Column Sylvia Witteman

Onvermoeibaar besprong Piet dagelijks al onze kippen

In de Volkskrant stond maandag een verhaal over een gezin met jonge kinderen dat twee kuikens opvoedt tot kippen en die vervolgens slacht en opeet. Ik moest denken aan de kippen die wij thuis hielden in de tuin, toen ik zelf klein was. Kippen hebben veel voordelen. Ze zijn zachtaardig, ze eten alles, van kliekjes andijvie tot afgeknipte teennagels, ze leggen gratis eieren, de kuikens zijn schattig en omdat ze, eenmaal volwassen, niet meer schattig zijn maar voornamelijk ontzettend dom, valt het slachten niet zwaar.

Het waren er een stuk of zes, krielkipjes, die bestierd werden door een prachtige haan die Piet heette. Er was nogal wat verloop in die kippen – ze werden gepakt door vossen of honden uit de buurt – maar die haan blééf. Onvermoeibaar besprong hij dagelijks al die kippen, ‘treden’ heette dat, wisten we van de buurman, die er verstand van had.

Er kwamen geregeld kuikens van. Dat was altijd weer een feest. Eerst het verschijnen van die pluizige bolletjes, en wat later de gebraden haantjes met appelmoes. Je kunt niet meer dan één haan houden, wist de buurman, anders krijgen ze maar ruzie. Zodra de hanenkuikens de baard in de keel kregen kwam hij ze ’s avonds van hun stok lichten om ze de nek om te draaien. Geheel volgens het boekje speelden wij, kinderen, met de afgesneden klauwtjes. Je trok aan het peesje en het klauwtje kromde zich. Dat vonden we leuk. Nou ja, we hadden nog geen Fortnite.

Op een zonnige dag, ik zal een jaar of 8 geweest zijn, kwam er weer eens een nest kuikens uit. Een van de kuikens kreeg het niet voor elkaar zijn eierschaal open te breken. Mijn moeder waarschuwde dat ik de natuur de vrije loop moest laten, maar ik kon de worsteling niet aanzien en pelde hem stiekem uit zijn ei. Ook weer geheel volgens het boekje dacht dat kuiken toen dat ik zijn moeder was. De hele dag liep hij achter me aan, en ’s nachts sliep hij naast me op mijn kussen. Ik noemde hem Sebastiaan. Blijkbaar was ik een pretentieuze trut.

Ik was verguld met dat wezentje. Eindelijk eens iemand die tegen me opkeek! Maar de voorzienigheid had andere plannen. Toen hij een week of drie oud was, viel er een grote, zware appel uit onze appelboom, precies op Sebastiaan. En toen was hij dood. Hij was te klein om op te eten, dus hij kreeg een grafje naast de schuur.

‘Je had hem ook nooit uit zijn ei mogen pellen’, zei mijn moeder. Dat sloeg natuurlijk helemaal nergens op, maar ik geloofde het.

Kinderen zijn zo dom. Bijna even dom als kippen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.