Interview Menno Schilthuizen

Op stadssafari met Menno Schilthuizen: de evolutie van vijf dieren en planten die zich hebben aangepast aan het stadsleven

Evolutie: iets uit het donkere oerwoud? Welnee, ook onder de neus van stadsbewoners ontrolt zich de evolutie, als vogels, insecten en planten zich naar het stadsleven schikken. Evolutiebioloog Menno Schilthuizen schreef er een boek over en leidt ons rond langs chillende slakken, verkeerstolerante vogels en nachtbrakende spinnen.

Evolutiebioloog Menno Schilthuizen in actie in Leiden. Beeld Marcel van den Bergh

1. De stadsduif

Tussen het winkelend publiek op de markt in Leiden steekt een keurige meneer vanachter een stel fietsen zijn hoofd omhoog. Vanaf een terras kijken hier en daar mensen verbaasd op. Maar Menno Schilthuizen, onberispelijk gekleed, verrekijker om de nek, heeft alleen oog voor drie mollige stadsduiven die naast de fietsen in het zonnetje zitten. Twee lichtgrijze en een donkere.

Kijk, dat bedoelt hij nou. ‘Die lichte, dat is meer zoals het wildtype eruitziet, de rotsduif uit Zuid-Europa. Maar in de stad kom je ook donkerder exemplaren tegen’, doceert de hoogleraar evolutiebiologie. ‘Sterker, uit onderzoek blijkt dat naar mate een stad groter is, er meer donkergrijze exemplaren voorkomen.’

Kenners zoals Schilthuizen zien hierin een aanpassing aan het stadse leven: ‘Zo ontgift hij zichzelf. De donkere veren binden meer aan schadelijke zware metalen die je in de stad binnenkrijgt. En als het in zijn veren zit, is het uit zijn lichaam.’

Met een handjevol studenten en belangstellenden zijn we met Schilthuizen op ‘stadssafari’, zoals dat heet. Op zoek naar de big five van Leiden, heeft Schilthuizen beloofd. Want biologen mogen dan nogal vol zijn van verre tropische wouden en verstilde natuurgebieden, ook in de stad is de evolutie volop gaande, betoogt hij in zijn nieuwe boek, Darwin in de stad. Zelfs hier, op de markt in Leiden. Te midden van pleziervaartuigen, fietsen, wandelaars en brommers.

Zoals de duif, ooit geïntroduceerd doordat postduiven verwilderden en ontdekten dat ze wel een klik hadden met de stad. ‘In de natuur zijn duiven aangepast om te leven op rotskliffen’, vertelt Schilthuizen. ‘En een landschap van kunstmatige rotskliffen, dat is in feite wat wij met onze gebouwen hebben gecreëerd. Zo’n dier vestigt zich op daken, in nissen en op raamkozijnen, en weet niet beter dan dat dit is wat hij gewend is.’

2. De paardebloem

Dat doen biologen nou altijd: de boel kapotmaken. Schilthuizen lacht een beetje betrapt als je het hem zegt. Zojuist heeft hij uit een naad tussen gevel en stoep een uitgebloeide paardebloem geplukt. En nu staat hij met een loep die hij uit zijn zak heeft gevist de zaden te bekijken.

Planten, daaraan zie je de stadsevolutie ook. Neem nou dat polletje gras dat zich daar naast een zinken regenpijp omhoog worstelt, tussen het bestraatsel vandaan, wijst hij. ‘In het lab blijkt dat als je ze zinkvervuiling aanbiedt, ze daar iets beter tegen bestand zijn dan varianten van buiten de stad. Ze zijn evolutionair aangepast om het leven in de stad beter aan te kunnen.’

De zaden van de paardebloem zijn weer op een andere manier aangepast. De pluizige ‘parachuutjes’ waaraan ze hangen, zijn in de stad iets smaller en korter, waardoor de zaden wat eerder naar beneden vallen. ‘Op het platteland is het als paardebloem gunstig om je zaden zo ver mogelijk te verspreiden’, vertelt Schilthuizen. ‘Maar in de stad, waar veel van de grond is bedekt met steen en asfalt, ligt dat anders. Daar is het gunstig om juist zo dichtbij mogelijk de grond te bereiken, dan heb je meer kans om in aarde te landen.’

Hij krijgt wel eens het verwijt dat hij met zijn nadruk op stadsnatuur bebouwing zou vergoelijken en zou afleiden van de goede zaak. Want waarom zou je nog je best doen om natuurgebieden te behouden, als de natuur ín de stad ook best zijn draai vindt?

Maar tegen die suggestie verzet Schilthuizen – zo iemand die als kind al kevers verzamelde – zich met klem. Natuurlijk verdient kwetsbare natuur bescherming. ‘Tegenover elke soort die goed gedijt in de stad, staan er misschien ook dertig die het loodje leggen.’ Maar feit is dat ‘achter onze rug, nota bene in de steden’ óók allerlei ecosystemen beginnen te evolueren, schrijft hij in zijn boek. ‘Ik pleit ervoor dat we ze omarmen, die evolutionaire krachten die nu, hier en overal bezig zijn nieuwe ecosystemen te creëren. En dat we erop aansturen de natuur een plek te geven in het hart van onze steden.’

Paardebloemzaadjes. Beeld Marcel van den Bergh

3. De brugspin

De safari is aangekomen bij het Galgewater, een kleine, oude haven vol historische schepen en woonboten. Opeens staat Schilthuizen bij een wat groezelig ogende woonboot naar de dakgoot te staren.

Een klein spinnenwebje, nogal vierkant van vorm. ‘De spin moet je er even bij denken’, zegt Schilthuizen. ‘Die zit waarschijnlijk verstopt tussen een van deze kieren. Pas als het donker wordt, komt hij tevoorschijn. En dat is nou net het bijzondere.’

Schilthuizen heeft het over de brugspin, een kittig bruin spinnetje van ongeveer een centimeter groot dat vooral voorkomt nabij waterpartijen. En het curieuze is: hij komt op verlichting af. ‘Normaal doen spinnen dat niet. En het is vreemd, want kunstlicht is pas zo’n 150 jaar beschikbaar. We vermoeden dan ook dat het een aanpassing is, natuurlijke selectie in actie. Dat hij profiteert van het feit dat er veel insecten op licht afkomen.’

Volstrekt logisch eigenlijk, en biologen sluiten dan ook niet uit dat er meer soorten zijn die gebruikmaken van de lampen en lichtjes van de mens. ‘De wetenschappelijke literatuur is nog beperkt. Spinnen schreeuwen erom om op meer plekken onderzocht te worden’, vindt Schilthuizen. De brugspin is in elk geval een van de meest geturfde soorten bij spinnentellingen: ‘Dat kan erop duiden dat hij zijn voordeel doet met die aanpassing.’

En de spin is de enige niet. Zo bekeek Schilthuizen in de tl-verlichte metrogangen van Londen eens de mug Culex molestus, een soort die zich blijkbaar volledig heeft aangepast aan het leven onder de grond. Het insect plant zich op een andere manier voort dan zijn bovengrondse verwanten, waarbij de mannetjes voor de seks in wolken rondvliegen, waarna het vrouwtje zo’n wolk doorkruist. De mug heeft subtiele genetische aanpassingen ondergaan die zijn reukzin afstemmen op menselijke metroreizigers, in plaats van op de vogels waarop hij zich bovengronds voedt.

Een klassiek voorbeeld van stadsevolutie, met een opmerkelijke toegift: de muggen verschillen per metrolijn iets van elkaar, zo ontdekten Britse biologen. Kennelijk worden de populaties door de metrotunnels met de treinstellen meegezogen tussen de stations – maar overstappen van de ene naar de andere metrolijn, dat kunnen ze niet.

Brugspinnenweb. Beeld Marcel van den Bergh

4. Het kauwtje

Kijk, moet je die zien, wijst Schilthuizen. Een parmantige zwarte vogel met pittige kraaloogjes hipt eigenwijs over een kruising, terwijl fietsers en brommers aan alle kanten om hem heen zwenken. Maar het kauwtje is er de vogel niet naar om zich er veel van aan te trekken.

Schilthuizen vertelt over experimenten waarbij biologen de zogeheten ‘opvlieg-initiatieafstand’ van de vogels onderzochten, de afstand tot waarop je zo’n vogel kunt benaderen voordat hij wegvliegt. ‘Ze zijn in de stad meetbaar minder schuw, blijkt daaruit. Populaties van buiten de stad vliegen al weg bij een meter of 30; in de stad doen ze dat pas bij 8 meter.’

Als er weer eens een kauw of duif op het allerlaatste moment voor uw wielen wegvlucht: dat is dus de reden. En geringere schuwheid is niet de enige aanpassing. Zo hebben stadsvogels kortere, rondere vleugels, waarmee je als vogel sneller kunt wegkomen. Ook zijn ze beter in het oplossen van problemen, blijkt uit experimenten waarbij men de vogels puzzeldoosjes met voer liet openmaken.

‘Allemaal zaken waaruit blijkt dat je echt niet naar de Galapagoseilanden hoeft te gaan om evolutie te bestuderen’, zegt Schilthuizen. ‘Dit zijn aanpassingen die je in de stad kunt verwachten. In het bos hebben dieren genoeg aan de kennis hoe je een eikeltje openmaakt. Maar in de stad zijn er talloze nieuwe manieren om aan voedsel te komen, die bovendien steeds veranderen. Je moet dus slim zijn, inventief. En niet te schuw: je moet eropuit, dingen proberen, niet de hele tijd ergens in een hoekje gaan zitten bibberen.’

De stadsmerel is van alle stedelijke vogels het verst op weg een aparte soort te worden, denkt Schilthuizen. ‘Hij trekt niet meer weg en begint al met broeden als de bosmerel nog niet eens terug is van de trek. Ze hebben vaak een langer darmstelsel, en zo zijn er meer verschillen. Die is echt bezig zich af te splitsen van de bosmerel.’ Turdus urbanicus, zou zo’n soort dan gaan heten: de merel uit de stad.

5. De tuinslak

In een verlaten steeg duikt Schilthuizen opeens een struik in en komt tevoorschijn met een klein slakje in een zwart-geel gestreept huisje. Een bekende en weinig geliefde gast voor iedereen met een tuin, deze aan planten knagende tuinslak. Schilthuizen pakt er nog een slak bij, ditmaal een onopvallende bruine huisjesslak die nietsvermoedend aan een bakstenen muurtje gekleefd zat.

‘Kijk. Ze zien er compleet anders uit. En toch is het dezelfde soort’, wijst Schilthuizen naar de twee slakkenhuisjes in zijn handpalm. Daar heb je het weer, de evolutie in actie. ‘Als je de hele zomer aan zo’n muur moet hangen, helpt het om een lichtgekleurd huisje te hebben. Dat weerkaatst de zonnewarmte beter. Het scheelt misschien maar een paar graden, maar voor zo’n slak kan dit het verschil zijn tussen leven en dood. En dus zie je in de stad meer gele exemplaren.’

Intussen begint de gele, gemoderniseerde stadsslak uit zijn huisje te komen en over Schilthuizens hand te glijden. In slakkengang natuurlijk, maar toch: bepaald niet angstig. Net als het kauwtje en de duif. Schilthuizen vertelt over een wonderlijk experiment dat een van zijn studenten doet: kietel de slak met een kwastje tussen zijn voelsprieten en meet hoelang het daarna duurt voordat het dier weer uit zijn huisje komt. ‘Daarmee willen we uitzoeken of stadsexemplaren brutaler zijn. In de stad worden ze vaak verstoord. Als ze dan telkens eindeloos in hun huisje zouden blijven zitten, zouden ze niet genoeg tijd hebben om te foerageren.’

Opeens horen we een zangvogel, duidelijk boven het gedruis van de stad uit. Drie lange uithalen, dan een mitrailleurvuur van gekwetter: tjuu-tjuu-tjuuuuu titititititi! Een zesde toevoeging aan de big five van de binnenstad? ‘O, dat is iemand die hier in de buurt woont’, zegt Schilthuizen onbewogen. ‘Een man die kanaries houdt.’

Huisjesslak. Beeld Marcel van den Bergh

Menno Schilthuizen, Darwin in de stad: evolutie in de urban jungle.
Atlas Contact; € 24,99.

On-Hollands goed

Menno Schilthuizen is zo’n auteur uit de categorie ‘waarom is die bij ons niet wat beroemder?’ Zijn boeken – hij schreef er vier – zijn vertaald in meerdere talen en verschijnen eerder in de VS dan in Nederland, onder fraai rollende titels als Nature’s Nether Regions (over geslachtsdelen) en The Loom of Life (over ecologie). Zijn nieuwe boek Darwin Comes to Town haalde in de VS onder meer de ontbijttelevisie.

Scan je slak

Onder de noemer EvoScope heeft Naturalis diverse mogelijkheden voor ‘burgerwetenschap’, waarbij liefhebbers meehelpen waarnemingen te verzamelen voor onderzoek. Zo kan men via de app SnailSnap tuinslakken fotograferen en via een formulier op internet meedoen aan het onderzoek naar veranderende paardebloemen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.