interview Stanley Raghoebarsing

‘Onze ouders wilden een beter leven voor hun kinderen, daarin is mijn familiegeschiedenis universeel’

Nandoe en Trees trouwen op 16 november 1955. Van links naar rechts: Sookrania, Trees, Sing, moeder Chowhania, Juliette en echtgenoot Naipal. Kinderen op de voorgrond: Annie (dochter van Juliette en Naipal) en Soesila. Foto's uit boek ‘Uit de klei van Saramacca’ door Stanley Raghoebarsing. Beeld archief van de familie

De Surinaamse oud-minister Stanley Raghoebarsing is nazaat van Indiase contractarbeiders. Hij schreef de geschiedenis van zijn (voor)ouders op. Daarin overheerst dat typisch Caraïbische gevoel van allemaal anders zijn, maar toch één. 

In de nacht van 12 januari 2008 licht een 0091-nummer op op de telefoon naast het bed van Stanley Raghoebarsing en zijn vrouw Lita in ­Paramaribo. Het is dochter Sadhana (dan 22), op dat moment voor een opleiding in India, het land van haar betovergrootouders.

Overal waar ze kijkt ziet ze mensen die familie ­lijken maar het niet zijn, zegt ze. Ze moet steeds aan haar opa denken, die overleed toen ze 16 was. ‘Pa’, zegt ze, ‘je wilt toch al zo lang het verhaal van ájá en áji (opa en oma) vertellen? Maak er nou eens tijd voor, schrijf het op.’

Elf jaar en een kleinkind (generatie zes) later ligt het boek Uit de klei van Saramacca op de salontafel in een nieuwbouwhuis in Den Haag. Naast een stapeltje onderzetters met de vlag van het moederland.

Stanley Raghoebarsing

Raghoebarsing (62) is in Nederland om zijn boek te promoten. Hij logeert bij zijn broer Iwan (uitgesproken als ‘aai-wen’) die er al sinds 1992 woont. De broers zijn elkaars evenbeeld: niet al te lang, een tikje buikig, vriendelijke ogen onder een glimmende zwart-grijzende haardos. En vandaag ook een identiek matige gesteldheid. Synchroon gesnotter en gekuch.

Griep hebben ze, en keelontsteking. Hun stemmen doen het nog maar net. Broer Iwan, die zich niezend naar de keuken begeeft, schenkt koffie in. De gezamenlijke tournee (‘Iwan is bij alles meegegaan’) van de afgelopen weken om het boek, met de ondertitel ‘een Surinaamse ­familiegeschiedenis’ in Nederland aan de man te brengen, is hen niet in de koude kleren gaan zitten.

Het boek ligt net in de Surinaamse boekhandel. Het kwam eerst in Nederland uit, op Lalla Rookh – de jaarlijkse herdenking van de aankomst van het eerste schip vol contractarbeiders uit India (toen nog Brits-Indië) in Suriname op 5 juni 1873. Bij de meeste Nederlanders minder bekend dan de jaarlijkse slavernijherdenking Keti Koti op 1 juli, vermoedt Raghoebarsing.

Hindoestanen in Nederland reageren enthousiast (‘het is alsof u mijn ­eigen verhaal heeft opgeschreven’) maar Raghoebarsing hoopt ook andere Nederlandse lezers te bereiken. ‘De geschiedenis van Suriname is vaak die van slavernij, maar er zijn ook groepen met een andere en nog onbekendere geschiedenis.’

Sahadew Raghoebarsing, roepnaam Nandoe, is op deze foto uit 1946 22 jaar. Uit het boek ‘Uit de klei van Saramacca’ door Stanley Raghoebarsing. Beeld archief van de familie

Aan de muur in de Haagse woning: tropische prenten en een klok in de vorm van Suriname. Op de buffetkast tussen andere familiefoto’s een groot zwart-witportret van vader Nandoe, een van de hoofdpersonages in de familiegeschiedenis die de Surinaamse oud-minister (van 2000 tot 2010, in de regeringen-Venetiaan) heeft geschreven.

Met hem begint de vertelling die bij vlagen leest als een roman, maar niet verzonnen is. Sahadew Raghoebarsing luidt zijn officiële Hindoestaanse naam, maar zoals bij de meeste Hindoestanen gebruikt iedereen zijn roepnaam: Nandoe. Zelf gebruikt hij geregeld de derde persoon en de naam Sing. ‘Ben je werkelijk boos op Sing’, schrijft hij zijn geliefde Trees in 1953.

CV Stanley Raghoebarsing

Stanley Kemerchend Raghoebarsing, geboren op 6 september 1956 in Paramaribo, getrouwd met Lita en vader van Sadhana, is econoom. Tussen 2000 en 2010 was Raghoebarsing achtereenvolgens minister van Planning en Ontwikkelingssamenwerking en van Landbouw, Veeteelt en Visserij in de regeringen-Venetiaan. Sinds 2017 is hij met pensioen. Een broer en zus van hem wonen in Nederland, zijn andere zus woont net als hij in Suriname.

Nandoe komt in 1924 ter wereld op de plantage La Prévoyance, op een dagreis van Paramaribo, als negende kind in een gezin van tien. Zijn grootouders kwamen net als die van alle Hindoestanen in Suriname en Nederland tussen 1873 en 1916 per schip als contractarbeiders uit India naar plantages in Suriname. Na de afschaffing van de slavernij was de vraag naar landarbeiders groot.

De meeste huishoudens op de plantage waar Nandoe in de jaren twintig en dertig opgroeit zijn Hindoestaans. Ook wonen er ­Creolen, Javanen, een enkele Chinees en een Hollands gezin. Nandoe weet, zo schrijft Raghoebarsing: dat is allemaal familie. Niet door bloed of religie, maar wel via de grond.

Het is een element dat overal in het boek opduikt: dat typisch Surinaamse gevoel van allemaal anders zijn maar toch één, door die verbintenis van het nieuwe land. De smeltkroes als uitgangspunt. Een gemixte samenleving die niet per se harmonieus, laat staan idyllisch functioneert, maar wel als pragmatisch concept. Een gegeven waarmee je het doet.

Een voor veel migranten en hun ­nakomelingen herkenbare passage in het boek van Raghoebarsing is die van het bezoek van vader Nandoe, reeds op hoge leeftijd, aan India, het land van zijn grootouders. Hij herkent veel, de taal, de cultuur, het uit­erlijk van de mensen, maar tegelijkertijd voelt hij zich er niet thuis.

Een creoolse vriend vertelde Raghoebarsing hetzelfde. ‘Hij ging naar Afrika en zag overal mensen die op hem lijken. Je zou denken dat het vertrouwd voelt, maar dat deed het niet. Want er ontbraken allemaal andere kleuren en culturen. Dat kan pijnlijk zijn, maar hij en ook mijn vader ervoeren dat vrij neutraal en misschien ook wel verheugd, in de wetenschap dat ze echte Caraïben zijn. Dat geldt ook voor mij: nergens anders dan in deze mengelmoes voelen we ons thuis.’

Soekdei Oedjaghir, doopnaam Maria Theresia. Uit boek ‘Uit de klei van Saramacca’, door Stanley Raghoebarsing. Beeld archief van de familie

Terug naar Nandoe: een energieke jongen die meer van sporten houdt dan van school en droomt van een leven in de grote stad. Op zijn 15de vertrekt hij per boot naar Paramaribo om in de leer te gaan bij een kleermaker.

Dankzij de Tweede Wereldoorlog beleven kleermakers gouden tijden: de vraag naar militaire uniformen is enorm. Nog voor zijn 20ste begint Nandoe zijn eigen zaak. In zijn vrije tijd feest hij met vrienden, doet aan wielrennen in de binnenlanden en zit hij bij gymnastiekvereniging THESOS – Tot Heil En Sterking Onzer Spieren.

Op een avond na een turntraining ziet hij een knap meisje met lang zwart haar uit de naastgelegen school komen, waar zij leert voor onderwijzeres. Soekdei Oedjaghir is ook een afstammeling van Indiase contractarbeiders. Haar familie noemt haar Bacci, maar na het overlijden van haar vader en niet lang daarna haar moeder hebben de nonnen zich over het minderjarige meisje ontfermd. Ze wordt katholiek, doopnaam Maria Theresia, en zal dat tot haar dood blijven. Zo leert de atletische praatjesmaker haar kennen als Trees.

U gebruikte onder meer hun liefdesbrieven voor de reconstructie van hun geschiedenis.

‘Mijn vader heeft ze vlak voor zijn dood in 2002 aan me gegeven. Ze stammen uit de tijd dat ze net een relatie hadden en tijdelijk op afstand van elkaar woonden. Mijn vader in Paramaribo en mijn moeder als onderwijzeres in Nickerie, een dagreis verderop. Ze waren nog niet getrouwd, het was allemaal heel modern en eigenlijk not done.

‘Het zijn er 56. Al denk ik dat het een gecensureerde selectie is en dat mijn vader de al te pikante en conflictueuze exemplaren heeft verduisterd.’

Hoe was het om de brieven te lezen?

‘Ik heb ze veel beter leren kennen. Ze waren wel lief tegen elkaar, maar ik had niet door hoe goed hun huwelijk was. Mijn vader pakte weleens een borrel, ze hadden ruzies en mijn moeder had sombere buien.

‘Ook in de brieven hadden ze ruzies, mijn vader was een vlotte babbelaar die van alles geheimhield, zoals zijn gebrek aan scholing en een kortstondig huwelijk in zijn tienerjaren met een andere vrouw. Ondanks alle misverstanden vonden ze veel steun bij elkaar.

‘Mijn vader moedigde mijn moeder aan in haar wens om te werken en zelfstandig te zijn, terwijl haar broer haar juist pushte om braaf te trouwen. Mijn vader hielp mijn moeder om te zijn wie ze wilde zijn. Andersom gold hetzelfde. Ze deed soms boos, maar ze accepteerde mijn vaders grillen.’

In veel families speurt wel iemand naar de geschiedenis van zijn voorouders, u schreef hem op. Waar komt die drang vandaan?

‘Als je jong bent, hoor je de verhalen van je ouders over hun jeugd braaf aan, maar het zegt je niet zoveel. Ik wist dat ze armoede en honger hadden gekend.

‘De waardering voor wat mijn ouders voor ons hebben betekend, diende zich pas echt goed aan nadat ik zelf vader werd, na mijn 40ste. Het besef dat zij met hun doorzettingsvermogen voor ons het pad hebben geëffend. Door hun geschiedenis op te schrijven wilde ik erkennen wat eerdere generaties voor ons hebben gedaan.’

Het schrijven van de familiegeschiedenis ging allesbehalve vanzelf. Raghoebarsing – van huis uit econoom – moest zich bekwamen in tal van zaken waar hij geen ervaring mee had. Hij begon zijn onderzoek in de tijd dat hij nog minister was, ’s nachts in zijn werkkamer onder een tl-lamp met het suizen van de ventilator op de achtergrond.

Beeld archief van de familie

Zijn moeder kon hij niets meer vragen, zij was al jaren dood. Zijn vader leefde nog en wilde vertellen. Maar hoe interview je iemand? Raghoebarsing had geen idee. ‘Toen ik het eenmaal doorhad, was het te laat. Een half jaar later was hij overleden.’

Hij sprak met andere familieleden, vrienden en kennissen van zijn ouders. Speurde in archieven en gebruikte in totaal zeshonderd brieven, vooral uit eigen archief. Van 1974 tot 1981 studeerde Raghoebarsing in Tilburg: in die jaren correspondeerde hij met zijn ouders, broers en zussen.

Vooral de brieven van moeder Trees zijn een genot om te lezen. Vrijwel elke brief bevat passages over de roerige politieke situatie in Suriname rondom de onafhankelijkheid van 1975, over de inflatie en de onlusten. En zoals alleen een moeder kan, schakelt ze moeiteloos door naar de meer prozaïsche wensen die ze heeft voor haar zoon: slik je vitamine C en kom thuis met een keurig Hindoestaans meisje.

K.R. Sing: Uit de klei van Saramacca. Een Surinaamse familiegeschiedenis. Uitgeverij Boom; 220 pagina’s; € 20.

Sing

K.R. Sing staat er op de cover van het boek. Stanley is de westerse roepnaam van Raghoebarsing. Hun traditionele Indiase voornaam gebruiken Hindoestanen alleen op papier. Die van Stanley is Kermechend. De naam Sing prijkte ook op het uithangbord van zijn vaders kleermakerij. ‘Veel Hindoestaanse namen eindigen op Sing, uit gemak gebruiken we dat in Suriname bijna allemaal. Enige nadeel: veel winkels heten Sing.’

Smeltkroes Suriname 

Suriname heeft iets meer dan een half miljoen inwoners. De grootste bevolkingsgroepen in het land zijn Hindoestanen (van Indiase komaf, vaak hindoe maar ook moslim), Creolen (afstammelingen van tot slaaf gemaakte Afrikanen), Marrons (afstammelingen van vrijgevochten en ontsnapte slaven) en Javanen. Verder wonen er tal van Chinezen, Libanezen, joden (vaak uit Portugal) en Boeroes (nazaten van Nederlandse kolonisten).

Lees ook over de zoektocht van journalist Karin Sitalsing naar de geschiedenis van haar Surinaamse moeder, een Boeroe. Of lees de reportage van Kees Broere over de sporen van slavernij bij de Marrons in Suriname.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden