Onze man in Teheran: Mijn hart ligt in Iran en in Nederland, maar mijn hoofd is meestal in New York

Volkskrant-journalist Thomas Erdbrink woont in Teheran. Hij bericht op deze plek meestal over het dagelijks leven in zijn land.

242 West 41st Street, New York. Het gebouw van The New York Times.Beeld Jonathan Torgovnik/Getty

Mijn hart ligt in Iran en in Nederland, maar mijn hoofd is meestal een heel eind verderop. In New York om precies te zijn. Daar, in een toren van 52 verdiepingen, huist mijn belangrijkste opdrachtgever, The New York Times.

Alles is natuurlijk groot in Amerika. Het gebouw is niet alleen imponerend omdat het als een machtige pilaar de lucht insteekt, maar ook omdat binnen, vanachter een batterij van cubicles, vierkante kantoorwerkruimtes, keiharde journalistiek wordt bedreven. Iedereen, zeker in Amerika, respecteert en vreest The New York Times.

Voor het #MeToo-debat dat de krant mede aanzwengelde, kreeg het een Pulitzerprijs. In totaal ontvingen ze dit jaar drie Pulitzer-onderscheidingen. Onlangs was rapper JayZ nog op bezoek, en als ik door de voordeur loop, stapt verderop voormalig FBI-directeur James Comey in de lift. Zelfs President Trump, die bij ieder artikel 'fake news' roept, komt soms langs om een interview te geven.

'Ik ben altijd een beetje zenuwachtig als ik op de redactie langs ga'

Ik ben vanuit Teheran een radertje in die machine van macht en invloed. Er werken honderden mensen voor de krant in het buitenland en ik - de Tehran bureau chief - ben daar een van. Amerikanen zijn dol op mooie titels, al helpen die weinig als ik voor de balie sta. 'The Tehran bureau chief...? Do we even have someone there?', vraagt de beveiliger. 'Yez, mie', antwoord ik.

Ik ben altijd een beetje zenuwachtig als ik op de redactie langsga. Mijn naam staat weliswaar bij de artikelen op de website en in de krant, maar uiteindelijk ken ik er maar een paar mensen. Het is goed om op bezoek te komen, om te weten wat ze denken en willen.

Als journalist moet je altijd rekening houden met je publiek, je lezers, je kijkers of je luisteraars. Soms voel ik me verstrikt in drie culturen, de Iraanse, de Nederlandse en de Amerikaanse. Het is een constant schakelen tussen taal, achtergrond en cultuur.

Nederlanders bagatelliseren dingen graag. Wat soms groot is, maken wij klein. Waarom dat is weet ik niet. Misschien om het leven behapbaar te maken. Misschien omdat groot nu eenmaal niet past bij een land waar je na drie uur rijden al over de grens bent. Een verhaal moet interessant zijn en over mensen gaan. Nederlanders zijn dol op verhalen over mensen.

'Ik schrijf dan wel niet voor Iraniërs, maar ik spreek ze des te meer'

Amerikanen ken ik een stuk minder goed dan Iraniërs. Maar ik werk nu al tien jaar voor Amerikaanse media. Voordat ik de toren aan 242 West 41st Street zes jaar geleden binnenliep, werkte ik vier jaar voor The Washington Post. Amerikanen maken alles graag groot. Misschien omdat ze zoveel ambitie hebben. Ook omdat ze het machtigste land ter wereld zijn. De artikelen - producties noemen we ze - moeten altijd de beste zijn, en impact hebben. Ze moeten gaan over de gevolgen van Amerikaans beleid, over macht.

Ik schrijf dan wel niet voor Iraniërs, maar ik spreek ze des te meer. Mijn taak is hun verhalen over te brengen aan de lezers van The New York Times, de Volkskrant, en de kijkers van de NOS en Onze man in Teheran. Iraniërs voelen zich (en zijn) onbegrepen door de wereld, en zijn daarom heel gevoelig over alles wat er over ze wordt geschreven.

Voor Amerikanen geldt dan ook nog dat ze moeilijk in Iran op bezoek kunnen vanwege de politieke problemen tussen beide landen die nu al bijna veertig jaar duren. Wel kennen ze vaak Iraniërs, want daar wonen er een miljoen van in de Verenigde Staten.

Mijn chef is een echte New Yorker. Gympies, khaki broek en af en toe kauwgom. Toen ik hier net als journalist werkte, bezocht hij ons toen Newsha en ik een feest gaven en nu denkt hij dat het altijd feest is. 'Heb je nog gefeest?', vraagt-ie. Een fijn begin in de onderhandelingen over meer vrije dagen (nu twintig).

'Minder verhalen over hervormers en conservatieven, meer verhalen over mensen'

Binnen een paar dagen ontmoet ik iedereen, van A.J., de administrator (secretaresse) tot A.J., de eigenaar van de The New York Times, die jonger is dan ik. Allemaal vragen ze, hoe leef je daar? Ik begin dan altijd bij het begin, ik woon in een flat (en niet in een tent). Heb een Hyundai (en geen kameel) en Newsha staat niet achter het aanrecht. Als er bijna nooit iemand van de krant op bezoek komt, en als er geen ambassade, consulaat, toeristen of zelfs bedrijven zijn, ja dan maakt onbekend onbemind.

Ook al gaan mijn artikelen vaak over macht, de redacteuren vragen voornamelijk naar wie de Iraniërs zijn. Mijn chef denkt daar nu ook zo over. 'Minder verhalen over hervormers en conservatieven', besluit hij, 'meer verhalen over mensen willen we. Schrijf eens over je feesten.'

Na vier dagen ga ik weer naar Teheran. Uiteindelijk krijg ik wat meer vakantiedagen, en vooruit, ook recht op een dag vrij in het weekend. Als ik op vrijdagmiddag om 6 uur de redactie verlaat, zitten de meesten nog druk te typen alsof het pas 11 uur in de ochtend is. Je krijgt het in Amerika niet voor niets.

Twitter: @thomaserdbrink

Thomas Erdbrink.Beeld Frank Ruiter
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden