InterviewOnno Bosma

Onno Bosma over het verlies van zijn vrouw, Ella Vogelaar: ‘Demonen kun je niet echt afschudden, hooguit dresseren’

Onno Bosma in Waterliniemuseum Fort bij Vechten: ‘We wilden samen de wereld ingaan, en de samenleving beter en mooier maken. Daar heb je wel ein holdes Weib voor nodig.’Beeld Anouk van Kalmthout

Voormalig minister Ella Vogelaar droeg het geheim van haar depressie haar hele leven met zich mee. Haar man Onno Bosma (80) vertelt over zijn grote liefde en de leegte die volgde na haar zelfdoding.

‘Het ging mis bij het inpakken van haar verleden’, zegt Onno Bosma. Hij zit aan de keukentafel in zijn moderne Utrechtse appartement. ‘We gingen verhuizen, naar dit gebouw. Ella wilde opruimen. Al die verhuisdozen met bewaarde notulen, memo’s en beleidsnota’s confronteerden haar met de loop van haar leven. Ze voelde spijt. Niet van de dingen die ze had gedaan: ze had genoten van haar ministerschap en ze kon heel geanimeerd vertellen over haar activiteiten als vicevoorzitter van de FNV of als commissaris van Unilever, altijd met de inzet om meer vrouwen in bestuursorganen te krijgen of de topinkomens te matigen. De vraag waarmee ze kampte was: had ze wel genoeg aandacht gehad voor de mensen om zich heen? Was ze zelf een waardevol mens? Was ze wel liefde waard?

‘Die worsteling triggerde bij haar een depressie – die ze al jaren met enige regelmaat had. Een hevige, deze keer. Kort ervoor had ze een paniekaanval gehad met een acute doodswens, daarom slikte ze antidepressiva. Van opruimen kwam niets. ‘Hou er maar mee op, El’, zei ik. Ze liet het liggen. Ondanks de medicijnen werd ze gaandeweg somberder. Op een dag vond ik haar, in onze slaapkamer. Ze bewoog schokkerig. Jij hebt een nachtmerrie, dacht ik eerst. Ik liep naar de badkamer om een nat washandje te halen. Toen zag ik de leeggedrukte pillenstrips.’

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie

Hij staat op. ‘In de rouw doe je merkwaardige dingen’, zegt hij met een schuchter lachje. ‘Ik heb een altaar voor Ella gemaakt.’

Bij de boekenkast staat een brandende witte kerkkaars, met enkele memorabilia. De laatste foto die Onno van haar heeft gemaakt. Een zilveren armband. Een knuffelkonijn. Een bronzen beeldje van Icarus. Een crematoriumsteentje met nummer 54657, dat achterbleef bij Ella’s as.

Wat opvalt is een ansichtkaart van de Franse surrealist Topor: een fee loopt door een bos, met in haar sleep een dromende man. ‘Dat was ik, volgens Ella. Ik noemde haar mijn toverfee, de vrouw die mij meenam op haar avonturen. Die magie blijft.’

Het pluchen konijn leunt tegen een vaas. Wat is het verhaal daarachter?

‘Zij is de helft van ons knuffelpaar.’ Hij loopt naar de aangrenzende slaapkamer. Het dekbed is aan de linkerzijde opengeslagen, met gekreukt onderlaken. Het andere deel ligt er strak bij. Op het hoofdkussen aan die kant: een pluchen beertje. ‘Hij is Beer. Beer en Nijn hebben ons overal vergezeld, meer dan een kwarteeuw lang.’

Hij gaat koffiezetten.

Was hun verliefdheid een coup de foudre, zoals de Fransen zo mooi zeggen?

‘Nee. Ik zou het aantrekking op het eerste gezicht noemen. We herkenden elkaar. In het jaar van onze ontmoeting, 1973, waren we allebei lid van de onderwijsgroep van de CPN, de Communistische Partij van Nederland. In district Utrecht was El opgevallen als vormingswerker, ze was nog maar een jaar of 23. We leidden bijeenkomsten en vergaderingen van onderwijsgroepen en beoordeelden gemeentelijk beleid en begrotingen. Ik vond haar mooi. En: ik genoot van haar scherpte en scherpzinnigheid. Maar er was geen persóónlijk contact. Ik voelde ook niets erotisch of zo. Dat kwam mede door haar koele uitstraling, haar afstandelijkheid. Ik had toen een bijnaam voor haar: ies-ko-oed, een andere uitspraak van ‘ijskoud’.

‘Dat beeld veranderde in 1980. Op de blauwe bankjes van het Congrescentrum in Utrecht raakten we in gesprek over ons privéleven. Ik dacht: hé, deze vrouw heeft ook diepe emoties! Het was de eerste keer dat ze zich aan mij liet zien. Dat maakte de aantrekkingskracht al veel groter, maar ik besloot niet op jacht te gaan. Ik was begin veertig en had net de brokstukken van mijn scheiding opgeruimd. Om het weekend had ik de zorg voor drie jonge kinderen. Ella en ik begonnen elkaar wel vaker te zien, meestal in haar huis in Utrecht. Ik hoopte gaandeweg op meer, ietsje meer, maar dan zei ze ’s avonds toch: ‘On, denk je om je trein?’ Hahaha. Wangzoenen op de deurmat, daar bleef het bij. Pas na de zomer van 1982 zei ze: ‘Ik zou het leuk vinden om een week met jou op vakantie te gaan.’ Toen dacht ik: bingo. We zouden naar Lochem gaan. Ineens wilde ze toch liever een lang weekend. Kon me geen barst schelen, ik wist: ook dan sleep ik de hoofdprijs wel binnen.’

Hij straalt. 

‘Had ik dat geduld niet betracht, dan was er nooit iets gebeurd. Bewust of onbewust wilde ze dat ik haar terughoudendheid respecteerde. Ella had moeite om zichzelf bloot te geven. Ook zij had in die tijd het nodige te verwerken, door een gestrand huwelijk. Haar ex en ik gaan elkaar nog ontmoeten. Ik vond laatst hun trouwring.’

Elke relatie heeft een eigen formule en dynamiek. Wat was die tussen Onno Bosma en Ella Vogelaar?

‘Zielsverwantschap. En niet alleen dat: ongelooflijk hoe hitsig we in het begin waren. Ik heb altijd een romantisch verlangen gehad naar een geliefde die ook je muze is. Ik wist: zij is de persoon die mijn leven zin, inspiratie en betekenis geeft...’ Zijn stem breekt. ‘Ik moet nu denken aan de Negende symfonie van Beethoven. Wer ein holdes Weib errungen, Mische seinen Jubel ein. Dat gaat over de jubel van de mensheid die verenigd wordt. Dat was ons ideaal! We wilden samen de wereld ingaan, en de samenleving beter en mooier maken. Daar heb je wel ein holdes Weib voor nodig. Holdes betekent edel, mooi.’

Een ideale wereld. Hoe moest die eruit gaan zien?

‘Rood. Ella is altijd rood gebleven, ook al maakte ze de overstap van de CPN naar de PvdA. Haar interesse lag vooral in het vakbondswerk. Ik nam in 1984 afscheid van het communisme, ik had de verkeerde keuze gemaakt. Ik was een vernieuwer, ik wilde een alliantie met andere linkse partijen, maar dat liep vast. Dat afscheid bezorgde me de enige depressieve periode die ik ooit in mijn leven heb gehad.

‘In die tijd nam de carrière van Ella in de vakbond een vlucht, door een combinatie van haar intellect, strijdlust, principes en gratie. Daar zat ook een deel van mijn neerslachtigheid: ik was jaloers op haar succes. Mannelijke jaloezie, noem ik het: boven op de apenrots willen staan. Ik had de neiging haar doorbraak af te zetten tegen mijn gebrek aan succes. Ik was dan wel lid geweest van het partijbestuur van de CPN, en als voorzitter van de Amsterdamse afdeling van de onderwijsbond mocht ik er trots op zijn dat ik de eerste docentenstakingen ooit had georganiseerd, maar toch. Jaloezie is moordend, hè. Daar moet je vanaf. Ik zag het ook als een bedreiging voor onze liefdesrelatie. Daarom ben ik in therapie gegaan, elf sessies. Al na de eerste keer zei die psychotherapeut: ‘Maak je maar niet ongerust, Onno. Het komt wel goed met jou.’ Ze had me ervaren als iemand met een sterke, gezonde identiteit.’

Onno Bosma: ‘Ze had me ervaren als iemand met een sterke, gezonde identiteit'. Beeld Anouk van Kalmthout

Ella lag op de intensive care.

‘Ik stond aan haar bed. Langzaam... werd ze weer wakker. Verbazing op haar gezicht, zo van: hé, ik ben er nog. Haar maag was leeggepompt. Artsen zeiden dat ik haar net op tijd had gevonden, dat had geen halfuurtje later moeten zijn. Die eerste zelfmoordpoging was een catharsis: bij het ontwaken was de paniek weg. De depressie ook. De volgende ochtend was ze alweer thuis. Het was eind juni 2017. Véél gepraat en gewandeld. Ik zei nog met een kwinkslag: hoe kun je nou zo stom zijn een zelfmoordpoging te doen als ik thuis ben? Van de depressie knapte ze op door therapie en medicatie. Er begon een fase waarin ik haar weer leerde kennen als die schitterende, leuke, mooie, strijdbare, heerlijke vrouw. Want dat wás ze. Depressies had ze al vanaf haar adolescentie gehad, met een ritme van eens in de anderhalf, twee jaar, soms langer. Het duurde meestal een maand of twee, maar dat definieerde haar niet. Behalve op het eind.’

Zag ze depressiviteit misschien als falen?

‘Zonder twijfel. Dan was ze futloos, wanhopig en verdrietig. On, blijf je bij me? Je blijft toch bij me, hè? Niet dat ze aan mijn loyaliteit twijfelde. Het was meer het gevoel dat ze zelf niet bij me kon komen, door de zwartheid van haar gemoed.’

‘Zelfs in tijden van diepe depressie’, zei haar hartsvriendin Muike, die we voor de ontmoeting met Onno Bosma spraken, ‘kon ze nog op maandagmorgen haar mantelpakje aantrekken, haar lippen stiften en zogenaamd monter de deur uitstappen.’

‘Klik-klak, klik-klak – met die hakjes.’ Hij glimlacht. ‘Vrijwel niemand wist iets van haar periodieke neerslachtigheid. Naar de buitenwereld bleef dat taboe. Voor zichzelf dan, want depressiviteit van anderen kon ze volledig aanvaarden, dan wás ze er voor die persoon. Ze heeft niet ingezien dat openheid over haar eigen depressiviteit in emancipatoire zin betekenis had kunnen hebben voor andere mensen.’

Wat was de grondslag van die terugkerende neerslachtigheid?

‘Het zat in haar natuur, maar haar opvoeding heeft ook niet geholpen. Moe Vogelaar was een trotse, slimme vrouw. In het godsdienstige boerenmilieu in de jaren vijftig kon ze haar intellectuele en bestuurlijke capaciteiten totaal niet kwijt – simpelweg omdat ze een vrouw was. Dat was haar frustratie. Ze schreef eens in een brief dat ze boven de wieg van Ella had gestaan en had gezegd: ‘Jij bent een heel bijzonder kind. Ik wil dat jij slaagt waarin ik niet geslaagd ben. En ik geloof dat je me hoort.’

‘Die boodschap is haar moeder jaar in jaar uit blijven geven. Ella was zo slim dat ze de zesde klas, nu groep 8, kon overslaan. Moe regelde dat, door de directeur van de hbs te bewerken. Ella was ontvankelijk voor de opdracht van haar moeder, omdat het aansloot bij haar eigen karakter. Al had ze het niet makkelijk. Ze worstelde met de vraag: wie ben ik? Doe ik wat ik doe om te beantwoorden aan de verwachtingen van mijn moeder? Ben ik haar verlengstuk, of zijn dit puur mijn eigen keuzen? Ik denk zelf: het was beide. Zeker in haar depressiviteit kwamen de demonen los: altijd maar werk-werk-werk, maar wat is nou mijn persoonlijke identiteit? Wat wil ik zelf? Waarom kan ik me niet ontslaan van de wil om maatschappelijke betekenis te hebben? Kan ik wel voldoende liefde geven en ontvangen?’

***

Op 22 februari 2007 werd Ella Vogelaar beëdigd als minister voor Wonen, Wijken en Integratie in het kabinet-Balkenende IV. Eerder was ze al vicevoorzitter geweest van de FNV, maar de functie van bewindsvrouw was de kroon op haar carrière. Toenmalig PvdA-leider Wouter Bos noemde haar ‘een menselijk powerhouse’.

‘Haar moeder was blij’, herinnert Bosma zich. ‘Pa glom ook: ‘En dan nog wel van Flipland!’ Hij doelde op Sint Philipsland, Zeeland, zíjn provincie, waar hij koeien hield. Voor Ella ging het niet om scoren of zo. Haar ambitie was zeker een stuwende kracht, en ze wilde graag gezien worden, maar de inhoud stond voorop. Ze vond het belangrijk om aan touwtjes te trekken waaraan volgens haar al jaren moest worden getrokken. Het kabinetsplan om veertig kwetsbare ‘Vogelaarwijken’ weer leefbaar en veilig te maken, daar was ze razend enthousiast over.

‘Op de ochtend van haar beëdiging gaf Ella mij een cadeau: een klein bronzen beeldje van Icarus. Dat hebben jullie op het altaartje zien staan. Het was een waarschuwing voor haarzelf: verbeeld je maar niks. Icarus is een mythische figuur die vloog met vleugels van een houten raamwerk, veren en was. Hij werd roekeloos en ging te hoog: zijn vleugels smolten in de zon en hij stortte neer. Het verhaal van Icarus symboliseert ook wel het leven van Ella, haar innerlijke strijd. Ik denk dan niet aan hoogmoed. Ze wilde vliegen! En vliegen dan vooral in de betekenis van: de levens van mensen verbeteren. En... ze is neergestort. Niet omdat ze zelf een mislukt leven had, helemaal niet zelfs. Ze voerde op depressieve momenten een innerlijk gevecht met iets duisters dat het zicht vertroebelde op wie ze werkelijk was.’

Hartsvriendin Muike had Ella afgeraden minister te worden – juist vanwege haar gevoeligheid en neiging tot depressiviteit.

‘Ik was het niet met Muike eens. Of El nou baantje A of baantje B nam, waar ze ook haar ziel en zaligheid in gooide, voor het komen en gaan van depressies maakte dat geen flikker uit. In die neerslachtige perioden bleef het in de kern gaan om de littekens van haar verleden: te weinig affectie gekregen, een moeizame omgang met liefde. Met de wijsheid van nu vind ik overigens wél dat Ella geen minister had moeten worden. Maar dat heeft niets met haar depressies te maken. Het gaat om een politieke afweging. Pas in het allerlaatste stadium kwam zij erachter dat in het regeerakkoord eigenlijk niets was afgesproken over de noodzakelijke honderden miljoenen om die achterstandswijken op te knappen. Dat moest vooral komen van woningcorporaties, en die zetten vervolgens de hakken in het zand. Misschien is Ella naïef geweest toen ze Wouter Bos geloofde dat de financiering wel rond was. En als je al zo ver in het traject zit om minister te worden, is de drempel wel erg hoog om alsnog nee te zeggen.’

Elf jaar geleden schreven ze samen een (dag)boek over de ministersperiode: Twintig maanden knettergek. Daarin worden ook enkele ongelukkige mediaoptredens van Ella Vogelaar ontleed. Bij Pauw & Witteman namen Jort Kelder en Heleen van Royen haar de maat: ze zou te weinig charisma hebben. In het boek beaamde Bosma dat.

‘Ach, ze vond die Kelder gewoon een omhooggevallen klootzak. Maar ja, als minister kun je je het niet permitteren om zo met de media om te gaan. Ze was trots, hè. Dat zag je ook bij het interview met die Castricum van GeenStijl. Op allerlei vervelende, zuigende vragen bleef ze ijzerenheinig zwijgen. ‘Ik walg van die man’, zei ze later tegen mij. Dat begreep ik heel goed, het was verschrikkelijk hoe de ‘journalistiek’ zich daar verlaagde, maar ze had veel beter een laconieke opmerking kunnen maken. Ella vocht dan met de verkeerde wapens. Ze had ook een bloedhekel aan het verschijnsel ‘spindoctor’. En over charisma: in de probleembuurten had ze genoeg uitstraling en gezag. Ze kreeg de boel heus wel in beweging! Ik zei tegen haar: ‘Je zit te veel in de wijken en te weinig in Nieuwspoort, bij de journalisten in Den Haag.’’

In november 2008 zegde Wouter Bos het vertrouwen in haar op.

‘Die mindere optredens in de media waren niet de reden om Ella eruit te kieperen’, zegt hij stellig. ‘Het was een politiek conflict. Door haar milde, verzoenende toon wekte ze bij het grote publiek de indruk alleen minister te zijn voor migranten, niet voor oorspronkelijke Nederlanders. Ze was realistisch, al liep ze misschien wat ver voor de troepen uit. Dat verklaart die fameuze uitspraak van haar dat ze zich kon voorstellen dat de islam een deel van onze cultuur zou worden. Ze kreeg kritiek, Wilders noemde haar knettergek, maar ze had natuurlijk volkomen gelijk! Wouter wilde een polariserende, hardere toon aanslaan in het integratiedebat. Nieuwkomers moesten óók verantwoordelijk worden gemaakt voor hun lot. Dat laatste wilde Ella natuurlijk ook, maar over die polarisatie was ze onbuigzaam. Nou, dat is ontploft. Letterlijk zei hij tegen haar: ‘Ik heb het helemaal met jou gehad.’ Daarom werd ze gedropt.’

Wat dit een trigger voor een depressie?

‘Op geen enkele manier. Ze was heel reëel: je kunt strijden en verliezen. Ze vond dat Wouter onvoldoende duidelijk was geweest over de financiering van de Vogelaarwijken, maar ze heeft zich door hem nooit verraden gevoeld. En dat ‘knettergek’ van Wilders zag ze meer als geuzenterm. Op de dag van het ontslag was ze heel koel. ‘Er is een diepgaand meningsverschil in de PvdA over het integratiebeleid’, zei ze in haar slotverklaring. Ik was erbij toen die werd opgesteld. Ik zei: ‘Alsjeblieft, geen tranen.’ Omdat ik wilde dat ze tot op het einde trots en waardig bleef – en stónd voor haar politieke opvattingen. Dat is haar gelukt. Maar de volgende ochtend werd ze naast me wakker en zei: ‘Onno, ik vind het wel klote.’ Toen heeft ze gehuild.’

***

Hij legt een versierde zilveren lepel op tafel. 

‘Kennen jullie zo’n ding?’

Hij wacht het antwoord niet af. ‘Baby’s krijgen soms een geboortelepel, met hun naam erin gegraveerd. Als het kind het huis verlaat, gaat die lepel mee. Met name in het noorden van Nederland is dit traditie. Deze heb ik bij een antiquair gekocht. Precies een jaar na Ella’s eerste zelfmoordpoging heb ik hem aan haar gegeven. ‘Dit is een wedergeboortelepel’, zei ik. Ze was ervan overtuigd dat ze door medicijnen en therapie eindelijk bevrijd was. Vol trots kon ze tegen me zeggen: ‘Kijk On, ik heb vanmiddag anderhalf uur heerlijk op de bank zitten lezen. Ik voelde niet eens de onrust van: ik moet nog mailtjes doen.’ Ze werkte keihard om het wat rustiger aan te doen. Dat ze meer van het leven kon genieten. Ze was zo overtuigd, zo energiek, zo trots...’ Hij valt even stil. ‘Maar ze moest op den duur erkennen dat ze zich had vergist: van bevrijding was geen sprake. Precies dat was denk ik de grootste oorzaak van haar laatste depressie.’

‘Dat Ella zich bevrijd noemde, was een verkeerde taxatie’, zegt vriendin Muike. ‘Je kunt je als mens niet definitief ontdoen van wie je door je geschiedenis bent geworden. Wel kun je er door een open houding anders mee omgaan. Zoiets hield ik Ella ook voor, maar ze zei: nee, ik heb mijn oude ik écht afgelegd.’

Bosma knikt. ‘Inmiddels is duidelijk dat Muike gelijk heeft: demonen kun je niet echt afschudden, hooguit dresseren. Maar ik had het idee dat Ella in ieder geval haar directe doodswens kwijt was. Die druk voelde ze minder, dat had een helend en positief effect. Ze was ook niet meer zo moe. Viel niet meer in slaap tijdens de opera. In juni vorig jaar nam ze afscheid van twee commissariaten. Ze dacht klaar te zijn voor haar nieuwe bestaan, voor een lege agenda. Maar nee.

‘Er kwam nog iets bij. In september pleegde een goede vriendin van ons zelfmoord. Ze maakte deel uit van een studievriendenclubje waarmee we al jaren omgingen. Zij had een ander soort depressie dan Ella, bij haar werd de zin in het leven gaandeweg minder en minder. Tijdens ons rouwbezoek was Ella een en al toewijding en betrokkenheid bij het verdriet van de weduwnaar. Ik zag: hij heeft er geen idee van dat hij wordt getroost door een vrouw die zelf depressies heeft en óók zelfmoord wilde plegen. Sterker, niemand in die vriendenclub wist het. Wilde Ella niet. Bij de deur ben ik in zijn armen in elkaar geklapt – ik moest ont-zet-tend huilen. De spanning, het verdriet, de woede van het moeten zwijgen over Ella’s geheim... alles kwam eruit. Op de terugweg zei Ella: ‘Ik ben jaloers op haar, op de stap die ze heeft gezet.’’

Een dag later gingen ze voor ruim vier weken op vakantie naar Canada.

‘Fantastische reis. Ze genoot van ons samenzijn in de natuur, van de treinreis van het westen naar het oosten, maar bij tijd en wijle brak de depressie weer hevig door. Op die momenten leek ze het vechten moe. Mag ik er wel zijn? Ben ik ooit goed genoeg? Maar ze wilde ondanks haar opspelende doodswens dat deze reis een mooi begin van de volgende levensfase zou worden. Op het vliegveld van Vancouver wachtten we voor het boarden. We schreven allebei in onze dagboekjes, en achteraf bleek dat we ongeveer hetzelfde dachten. Dat de vakantie deels in het teken stond van de zelfmoord van onze vriendin en de depressie van Ella. Maar toch, vonden we alle twee: deze reis laat zien dat het leven de moeite waard is, we gaan verder. Zo kwamen we thuis. Ik weet nog dat Ella’s horloge stuk was gegaan. Die zaterdag kocht ze een nieuwe. Op zondagavond bevestigde ze per mail nog twee eetafspraken met vrienden voor de week erna.’

Hij neemt een pauze.

‘Dagmar, mijn oudste kleindochter, denkt dat Ella tot op het eind in twee werelden leefde: de wereld van doorgaan en de wereld van stoppen. Ik geloof ook dat ze tot op het allerlaatst twijfelde: durf ik het wel of niet? Je weet het, denk ik, pas zeker als je bent begonnen met slikken. Na haar eerste zelfmoordpoging, drie jaar terug, had ze gezegd: het lijkt alsof je door iets wordt overgenomen, alsof de realiteit niet meer bestaat. Op de ochtend van maandag 7 oktober had Ella een afspraak met de chiropractor. Na de vakantie was dit feitelijk haar eerste dag zonder werk. Ik moest een gehoortest doen. Die middag zou ik Nederlandse les geven aan twee Afghaanse vrouwen. ‘Maar misschien kom ik tussen de middag eerst nog even naar huis’, zei ik tegen Ella. Ik ben inderdaad nog een uurtje thuis geweest. Een gewoon uur. We aten wat. Toen ik rond half twee de deur uitging, zei ze: ‘Veel plezier met de dames.’

‘Ze is meteen in actie gekomen. Kalm. Denk ik. Omdat ze zo zorgvuldig was. Afscheidskaartje aan mij geschreven. Een rustig muziekje uitgezocht. Lenzen uitgedaan. Zachte lampen aangezet. Gordijnen dicht. Toen ik terugkwam en haar vond, in haar werkkamer... Ik heb hier eerst wanhopig heen en weer gelopen, handenwringend, alleen maar haar naam roepend. Na een paar minuten ben ik naar de buren gegaan, 112 gebeld – ik kon nauwelijks de woorden vinden. Ik riep: ‘Ze is dood, ze is hartstikke dood, ze is morsdood...’ Alleen maar dat. Als een bezwering.’

‘Ella en ik hadden 37 jaar lang een heel hechte band. Op het einde bleek het niet voldoende.’ Beeld Anouk van Kalmthout

We staan in de deuropening van Ella’s werkkamer. Op haar bureaustoel staat een blauwe, rechthoekige doos met haar as, haar zwartleren handtasje ernaast, het hengsel eromheen. Hij wijst naar een mosterdgele bank. ‘Daar lag ze. Onder een oranje deken. Met iets van een... lachje. Dat gevoel had ik.’

Een week geleden heeft hij een kleine twintig familieleden en vriendinnen uitgenodigd om jassen, tassen, kleding, schoenen en sieraden van Ella uit te zoeken en mee te nemen.

‘Een paar dingen heb ik zelf gehouden, zoals de lange, kleurige mantel waarin ik me laat fotograferen voor jullie verhaal. Maar ik hoef geen Ella-museum. Alles lag hier uitgestald. We hebben een paar tafels tegen de muur op z’n kant gezet om aan de uitstekende poten kleding op te hangen. In de gemeenschappelijke fitnessruimte van het huis konden de dames passen. De sfeer was goed, plezierig zelfs, maar de volgende ochtend had ik wel een beetje een katerig gevoel. Het was de eerste dag dat ik niet langer het idee had dat El elk moment kon binnenstappen. Ze was al wat meer weg.

‘Ik vond Ella een fantastisch wijf. Een fantastische geliefde. Een fantastische oma voor onze kleinkinderen. Ze is zelf nooit moeder geworden, maar het zien opgroeien van die kids ervoer ze als een mooi alternatief. Ze was geliefd. Haar ‘stoornis’ was dat dat haar geen fundament bood. Terwijl de affectie van haar omgeving natuurlijk veel en veel belangrijker was dan dat hele gedoe in de politiek en de samenleving. Ik wil niet te veel psychologiseren, maar als een kind in de vormende jaren te weinig wordt gekoesterd en alleen wordt aangesproken op presteren en hard werken, dan heeft dat gevolgen voor het vermogen van het kind om van zichzelf te houden. Liefde voor jezelf blijft dan in de knop zitten. Ella en ik hadden 37 jaar lang een heel hechte band. Op het einde... bleek het niet voldoende.’

Is hij kwaad? 

‘Nee. Nee! Waarom? Bij zelfmoord is de verleiding groot om te denken: het had anders gekund. Maar depressie kan een dodelijke ziekte zijn, net als kanker. Het eerste wat een van mijn naasten vroeg: ‘Voel je je in de steek gelaten?’ Ik zei: ‘Absoluut niet.’ Nu ligt dat anders. Ik bén natuurlijk in de steek gelaten. Ze is weg. Ze is wég. Ik mis haar verschrikkelijk. Maar ze heeft... ze heeft al-les gedaan wat in haar vermogen lag om te ontsnappen aan die demonen. Ze haatte medicijnen, maar ze was op mijn verzoek toch weer antidepressiva gaan slikken – helaas te laat, die werkten nog niet. Wat kan ik haar verwijten?’ Hij zwijgt. ‘Nou, af en toe ben ik wel boos. In haar afscheidsbrief schreef ze het zinnetje dat ik het verdriet wel aan zou kunnen. Hoezo, Ella? Daar heb je geen idee van. Bemoei je niet met mijn rouw! Die is van mij!’

Wat leert hij in dit rouwproces? ‘Dat het intenser is dan alles wat je daarvoor in je leven hebt meegemaakt, behalve verliefdheid en de geboorte van je kinderen. Als het gaat om de diepte en het allesoverheersende, dan is mijn rouw om Ella vergelijkbaar met mijn verliefdheid op haar. Twee kanten van dezelfde munt. Ik móét elke dag die kerkkaars bij het altaartje aansteken. Anders verwaarloos ik haar. Ik praat niet met Ella, ik schrijf haar wel. Ik ben bezig met een ‘Nachtboek Ella’. Ik schrijf aan haar, voor het slapen gaan, van een uur of twaalf tot half drie. Zo haal ik haar weer een beetje naar me toe.’ Hij wringt in zijn handen. ‘Dat ik niks terughoor, begint vervelend te worden. Ze is nu wel lang genoeg dood geweest.’ 

Wilt u praten over zelfdoding of wilt u hulp op dit gebied? Bel 113 Zelfmoordpreventie: 0900-0113 of neem contact op via 113.nl

Hoe besta je na?

Een dierbare sterft. En dan? In de onregelmatig verschijnende serie Hoe besta je na? spreken Pieter Webeling en Frénk van der Linden met mensen die een geliefde, kind, ouder of goede vriend(in) hebben verloren. Met welke herinneringen blijven we achter? Hoe rouwen we? Staat God ons bij? Is het mogelijk om een groot persoonlijk verlies betekenis te geven?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden