Reportage

Op mijn 34e op skateboardles

Het zoontje van schrijver Henk van Straten ging op skateboardles. Maar vader kon zich niet beheersen en stapte ook op de plank. Een jongensdroom op zijn 34ste.

Beeld Thinkstock

Open podium. De klas van mijn oudste zoontje is pas als laatste aan de beurt. Ik moet hier nog zeker een halfuur wachten. De aula staat vol met ouders, het is warm. Mijn ex is er niet bij. Gezamenlijk dit soort dingen doen, is nog te moeilijk; de breuk is te vers. Ik kijk naar de toneelstukjes van de andere klassen. Ik probeer op te letten, maar kan me moeilijk concentreren. Sinds mijn scheiding is alles anders, nieuw, moeilijk. Ook heb ik een kater en ik ben dus extra labiel. Nog even, denk ik, en dan loop ik naar buiten.

Met mijn linkerhand raak ik mijn rechter elleboog aan. Meteen voel ik me beter. Ik recht mijn rug, kalmer nu. Op mijn elleboog zit een schaafwond. Of eigenlijk meer een brandwond. Gisteravond schoof ik met een skateboard onderuit in de bowl.

Wacht, dat laatste kan ik misschien beter even toelichten. De bowl, of pool, ziet eruit als een leeg zwembad. De eerste skateboarders, vroeger, maakten echt gebruik van lege zwembaden, tegenwoordig worden ze speciaal gemaakt voor de sport, van hout of beton. Je staat op de rand, met je board, en laat jezelf voorwaarts vallen. Indroppen, heet dat. En daar ga je, op hoop van zegen. Ik durf het pas sinds een paar weken, iets minder dan een jaar nadat ik voor het eerst met een gloednieuw en buitensporig duur board de skatehal was binnengekomen. Toen dat indroppen me na die elf maanden was gelukt, toen ik het eindelijk had aangedurfd en ik niet tegen de houten bodem te pletter was geslagen, klonk er overal om me heen luid gebonk: de andere skateboarders - veelal jongeren - beukten met hun boards tegen de vloer. Een blijk van respect. Blij als een kind was ik.

Harnas van spierpijn

Ik loop de aula niet uit. De wond en fysieke pijn geven me kracht. Het is de echo van gisteravond; het nagalmen van mijn lef en vastberadenheid. In een periode waarin ik, naar mijn idee, vooral veel verkloot. Mijn lichaam is omsloten door een aangenaam harnas van spierpijn. Ook voel ik de houtsplinters in mijn shirt, achtergebleven na wat minder ernstige valpartijen. Laat het maar voelen, denk ik.

Wanneer mijn zoontje het podium opkomt, springen de tranen in mijn ogen.

Het begon allemaal met hem. Anderhalf jaar geleden wilde hij op skateboardles. Ik was meteen enthousiast; ik weet niks van voetbal of hockey en ril bij de gedachte aan zaterdagochtenden aan de rand van zo'n veld. Bovendien: mijn adolescentie bracht ik door in subculturen waarin skateboarden alomtegenwoordig was; ik zong in een punkbandje, luisterde naar rap. Veel van mijn vrienden skateboardden. Ik ging wel eens op zo'n plank staan, maar het voelde niet goed. Ik had er geen gevoel voor. Er werd al om me gelachen op het moment dat ik het überhaupt probeerde. Ik schaamde me, wilde het meteen goed kunnen. Dus: ik stortte me op dingen die ik wel goed kon, zoals wiet roken en drinken. Het duurde niet lang voordat mijn vrienden ollies en kickflips konden maken. Hele middagen hingen ze met hun boards op het stadhuisplein. Ik zette het voorgoed uit mijn hoofd. Dacht ik.

Beeld Saša Ostoja

Als vader

De eerste les. Ik liep met mijn vrouw en zoontje het café van skatepark Area 51 in Eindhoven binnen. Ze draaiden Black Sabbath en hadden trappist op de tap. Mijn zoontje werd amicaal verwelkomd. Ik keek naar de skateboarders in de hal. Hun souplesse, hun nonchalance. Zo achteloos als ze hun board omhoog wipten. Zoals ze stepten, alsof het board een verlengstuk van hun voeten was. Het geraas van die wieltjes op de houten vloer en het slijpende geluid wanneer de wielophanging metaal raakte. De kleine, geheime gebaren naar elkaar. Het geweld van de sprongen, van de kracht, de doodsverachting, de snelheid. Hun petjes, hun kleding, hun zelfvertrouwen.

Als tiener zou ik me onmiddellijk geïntimideerd hebben gevoeld: een gesloten club met eigen regels en gebruiken. Maar ik was hier als vader. Ik was een man in een stoffen herenjas. Ja, goed, met tattoos, maar niettemin een vader met een trappist en een zoontje dat hij kon aanmoedigen. Ga maar lekker spelen, jongen. Ik had een reden om hier te zijn. Ik was een toeschouwer, slechts zijdelings betrokken, net als de andere ouders.

Langs de gehele lengte van de hal loopt een balkon. Vanuit daar kun je alles zien. En daar stonden wij, mijn vrouw en ik. We stonden daar met de andere vaders en moeders. En daarbeneden racete onze zoon van een helling af, instabiel en wankel. Helmpje op, gezichtje rood. Nu al? dacht ik. Maar hij kan dit nog helemaal niet! Mijn maag draaide zich om. De spieren in mijn benen spanden zich aan en mijn romp draaide in de richting die hij op moest, alsof ik met mijn lichaam het zijne kon bijsturen. Hij rolde over de vloer. Hij stond nog. Hij had niet zijn nek gebroken. Ik lachte luid en joelde.

Asfalt-en-rebellie-subcultuur

We bezochten de hal wekelijks, soms wel twee keer per week. Meestal alleen mijn zoon en ik. De andere ouders en ik praatten tijdens de lessen over onze kinderen. Allemaal vonden we het hier geweldig en allemaal deelden we de angst dat ze zouden vallen, een arm zouden breken, dat er tandjes door hun lippen zouden steken. Al de derde of vierde les ging mijn zoon van de hoogste helling. Ik kon het niet aanzien. Ik kneep in de railing van het balkon. En weer deed mijn lichaam mee, alsof ikzelf ook op die plank stond. Het maakte iets los.

Natuurlijk viel hij vaak. De eerste paar keer kwam hij bij me uithuilen, maar al snel namen zijn leraren die rol van me over. Jongens van begin 20, ondanks hun leeftijd al veteranen. Jongens die het op straat hebben geleerd, bij wie de geschiedenis van de asfalt-en-rebellie-subcultuur door de aderen stroomt, die af en toe naar buiten glippen om stiekem een sigaretje of jointje te roken en die 's avonds, als alle kinderen weg zijn, met een flesje bier op de rand van die bowl zitten. Ze troostten mijn zoon na een poosje beter dan ik kon, bij een vader huil je nu eenmaal sneller. Het ontroerde me: mijn ventje onder de arm van zo'n jongen; twee skateboarders naast elkaar, een grote en een kleine, nu al verbonden door hun kennis van een specifiek soort vallen, een specifiek soort pijn, een specifiek soort opstaan en doorgaan. Ik zag mijn zoontje tot hun wereld toetreden.

Ik was jaloers. Ineens voelde ik me oud en verloren. Ik was een trotse vader maar ook een weemoedige. Kijken vanaf dat balkon naar die boarders was als kijken naar een verloren droom. Daarnaast voelde ik me op die plek ouder, logger en stugger dan ik was. Gevangen in de identiteit: vader, echtgenoot, schrijver. Het leek zo kort geleden, mijn eigen jeugd, alsof ik die jongere Henk nog een hand kon geven en hij me terug zijn wereld in wilde trekken.

Liever geen overhemd

Ja, ik weet hoe dit klinkt. Midlifecrisis. Of quarterlifecrisis. Noem het wat je wilt. Het zij zo. Die diagnose stellen doet niets af aan de symptomen noch aan de aandoening.

Met een andere vader op het balkon. Allebei op een barkruk. De vader droeg een overhemd en keek steeds op zijn telefoon. Hij vond het 'te gek' dat zijn zoon skateboardde. Hij wilde weten waar ik me had laten tatoeëren. Zelf had hij ook een paar tatoeages, moest ik weten. Ik knikte veel en zei aldoor 'aha.' Laatst zat hij met een collega in de auto, vertelde hij, en toen draaide hij keihard Metallica. En: hij droeg liever geen overhemd, maar hij kwam nu rechtstreeks van zijn werk. Weerzin en irritatie borrelden in m'n buik. Ik keek naar mijn zoontje, naar die andere skateboarders. De vrijheid daar beneden, de durf - alles onder controle en ook níéts onder controle. Ik hoorde die vader niet meer praten.

Het was een vreemd proces. Als ik thuis zat te schrijven, keek ik tussendoor naar documentaires over skateboarden. Dogtown & Z-Boys, Bones Brigade, All This Mayhem. Bijna kinderlijk droomde ik dat ik er toen bij was geweest, bij de magie van het ontstaan van iets nieuws.

Onrustig, onzeker, instabiel

Op internet zocht ik naar skateboards. Waaróm in godsnaam? Mijn zoontje had nog geen nieuwe nodig. Wat ik mezelf en mijn vrouw wijsmaakte was dit: ik zocht naar kunst, voor aan de muur. Dus kocht ik een losse plank (zonder wielen) met daarop de boeddha met een offer van skateboardwielen aan zijn voeten. Hartstikke leuk!

Tijdens het schrijven zat die boeddha aldoor naar me te loeren. Meer weken gingen voorbij. Schrijven en beloerd worden door die boeddha, en natuurlijk twee keer per week naar het skatepark. Ik was onrustig, nerveus, melancholiek. Er was in mijn leven van alles aan de hand. Waar dat allemaal toe zou leiden, kon ik nog niet weten.

Op een zo'n middag thuis stond ik ineens op. En ging weer zitten. En stond weer op. Ik liep naar het halletje bij de voordeur, pakte het skateboard van m'n zoontje, nam het mee de huiskamer in en plaatste het op de vloer. Ik keek ernaar. Alleen al met één voet erop voelde het gammel. Voet eraf, voet erop. Ik slikte, kuchte, plaatste ook mijn andere voet erop. Ik stond nu midden in de huiskamer op het skateboard van mijn zoontje. Durfde me amper te bewegen, zo instabiel voelde ik me. Als ik er nu aan terugdenk, is het een schitterende metafoor voor die tijd: onrustig, onzeker, instabiel, en met een vreemd soort honger of ambitie. Ik zette snel het board terug en ging weer werken.

Jaloers op mijn eigen zoon.

De volgende dag gebeurde dit weer. Nu bleef ik iets langer staan. Ik bewoog een beetje, voelde opnieuw hoe instabiel ik stond en stapte weer af. De dag erna weer. De dag erna weer. En na elke poging zei ik tegen mezelf: doe normaal, idioot. Je breekt zo nog je nek. Waar sláát dit op? Je bent een vader, schrijver. Al was er niemand bij, ik voelde me voor lul staan.

Toen was er de dag waarop ik met het board de straat op ging. Ik keek om me heen. Niemand te zien. Weer ging ik op het board staan. Dit keer zette ik me echt een keertje af. Doodeng was het. Het voelde alsof het ding ieder moment onder me vandaan kon schieten. Het wilde bij me vandaan, me van zijn rug werpen. Ik ging terug naar binnen.

In Area 51, op dat balkon, raakte ik aan de praat met een meisje dat er werkte. Ze zag me naar de skateboarders kijken. 'Mooi om te zien hè?', zei ze. Ik glimlachte. 'Het is bizar,' zei ik. 'Ik ben gewoon jaloers op mijn eigen zoon.' Waarop ze zei: 'Ik weet niet of je het weet, maar elke donderdagavond wordt er les gegeven voor ouderen.' Ik probeerde nonchalant te lachen, maar mijn buik spande samen. 'Nee joh', zei ik. 'Ik ga dat nu zeker niet meer leren.' Ze haalde haar schouders op: 'Er doet ook een man mee van 50. Die begon op zijn 48ste.' Vrolijk liet ze me achter, met die toegeworpen handschoen aan mijn voeten.

Helletocht

Ik had het erover met mijn vrouw. We zaten thuis op de bank. 'Op zich', zei ik, 'lijkt het me wel wat.' Ze keek me aan, had geen idee wat zich in mij had voltrokken of aan het voltrekken wás, en zei met een warme glimlach: 'Moet je doen, schat.'

De plank kwam van de muur. In de lokale skateboardwinkel liet ik er wieltjes onder zetten, de gêne brandend in mijn nek. Welke wieltjes? Geen idee. Welke trucks? Geen idee. Twee jonge gastjes namen me op; een volwassen kerel vol tatoeages, stotterend en bezweet.

De eerstvolgende donderdagavond - lesavond - bleef ik thuis. Honderd redenen om niet te gaan, niet één gegrond. De week daarop fietste ik dan toch echt naar het park, mijn gloednieuwe board klungelig onder mijn arm. Het was avond, er waren nu geen ouders en geen kleine kinderen. Voor de deur van de hal zaten een paar gastjes te roken op scooters. Ze loerden naar me. Ik slikte, begroette ze, kreeg geen groet terug. De trap naar boven was een helletocht. Hier liep hij dan: middelmatige vader, middelmatige echtgenoot, middelmatige schrijver. Prutser, aansteller, neuroot, amateur. Een wandelende identiteitscrisis met een skateboard. Ik wilde me omdraaien, terug naar huis gaan en onderweg dat board ergens in de struiken gooien.

Verliefd

Ik meldde me bij de balie. Ik werd niet uitgelachen. Ja, wel nog steeds door de toeschouwers in mijn hoofd, maar hier door niemand. Met mijn board liep ik naar beneden, het skatepark in, op zoek naar de leraar. Ik keek omhoog, naar het balkon. Er stonden jongelui te kijken. Ik ging dichter bij de muur lopen, zodat ze me niet konden zien

Ruim twee uur later was ik verliefd. De les zat erop en ik zat aan de bar met een biertje, bij een groepje mannen tussen 30 en 50. Een bouwvakker, een architect, een piloot, een werkzoekende en een student. Het was beter gegaan dan ik had durven dromen. Ik was al van lage hellingen afgegaan. Ik had snelheid gevoeld. Ik had gereden. Ze hadden punk en oude hardrock gedraaid. De gêne was er nog, maar ik was hier met andere prutsers en die andere prutsers waren ook aan het prutsen, net als ik. Ik was onder mijn mensen. Bovendien gaven de geroutineerde skateboarders ons de ruimte. Op donderdagavonden was dit groepje oude stumpers blijkbaar een vertrouwd element geworden. We bleken op sympathie te mogen rekenen. Goed, er werd om ons gelachen, maar het was meelachen, geen uitlachen. Ik had dat scenario niet voor mogelijk geacht, dat iemand die op z'n 34ste begint met skateboarden geen hoon en spot oproept, maar ontzag.

Die nacht sliep ik niet. In gedachten ging ik steeds die heuveltjes af. De oefeningen die me nog niet waren gelukt, probeerde ik in het donker alsnog voor elkaar te krijgen. Ik wilde niet kwijtraken wat ik had geleerd. Ik wilde het blijven voelen.

In gevecht met mezelf

Meteen de zaterdagochtend erop ging ik weer. Met mijn zoontje. Een les voor kinderen, maar enthousiast als ik was, had ook ik mijn board meegenomen. Zeker vijftien vaders en moeders stonden op het balkon te kijken. Mijn zoontje ging mee met de leraar. Ook ik ging naar beneden. Ik ging op mijn board staan. Ik voelde de ouders naar me kijken. Ze zagen me stuntelen. Ik viel. De gêne raasde door mijn lijf. Ook de man met het overhemd dat hij nooit draagt stond naar me te kijken. Hij lachte. Toch ging ik door. Ik sta hier, dacht ik. En niet meer daarboven bij jou.

De eerste keer dat ik hard viel, voelde als een bevestiging: dat skateboarden was een vergissing geweest. En iedere keer daarna opnieuw. Je had hier nooit aan moeten beginnen, je bent een lul. En nu nog. Ik ben nog altijd in gevecht met mezelf, met de man die dit onzin vindt.

Ik neem alles mee die baan op. Mijn gemoedstoestand, mijn zorgen en gepieker. Soms gaat het voor geen meter. Mijn board voelt soms vijandig, als een woest paard dat me van zijn rug wil werpen. Het straft me onmiddellijk als ik wegdroom of tob. Boem, daar ga ik weer. Opletten, in het moment zijn, en anders vallen. Hárd vallen.

Gesneuveld huwelijk

Ik heb wekenlang een polsblessure gehad en ik ben inmiddels zo vaak op de zijkant van mijn linkerbil gevallen dat die plek chronisch pijn doet en ik er 's nachts al weken niet meer op kan liggen. Soms, bij sociale of werkgerelateerde verplichtingen, bezweer ik mijn verveling of ontsnappingsdrang met de pijntjes die ik heb, zoals die keer in de aula.

Inmiddels ga ik iedere week. De donderavond is heilig geworden. Als ik die avond ergens moet opdraven, doe ik dat met tegenzin.

Halverwege het afgelopen jaar sneuvelde mijn huwelijk. Ik miste deadlines, dronk te veel, kwam bij afspraken niet opdagen. Ik slikte slaappillen, was in de war. Maar iedere donderdagavond ging ik skateboarden. Dan stond ik op die plank. Vaak ging het niet lekker, zat ik zo in m'n kop dat het niet lukte. Ook dan bleef ik. Het skateboarden werd een soort leven in het klein: tegenslagen, vallen, accepteren, opstaan, doorgaan. Ik kan niet zeggen dat ik er veel talent voor heb, maar wel meer dan ik ooit had durven hopen.

Laatst kwam ik die vader met het overhemd weer tegen. Het stond in het café. 'Al gestopt?', vroeg hij, grijnzend als een wolf. 'Nog niet,' zei ik vrolijk, waarop ik mijn board pakte, een stukje rende, de plank nonchalant onder mijn linkervoet liet vallen en soepeltjes bij hem vandaan stepte. Ik wilde juichen, maar daar was ik te cool voor.

De nieuwe roman Bidden en vallen van Henk van Straten verschijnt eind oktober bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden