uitvaartleidster trippelt op hoge hakken voor hen uit.

In de aula laat ik benevens werk van Massenet en Lloyd Webber het derde pianotrio in G-mineur van Schumann spelen voor meneer. Schumann kwam ook in het water terecht, in Düsseldorf in 1856. Door eigen toedoen, wat me net iets beter lijkt dan moord.

In bescheiden processie op weg naar het graf klampt een paniekerige dame me aan. Of dit de uitvaart is van meneer Asjes. Even ben ik in de war, is de onbekende alsnog geïdentificeerd, heet hij Asjes? Later vernemen we dat de paniekerige mevrouw zich op de verkeerde begraafplaats bevond, Asjes werd op Westgaarde begraven.

Aan het graf zwijgen we een poosje. Dan zeg ik, voordat begraafplaatsmedewerker Mounir de kist laat zakken, dat ik ervan uitga dat de onbekende zijn naam zal terugkrijgen.

De komende maanden zal zijn DNA-profiel in buitenlandse databanken worden ingevoerd. Hij is van middelbare leeftijd, grote kans dat er familie – die hier had moeten staan, niet wij – zal worden gevonden.

Enkele weken later wordt in Opsporing verzocht een postmortemtekening van de waterman vertoond. Nieuw is dat het aarzelende baardje ook enkele grijze haren zou hebben bevat.

Op de tekening is het korte haar van de waterman naar voren gekamd, hij heeft een bloempotkapsel gekregen. ‘Maar hoe zijn haar precies zat, weten we niet’, zegt de voice-over. ‘Focus daar dus niet te veel op.’

Cold Case-team

Inmiddels is een jaar verstreken. De waterman is niet opgegraven in de tussentijd, bij Sint Barbara heeft niemand zich gemeld. Het zit me niet lekker, ik heb toch een bepaalde belofte gedaan, daar aan het graf.

Bij Carina van Leeuwen, forensisch coördinator in het Cold Case-team van de politie Amsterdam, informeer ik of er schot zit in de zaak. De afgelopen tien jaar heeft Van Leeuwen met het team ruim veertig van de ongeveer honderd onbekende doden die voorkomen in de hoofdstedelijke politiesystemen weten te identificeren; een hele prestatie.

De waterman kent ze niet, maar dat komt omdat hij ‘te nieuw’ is voor het Cold Case-team. Ze gaat het een en ander voor me uitzoeken. Dezelfde week verneem ik dat het verspreiden van zijn gegevens naar het buitenland vooralsnog niet tot een identificatie heeft geleid, voor de metroman geldt helaas hetzelfde.

Een isotopenonderzoek, waarbij aan de hand van biochemische analyse van bijvoorbeeld botmateriaal de geografische herkomst van iemand kan worden bepaald, is in beide gevallen niet uitgevoerd, wat in geval van een misdrijf wel zou zijn gebeurd. Een isotopenonderzoek kost zo’n zesduizend euro, vooralsnog wordt dat door de verantwoordelijken te begrotelijk geacht om voor alle onbekende doden te laten uitvoeren.

Het item in Opsporing verzocht leverde vijf tips op. Die gingen vooral over de tatoeages, dat ze absoluut niet professioneel waren gezet. Binnenkort zijn de waterman en de metroman oud genoeg om als dossier bij het Cold Case-team terecht te komen. Er zal dan met een frisse blik naar de zaken worden gekeken.

Het zou enorm helpen, zegt Van Leeuwen, als mensen zich zouden melden wanneer ze iemand missen, ook al is die persoon al jaren geleden verdwenen. Pas dan kan verwanten worden gevraagd DNA-materiaal af te staan om dat met het DNA-materiaal van onbekende overledenen te vergelijken.

Vingerafdrukken helpen ook nog steeds. Wereldwijd staan er in de databanken meer mensen met vingerafdrukken dan met DNA geregistreerd. In Nederland mogen vingerafdrukken in paspoorten niet worden opgeslagen en kunnen dus niet worden gebruikt om een onbekende dode te identificeren. ‘Allemaal gemiste kansen, en ondertussen zit ergens op de wereld wel iemand te wachten op deze mannen’, aldus Van Leeuwen.

Chinese tekens

De detective in mij ontwaakt. Een afbeelding van het shirt met de Chinese tekens stuur ik naar Xinji, een kennis uit Chengdu. Xinji laat weten dat het om decoratieve tekens gaat.

De tekens lijken respectievelijk te verwijzen naar een schaakbord, een vrucht (vermoedelijk een pruim), een voertuig en een fabriek, die ook als onderneming uitgelegd zou kunnen worden. Feitelijk betreft het een vorm van kalligrafie, er staat niet echt iets op het shirt.

Dan zou de waterman geen Chinees zijn, want wie tooit zich met nepletters die slechts een vermoedelijk lachwekkende imitatie van de eigen taal zijn? Zo moet ik het niet zien, zegt Xinji, decoratieve tekens zijn voor Chinezen heel gewoon. Bovendien blijkt het shirt, ze heeft het nagezocht, alleen verkocht te worden door een bepaalde Chinese winkelketen.

Dat zegt nog niet veel, want zo’n shirt kan om verschillende schouders de halve wereld over zijn gereisd. Ik laat de postmortemtekening aan Xinji zien, de waterman komt niet erg Chinees op haar over. Hij lijkt haar eerder een mengeling van Aziaat en Europeaan te zijn, een Latino zou ook goed kunnen.

De waterman maakt ook op mij een Latijns-Amerikaanse indruk. Een van de klunzig aangebrachte tatoeages, de gekroonde schedel op de borst, doet denken aan het symbool van Día de los Muertos, de dag van de doden die begin november met name in Mexico uitbundig wordt gevierd. Het is niet goed leesbaar, maar in het in vlammen gevatte Keltische kruis lijkt bovendien het Spaanse woord ‘padre’ te zijn verwerkt.

Misschien zijn de tatoeages logo’s van gewelddadige bendes. Door de waterman zelf aangebracht, met een gloeiende naald in een of andere vieze gevangenis waar hij vanwege drugshandel zijn dagen sleet. De gebroken kaak zou het gevolg kunnen zijn van een uit de hand gelopen ruzie waarbij hij flink op zijn muil is getimmerd.

Misschien werd de waterman namens de Colombiaanse maffia naar Nederland gestuurd om het geld van een verdwenen partij cocaïne op te eisen en vervolgens door een handlanger van Ridouan Taghi kopje onder geduwd.

Nette heer

Het zijn weinig nobele fantasieën, de waterman kan evengoed een nette heer zijn geweest, door domme pech in ongunstige omstandigheden verzeild geraakt. Om hem te eren besluit ik nog eenmaal naar de Oeverlanden te gaan.

Het pad naar de vindplaats wordt geblokkeerd door een groepje Schotse hooglanders. Om hen te ontwijken moet ik kortstondig door het struweel, wat een misverstand oplevert met een aldaar aanwezige, slechts in korte broek gehulde man.

Als ik hem duidelijk heb gemaakt wat ik hier eigenlijk kom doen, wil hij de postmortemtekening van de waterman op mijn telefoon best even bekijken. De tekening roept geen herkenning op, maar het zou de man niet verbazen als hij het slachtoffer is geworden van jonge potenrammers uit stadsdeel Nieuw-West.

‘Misschien hebben ze hem vanaf het bruggetje in het water gekieperd terwijl hij niet kon zwemmen’, zegt de man. Uit naam van hun geloof, stelt hij, zijn hier wel vaker mannen belaagd, en wijst naar het viaduct, waar een weinig begaafde graffiti-artiest de merkwaardige tekst ‘Fuck homo’s die buiten neuken’ op een van de pijlers heeft gespoten.

De man belooft het opsporingsbericht te zullen delen in een appgroep van heren die hier wel vaker komen, ik haast me terug naar het pad.

Langs het water staat een merkwaardig bouwsel, waarin onder meer een ladekast is verwerkt. Er is een zeil overheen gespannen, binnen ligt een matras. De bewoner, uit Litouwen afkomstig en tijdelijk als metselaar actief, herkent de waterman evenmin.

Een deel van het bouwsel stond er al toen hij het betrok. ‘Misschien is dit zijn huis geweest’, zegt de Litouwer. Ik heb een witte anjer meegenomen, die leg ik aan de oever in het riet.

Poule des Doods

Schrijver Joris van Casteren doet in een reeks publicaties in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.

een stap te ver

al dagen probeer ik je te lezen
staar ik naar de tatoeages op je lichaam
alsof je ons hebt achtergelaten met een rebus

een gekroonde schedel
een ring bij je tepel
een roofdier dat zijn poot uitslaat
een keltisch kruis met het woord guts
en omrankte wietbladeren rond je navel

je hebt de wereld een raadsel opgegeven
en ondanks dat ik je nooit zal spreken vermoed ik
dat je daar om zou kunnen lachen

je zou kunnen zeggen
dat de ring gesloten is
dat de gekroonde dood je heeft omhelsd
dat de tanden van de panter weten wat doorbijten is
dat het kruis nu over je waakt

je weet dat ik dat niet kan
de optelsom blijft zwijgen
betekenis van niks

je doorweekte huid stelt zich aan ons voor
vertelt ons wie je bent
en toch hou je de sleutel zelf

al dagen denk ik dat jij dat goed vindt zo
maar ook dat is eigenlijk al
een stap te ver

Jeroen van Kan schreef dit gedicht speciaal voor de gestorvene en las het bij de uitvaart voor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden