ColumnPeter Buwalda

Op dit hele tenniscomplex waar de zon nooit onder leek te gaan, droeg maar één iemand een lange broek, en dat was ik

null Beeld
Peter Buwalda

Vorige week was ik, fietsend naast Jet, op weg naar Jeffrey Vermeulen, als tweede geplaatst op de Open Kadoelen, tegen wie ik ‘uitkwam’. Aan het einde gekomen van die column, riep Jet: ‘Vertel volgende week maar hoe het afliep!’

‘Dat hangt ervan af’, riep ik terug, maar vergat dat op te schrijven. Dom, want nu is het: wie a zegt, heeft soms een vriend die b moet zeggen, en in dit geval ben ik dat.

Welnu, na een korte fase waarin het gelijk op ging, eindigde de partij in 6-0, 6-0. De dagen erna schopte Jeffrey Vermeulen het inderdaad tot de finale, die hij verloor, waardoor hij inderdaad tweede werd. Leuk, zo’n toernooi waarvan de uitslag van tevoren vaststaat. Ik wil het nog net geen doorgestoken kaart noemen.

Maar dat was pas later. Eerst kwamen we defaitistisch aan. Meteen viel op dat Kadoelen er talloze malen groter en imposanter uitzag dan onze eigen club, waar iedereen je naam kent, zoals vroeger in Cheers, de sitcom. Ik had alleen mijn racket bij me. Waarom zat er geen hoes om, zag je andere tennissers denken. Iedereen had op zijn minst een hoes om zijn racket, en liever nog een enorme tas. Hoe groter die tas, kreeg ik rondkijkende het gevoel, hoe beter de tennisser. Iemand als Federer, schoot me te binnen, zeulde er zelfs twee mee, tassen ter grootte van kleine gezinsauto’s, een voor zijn rackets, een voor zijn bananen. Het obsceen blote ding in mijn hand stelde me ineens teleur, er straalde iets vanaf.

Mijn ongeplaatstheid. Te midden van de velden, die zich als landerijen uitstrekten, verhief zich het clubhuis. Binnen meldde ik me aan een tafeltje waarop een schaal bananen stond. Watertandend staarde ik naar de schaal. En, ja hoor, ik mocht er eentje uitkiezen. Met in mijn ene hand de banaan en in de andere mijn racket, begaf ik mij op het terras, waar Jet al uitkeek naar Jeffrey Vermeulen. ‘Jeffie zeggen, Jeffie doen’, mompelde ik bij elke arriverende tas, maar nee, steeds was het een andere semi-professional op teenslippers, een dracht die haaks op de mijne stond. Ik had mijn tennisloafers thuis al aangetrokken, waarom niet? Moest ik serieus hier, op het terras, van schoenen wisselen?

‘Heb je het niet warm?’, vroeg Jet.

Ja, ik wist het, op dit hele tenniscomplex waar de zon nooit onder leek te gaan, droeg maar één iemand een lange broek, en dat was ik.

‘Jawel’, zei ik, ‘maar dat is mijn warming-up.’ Een maand of vijf tenniste ik inmiddels, en tot nu toe altijd in lange joggingbroeken, een handelsmerk. Het was bijna aanstellerig om nog over te stappen op zo’n tennisbermuda met zakken, waarin je ook kunt barbecueën.

Vijf minuten te laat kwam een blonde knuffelbeer aangesloft: de grote Jeffrey Vermeulen, tweede geplaatst. Afgetraind, zoals in mijn visioenen, was hij niet. Onvriendelijk ook niet. Zijn tas was bescheiden. Als een tandarts stelde hij me op mijn gemak, als het pijn deed moest ik mijn hand opsteken. (Nee, dat zei hij niet, maar zo was het sfeertje.)

Als ik hem wat ballen toegooide, bedankte hij me uitvoerig, dank je wel, dank je wel, per bal, en ook nog zijn duim omhoog. Als ik een puntje scoorde: ‘Mooie bal, Peter.’ Als ik eens ‘mooi hoor’ riep, zei hij ‘dank je wel, Peter!’.

Maar toen het 6-0, 5-0, 40-0 stond, voor hem, de grote Jeffrey, een joekel van een matchpoint, het grootste matchpoint denkbaar, en hij zijn eerste service net buiten het vak sloeg, en ik ‘uit’ brulde, zei hij: ‘Ik zag hem in.’

‘Uit, hoor’, zei Jet.

‘Dankjewel, Jet’, zei Jeffrey Vermeulen, ‘maar laten we het punt overspelen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden