OP DE RANN WIL NIETS GROEIEN

Het noorden en oosten van het Indiase Kachchh, spreek uit 'Katsj', bestaat uit een zompige vlakte die wit uitgeslagen is van het zout, de Rann....

door Mariët Meester

De eerste dagen in Kachchh voel ik me als de jonge brahmaan die we tijdens een eerdere reis naar India ontmoetten. 'Wat een grote ventilatoren hebben jullie!', schreef hij nadat ik hem vanuit Nederland een ansichtkaart met een molen erop had gestuurd. 'Daar kun je vast heel veel wind mee maken!'

Net als hij kan ik de indrukken die ik opdoe nauwelijks duiden. Tussen de 'gewone' Indiërs, die met hun tulbanden en hun sari's al zo mooi zijn, zie ik groepjes vrouwen in geborduurde gewaden waarin spiegeltjes zijn verwerkt. Het zijn tribals, zoals inheemse volken in India genoemd worden. Ze dragen muilen waarvan de punt naar boven wijst, en door een van hun neusvleugels steekt een ring die zo zwaar is dat hij met een pluk hoofdhaar omhooggehouden moet worden. De sieraden van andere tribalvrouwen hangen vooral aan hun oren: het zijn dubbele zilveren pegels die lange gaten in de lellen hebben getrokken.

Ook aan de dracht van de mannen is het een en ander af te lezen over de gemeenschap waartoe ze zichzelf rekenen, en zelfs hun kamelen vertellen een verhaal. Sommige hebben meerdere gekleurde kralenkettingen om de hals, andere zijn versierd met tatoeages op hun kop en over de hele lengte van hun nek en staart. Of zouden het geen tatoeages zijn, hebben hun eigenaars die zwarte cirkels en stippen soms met verf op de vacht geschilderd? Het is allemaal zo nieuw en overweldigend, dat ik vaak na een halve minuut al niet meer weet waarnaar ik zonet gekeken heb.

Kachchh, spreek uit 'Katsj', is een district van de Indiase deelstaat Gujarat. Het gebied is iets groter dan Nederland, maar bijna de helft ervan, het hele noorden en oosten, wordt in beslag genomen door een zompige vlakte die wit uitgeslagen is van het zout, de Rann. Ooit was het een zoetwaterlagune, maar na verschillende aardbevingen veranderde de loop van de rivier de Indus en sijpelde er alleen nog zeewater naar binnen. Op de Rann wil niets groeien. Onherroepelijk zak je er in de modder weg, je kunt je er alleen voortbewegen per kameel. Een speciale divisie van de bereden strijdkrachten patrouilleert voortdurend in het noordelijke gedeelte, want dat grenst aan Pakistan. Tijdens de regentijd is het patrouilleren extra moeilijk, de vlakte staat dan vol water. Omdat Kachchh in het westen en zuiden wordt omgeven door zee, is het hele district tijdens de natte maanden een soort eiland, met maar twee bruggen waarover je de rest van India kunt bereiken. Door de geïsoleerde ligging en de barre omstandigheden leven in Kachchh veel mensen nog net als hun voorvaderen lang geleden.

Wij hebben ons geïnstalleerd in Bhuj, de hoofdstad, die honderdtwintigduizend inwoners telt. Zestig kilometer ten noorden van Bhuj, vlak bij de Rann, ligt de plaats Khavda. Om ernaartoe te kunnen hebben we eerst een vergunning gehaald bij een speciale politiepost, waarna de procedure werd afgerond in het kantoor van de districtsmagistraat. 'Landschapsfotografie is verboden', staat met vette letters op ons papier. Het heeft allemaal te maken met de spanningen tussen India en Pakistan, de oorlog van 1971 is in Kachchh hard aangekomen.

Nu zitten we dan met onze vergunning in de bus naar Khavda, en ook dat is minder vanzelfsprekend dan het klinkt. De tabellen met vertrektijden op het busstation en de opschriften op alle bussen zijn geschreven in sierlijk, maar volkomen onleesbaar Gujarati. Zelfs de cijfers komen niet overeen met de cijfers die wij gebruiken. Gelukkig hebben aardige mensen ons naar de juiste bus geleid. Het is er een die rammelt en brult, met ramen die uit voorzorg van plexiglas zijn en loszittende banken die plakkerig aanvoelen.

De weg bestaat uit een lange rechte strook asfalt met weinig kraters. We rijden door een kaal, nogal saai gebied. Er groeien voornamelijk acaciastruiken en cactussen, daartussen is de zandgrond vrijwel onbegroeid. Het land is vlak, ver weg rijzen de silhouetten van enkele heuvels op. De vrouwen die onderweg instappen, dragen namaak-ivoren armbanden over de hele lengte van hun armen. Vlak boven de ellebogen lijken hun armen op boompjes die jong een ijzeren band om de stam hebben gekregen.

Ongeveer halverwege de tocht rijden we een eind door de Banni, een steppe waar na de moesson een weelde aan voedzaam gras de grond uit schiet. Van heinde en verre trekken nomaden er met hun kuddes naartoe. Ik had wiegende groengele halmen verwacht, maar dat valt tegen, de afgelopen twee jaar is er tijdens de moesson veel te weinig regen gevallen. Dat ik toch weet dat dit de Banni is, komt voornamelijk doordat hier nauwelijks acacia's en cactussen meer groeien. Aan de grond ontspruiten alleen wat pollen die nog het meest aan dode hei doen denken.

Aan het eind van de asfaltweg stappen we uit, de bus keert om. We hebben anderhalf uur over de rit gedaan, dat is hier kort. De hoofdstraat van Khavda is een brede baan zand, waar stof opwaait zodra je een stap zet. Links en rechts zie ik winkels, die uit niet veel meer bestaan dan een kist op poten, of een paar platen hout betimmerd met platgeslagen blikken. Ertussen zitten, staan en wandelen een heleboel mensen, die bijna allemaal lange paarse of blauwe tunieken dragen met een wijde broek van dezelfde stof eronder. Over één schouder ligt een gebloemde sjaal. Het duurt even voor het tot me doordringt dat het stuk voor stuk mannen zijn, moslimmannen, met kohl-omrande ogen en lange kroezige puntbaarden. Degenen die al grijs zijn, hebben hun baard laten verven met henna.

Anders dan anders komt er niet meteen iemand op ons af, dus nemen we hetzelfde ontspannen, ietwat heupwiegende loopje aan als iedereen en gaan een willekeurige kant op. Auto's, scooters of riksja's zie ik hier niet meer, de enige vervoermiddelen die op passagiers staan te wachten zijn motorriksja's, samengesteld uit het voorstuk van een off-the-road motor en de achteras van een auto. Op de as rust een open bak, hele trossen mensen kunnen zo de vlakte op. Easy Rider in India, dit is de moderne kameel.

De eerste persoon die ons aanspreekt is een rondreizende artiest met een tanig donker gezicht dat wordt omlijst door een feloranje tulband. Zijn bullen draagt hij met zich mee aan de uiteinden van een stok, die in de breedte op zijn schouders rust. Eerst gooit hij twee schorpioenen voor mijn voeten, daarna laat hij een cobra dansen op de muziek van zijn murli, een fluit van een uitgeholde kalebas.

De artiest is op weg naar de school van Khavda, we gaan met hem mee en kijken toe terwijl hij op het speelplein een voorstelling geeft. De leerlingen zitten in een kring om hem heen op de grond. Na afloop laten we ons meevoeren door drie van hen, ze hebben tribalkleren aan. Via een afgesloten poort en een stelsel van gangen komen we op een binnenplaats met enkele huisjes eromheen. Onder een afdak zit een stel mannen te werken. Een van hen, hij kon wel een maharao zijn, zo vorstelijk ziet hij eruit, staat op en heet ons welkom. De man heeft vlezige wangen en een grote snor met gedraaide punten. Zijn huis is van dezelfde hemelsblauwe kleur als zijn tulband; met een elegant handgebaar nodigt hij ons uit er binnen te gaan. Op de veranda staan schoenen en slippers, we zetten de onze ernaast.

Het huis heeft één kamer. Uit de godenplaatjes aan de muur kan ik opmaken dat de bewoners Hindoe zijn. Tegen de achterwand van de kamer, recht tegenover de deur, staat een lage houten kast die ingelegd is met gekleurde ronde spiegeltjes. Er zijn geen ramen, blikkerend vangen de spiegeltjes het licht dat door de deur naar binnen valt. Boven op de kast ligt een stapel handgemaakte doorgestikte dekens; 's avonds worden ze als matras op de vloer uitgespreid.

De heer des huizes is leerbewerker. Voor ik het weet, ben ik geborduurde muiltjes aan het passen. We zijn er ingetuind, denk ik geërgerd, dit is folklore voor toeristen, ik heb daar een hekel aan. Folklore betekent immers dat iets kunstmatig in leven moet worden gehouden. Toch snap ik het niet helemaal, er komen hier in Khavda nauwelijks toeristen, bij de districtsmagistraat heb ik gevraagd hoeveel vergunningen er per jaar voor het noordelijk deel van Kachchh worden afgegeven. Het zijn er ongeveer vijftienhonderd. Er zijn tientallen dorpen die je daarmee kunt bezoeken, in Khavda komen gemiddeld misschien vier buitenlanders per week. Dat lijkt me voor deze meneer niet genoeg om zijn hele grootfamilie te onderhouden.

De moeder, vrouw en dochters van de leerbewerker dringen om me heen, ze graaien in een kist en houden verlokkend geborduurde lappen, bloeses en rokken omhoog. Het zijn hun eigen kleren. Rood, paars, roze en oranje overheersen. Het lijkt wel of ik midden tussen de Masaï zit; de donkere gezichten, al die warme tinten textiel, de glimmende haarspelden, de ronde zilveren halsbanden, de imposante oorbellen. Ongelooflijk dat deze mensen op een doordeweekse dag, waarop ze geen visite verwachtten, zoveel aandacht aan hun uiterlijke verschijning hebben besteed. Dit is helemaal geen folklore, dit is geen toeristenbusiness, ik ben beland in hun dagelijks leven. Dat ze me van alles te koop aanbieden, komt doordat ze nu eenmaal in de handel zitten. De leren muiltjes die deze handwerksman maakt, zijn bedoeld om te verkopen aan andere tribals.

Ik bezwijk voor een zwart-rode lap met spiegeltjes die oma me voorhoudt. Twintig, dertig jaar geleden heeft ze hem zelf geborduurd. Er zitten nog spijkers in, zo haastig heeft ze hem van de muur getrokken. Haar zoon kust de bankbiljetten die ik hem ervoor geef, daarna laat hij zijn vrouw thee maken. Deze mensen hebben er plezier in om contact met ons te hebben, wat zou ik graag veel van ze willen weten. Tot welke gemeenschap zouden ze behoren?

Ik wijs op meneer en op zijn vrouw, en vraag, hoewel ik al weet dat het antwoord 'nee' zal zijn: Rabari?

Na, antwoordt meneer.

Ik trek een zo vragend mogelijk gezicht, alsof ik wil zeggen: 'Wat bent u dan?'

Harijan, zegt de man, wij zijn harijans.

Natuurlijk, harijans zijn de enige Hindoes die leer mogen bewerken, hogere kasten zouden het niet in hun hoofd halen iets met het vel van een dode koe te doen. De term harijan is van Gandhi, en betekent 'kind van god'. Maar inmiddels is het begrip allang weer synoniem geworden met 'onaanraakbare', 'paria'. Deze mensen zien er niet uit alsof ze daaronder lijden, kennelijk bestaan er harijans en Harijans.

Is het voor u niet moeilijk hier in Khavda tussen de moslims te leven, zou ik willen vragen. Aan de overkant van de Rann, in Pakistan, ligt Sindh. Heeft u daar ook familie, zoals de meeste mensen in Khavda, en kunt u hen ook niet meer bezoeken sinds de laatste oorlog? Maar ja, ik kan niets vragen, ik kan alleen gebaren maken en de paar woorden Gujarati spuien die we inmiddels hebben geleerd. Daarmee kom ik niet ver. Het valt me verschrikkelijk tegen dat in dit gedeelte van India zo weinig Engels wordt gesproken.

Ek, duj, trin, star, panch, hoor ik mijn metgezel Jaap zeggen. Hij telt erbij op zijn vingers, bij de pink van de tweede hand zegt hij: des.

Iedereen zegt het hem na, maar dan een beetje anders. Duj is bij hen beh, trin is iets als tin en star is tsar.

Vervolgens zie ik Jaap op zijn oor en neus wijzen. Khan. Nakh. Het wordt bevestigd, dat zijn inderdaad zijn khan en zijn nakh. En bhal (hij wijst nu op zijn haar), pani (de inhoud van een kannetje water), thud (de melk in zijn thee), kham (de zon in de lucht), kal (het zwart in de doek die ik net heb gekocht). Alle woorden die hij opnoemt, worden met instemming begroet en herhaald, al is de uitspraak soms net even anders. 'Er is toch nog iets blijven hangen van mijn Romanes!', zegt hij triomfantelijk in het Nederlands tegen mij.

Het is verbluffend. Een jaar of zeven geleden heeft hij lessen Romanes gevolgd bij een Kosovaarse Rom die in Nederland woont. Ik wist dat over het algemeen wordt aangenomen dat de zigeuners in Europa oorspronkelijk bewoners van West-India zijn geweest, omdat er linguïstische overeenkomsten zijn tussen het Romanes en de talen die hier worden gesproken. Maar ik had niet verwacht dat in de praktijk geïllustreerd te zien en zelfs te kunnen toepassen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden