Ongeneeslijk religieus

De katholieke kerk trekt weer wat nieuwe leden. Vooral de aantrekkingskracht op een intellectuele en literaire elite is opmerkelijk. Deze nieuwe bekeerlingen worden meer geboeid door gemeenschappelijk beleefde rituelen dan door het geloof....

MET HET verstrijken van de twintigste eeuw lijkt er ook een einde te komen aan de almacht van het rationalisme, dat sinds de Verlichting de wereld van cultuur en wetenschap domineerde. Niet dat de mensheid bezig is massaal afstand te doen van haar verstand, belangrijkste wapen tenslotte in de strijd om het bestaan. Wel lijken volgens velen de grenzen van de rede bereikt. Tot hier heeft zij ons gebracht, veel verder zal zij ons niet helpen.

Voor een deel is dit einde haar eigen schuld. Aanvankelijk wekte het idee van de onbeperkte potentie van het menselijke verstand hoge verwachtingen. Er was een wereld te winnen. Een onbegrensde, op eigen kracht te bewerkstelligen vooruitgang en een vreugdevolle toekomst lagen in het verschiet. Maar uiteindelijk was het resultaat van deze eeuwenlange speurtocht in wetenschap en wijsbegeerte dat de mens ontluisterd en ontgoocheld achterbleef in een onttoverde wereld en een onverschillig universum. Want afgaande op de inzichten die de mens vanuit de domeinen van de rede kreeg aangereikt, lijkt de conclusie onontkoombaar dat vooruitgang betrekkelijk is en het bestaan zin noch betekenis heeft.

Deze slotsom stemt niet iedereen even mismoedig. Sommige prelaten van de rede laten niet na te verkondigen dat we blij moeten zijn dat het leven geen zin heeft. Geconfronteerd met ziekte, dood en ander ongerief kan echter menigeen geen genoegen nemen met zo'n schamele levensbeschouwing. De enige uitweg is dan om buiten de rede om naar een invulling van de onuitroeibare behoefte aan zingeving te zoeken.

Maar ook daar liggen bevredigende oplossingen niet langer voor het oprapen, sinds de traditionele geloofsovertuigingen en de kerken waarin deze eeuwenlang zijn uitgedragen, de afgelopen vijftig jaar sterk aan betekenis en invloed begonnen in te boeten. Toppunt van cynisme is dat ook die ontwikkeling voor een belangrijk deel weer te wijten is aan de ontmythologiserende werking van de rede. Veel dogma's die eeuwenlang beschouwd werden als het hart van de christelijke geloofsleer, zijn onhoudbaar gebleken door toedoen van de natuurwetenschappen, maar evenzeer onder invloed van de menswetenschappen en niet in de laatste plaats ook van de op strikt wetenschappelijke leest geschoeide theologiebeoefening.

Een door de rede van alle mysteries ontdane werkelijkheid en een van haar illusies beroofde mens vormen, samen met een blijkbaar aangeboren drift om zin en betekenis aan het bestaan te verlenen, de achtergrond van de jongste ontwikkelingen op religieus terrein. Hoe redelijk en verstandig ook, de mens blijft nu eenmaal ongeneeslijk religieus van aard. En alleen dat kan verklaren waardoor, bij de overgang naar een nieuw millennium, bungeejumping in het irrationele - hier zonder negatieve connotaties op te vatten als het geheel van niet op redelijke wijze beargumenteerbare levensbeschouwelijke opvattingen en gedachten - ongekend populair kon worden.

De Amsterdamse godsdienstfilosoof Anton van Harskamp snijdt dit thema aan in zijn studie Het nieuw-religieuze verlangen. Hij probeert, schrijft hij in zijn woord vooraf, te begrijpen hoe een dramatische afkalving van de traditionele godsdienst kan samengaan met een blijvend, en naar zijn mening zelfs toenemend verlangen naar godsdienstigheid.

Hij zoekt, en vindt, een verklaring in de gedachte dat de kaalslag van het rationalisme het verlangen naar religieuze betovering eerder bevordert dan de kop indrukt. In het kielzog van het rationalisme mogen individualisering en 'onttraditionalisering' de positie van de op gemeenschap en traditie gegrondveste kerken hebben ondermijnd, de 'religiositeitsproducerende factoren', zoals Van Harskamp ze noemt, blijven met onverminderde kracht hun werk doen: dood, verveling, kwaad, tijd en, niet te vergeten 'de verscheurende vraag naar het zelf'.

En als de traditionele antwoorden op dit oud verlangen niet langer voldoen, dan gaat men op zoek naar nieuwe. Van Harskamp legt een drietal specimina daarvan op de snijtafel voor een godsdienstwetenschappelijke analyse: New Age, het evangelicalisme en de als paddestoelen de Amerikaanse grond uitschietende apocalyptische bewegingen met hun perverse fascinatie voor het eind der tijden. De laatste twee doen het vooral goed in de VS en zijn bovendien te beschouwen als radicale varianten van het christendom.

Dit door Van Harskamp indringend belichte drietal is met gemak uit te breiden met talloze andere religieuze nieuwvormen, die gezamenlijk een staalkaart vormen van wat er nu aan zweverigheid en geestelijke kwakzalverij allemaal te koop is. Voor zover ze te beschouwen zijn als reacties op een doorgeschoten rationalisme in de hedendaagse cultuur, zijn deze nieuwe religieuze bewegingen in elk geval in één opzicht consequent. De meeste zijn, veel meer dan de traditionele godsdiensten, irrationeel van aard. De inhoud van hun boodschap is meestal volkomen onberedeneerd. Veelal wordt niet eens de moeite genomen de eigen opvattingen met redelijke argumenten te onderbouwen of aannemelijk te maken.

HOE merkwaardig het ook klinkt, juist op dit punt onderscheiden nieuwe religieuze bewegingen zich van de traditioneel-christelijke geloofsopvattingen. De christelijke geloofsleer en de vele varianten daarop zijn door de eeuwen heen namelijk wél van niet altijd even steekhoudende, maar toch stevig beredeneerde fundamenten voorzien. Met name de protestantse geloofstraditie, waarin niet het ritueel of de collectiviteit maar de leer voorop staat, stoelt in hoge mate op redeneerlust en argumentatiedwang, hoe irrationeel de uitkomsten ervan godloochenende rationalisten ook mogen voorkomen.

Van laatstgenoemde categorie zijn er overigens minder dan men geneigd is te denken, zo blijkt uit Secularisatie en alternatieve zingeving in Nederland, het rapport dat het Sociaal en Cultureel Planbureau in 1997 uitbracht. Slechts 16 procent van de Nederlanders ziet zichzelf als overtuigd atheïst. Zelfs als men de 15 procent agnosten, de notoire niet-weters dus, hierbij optelt, resteert altijd nog zo'n 69 procent gelovigen: bijna zeven van de tien Nederlanders zeggen nog op enigerlei wijze in God te geloven.

Deze constatering leidt bij Van Harskamp tot de conclusie dat de doorgaans klakkeloos aanvaarde gedachte als zou religie een aflopende zaak zijn en haar teloorgang een onvermijdelijk en rechtlijnig verlopend, historisch proces, uit de lucht gegrepen is. Wel is duidelijk dat godsgeloof en kerkelijkheid uit elkaar zijn gegroeid. Een minderheid van de gelovigen gaat nog wekelijks ter kerke. Wat ze precies geloven, en in welke vorm of gedaante de God in wie zij geloven, zich aan hen openbaart, blijft dan ook een interessante maar onbeantwoorde vraag. Het lijkt een cliché, maar geloven heeft de vorm aangenomen van shoppen op de reli-markt. En deze godsdienstsociologische bevestiging van wat iedereen al lang wist, sluit weer naadloos aan op dit postmoderne tijdsgewricht waarin ongebondenheid, vrijblijvendheid en de autonome kracht van de individuele overtuiging toonaangevend zijn.

Toch is er op de religieuze markt een langzaam aanzwellende onderstroom te bespeuren, die een terugkeer naar de traditioneel-christelijke, kerkgebonden gelovigheid vertegenwoordigt. Getalsmatig stelt deze onderstroom niet veel voor, reden waarom de doorgaans op kwantiteit gerichte godsdienstsociologie er nauwelijks aandacht aan schenkt. Maar vanuit kwalitatief oogpunt kan hier sprake zijn van een trend die niet alleen religieus maar vooral ook cultureel serieus te nemen is. Deze tendens zou wel eens het begin van het einde kunnen markeren van nu nog dominante cultuurkenmerken als individualisering en postmoderniteit.

Het onlangs verschenen Nieuwe katholieken voorziet dan ook in een leemte. De auteurs, die alle betrokken zijn bij een onderzoeksproject van de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht, analyseren vanuit verschillende wetenschappelijke standpunten de bekeringsgeschiedenissen van vrouwen en mannen die bewust de stap naar de traditionele moederkerk zetten. Ze kijken daarbij niet alleen naar de sociale en godsdienstige herkomst en de motieven van deze neokatholieken, maar vragen zich bovendien af wat de uitwerking van dit bewuste toetreden zal zijn op de katholieke kerk als instituut. Want duidelijk is, dat deze goed gemotiveerde bekeerlingen, hoewel in de minderheid, de kerk een andere, indringender impuls geven dan de doorsnee gelovigen die vanaf hun doop en niet op eigen initiatief tot de kerk zijn gaan behoren.

Illustratief voor het verschijnsel neokatholiek zijn de authentieke getuigenissen, opgetekend uit de mond van vijftien bekeerlingen, waarmee het boek smeuïg doorregen is. Ronduit curieus is het feit dat meer dan de helft afkomstig is uit het protestantse kamp, vaak zelfs van de rechts-orthodoxe flanken daarvan, en met soms onverbloemd rancuneuze gevoelens terugblikt op hun van een zwaarmoedig geloof doortrokken opvoeding.

'Ongezellig en kaal' noemt bijvoorbeeld de 58-jarige, hbo-opgeleide Jacques van Bemmel het godsdienstige milieu waarin hij opgroeide. 'Het katholicisme', zegt hij, 'past beter bij mijn aard en persoon: méér visueel, minder vanuit hel en verdoemenis, minder puur bijbelgericht.' De 56-jarige Henk IJssels hekelt de 'liefdeloosheid' van de vrijgemaakt gereformeerde kerk waarvan hij, door een huwelijk gedwongen, eerder deel uitmaakte. En de streng christelijk-gereformeerd opgevoede Marja Calsbeek, 35 jaar oud, verhaalt van de traumatiserende angst voor het Laatste Oordeel, die haar als kind werd bijgebracht. Wat haar aantrekt in het katholicisme is, dat het de mogelijkheid biedt blijmoediger door het leven te gaan en dichter bij de realiteit van alledag te staan.

De vraaggesprekken met deze bekeerlingen geven een eenduidig antwoord op de vraag waarom de katholieke kerk, in vergelijking met de protestantse denominaties, in het voordeel is. Het aura van het katholicisme is dat van een wereldgodsdienst met een collectivistisch karakter. Het individu weet zich opgenomen in het warme bad van een wereldomspannende gemeenschap. En dat heeft het door kerksplitsing en -scheiding geteisterde protestantisme, ondanks een vreugdeloos en vooralsnog weinig vruchtbaar Samen-op-Weg-gebeuren van hervormden en gereformeerden, nu eenmaal niet te bieden.

Maar er blijkt een doorslaggevender argument om voor de katholieke kerk te kiezen: het door Jacques van Bemmel al aangestipte feit dat het katholicisme niet alleen een blijmoediger, maar ook een meer visuele en minder belerende inslag heeft dan het protestantisme. Staf Hellemans vat het in de slotconclusie van Nieuwe katholieken aldus samen: de aantrekkingskracht van het katholicisme wordt, behalve door universaliteit en collectiviteit, grotendeels bepaald door het het feit dat het 'meer ritualistisch dan intellectueel-verbaal' is ingesteld, 'meer expressief-religieus en minder moreel-normatief'.

Deze karakteristieke tegenstelling tussen een universeel, ritualistisch en expressief katholicisme en een intellectueel-verbaal (lees: rationeel), moreel-normatief ingesteld protestantisme komt merkwaardig genoeg niet aan de orde in het jongste boek van de gereformeerde godsdienstsocioloog Gerard Dekker. Ondanks de positief klinkende ondertitel Over de toekomst van de kerk, geeft Dekker, emeritus-hoogleraar van de Vrije Universiteit, in Zodat de wereld verandert blijk van zijn persoonlijke teleurstelling over het geringe aanpassingsvermogen van de traditionele kerken in een ingrijpend veranderende wereld. Maar waar hij spreekt over de impasse van 'de kerken' heeft hij toch vooral de starre onveranderlijkheid van de primair op dogmatiek en schriftgezag gerichte reformatorische gezindten op het oog.

Of zijn kerksociologische raadgevingen om de protestantse kerken aan een nieuw geestelijk en maatschappelijk elan te helpen vruchtbaar zullen zijn, moet worden betwijfeld. Want ook Dekker blijft ondanks alles vasthouden aan de eisen van leerstellige helderheid en een vastomlijnde geloofsovertuiging. Hoe gerechtvaardigd zo'n verlangen in het licht van zijn eigen calvinistische achtergrond ook mag zijn, juist dogmatiek is in de achterliggende halve eeuw in toenemende mate een incourant kerkelijk product gebleken.

Uiteraard is er ook in de katholieke kerk, met haar hiërarchische top-down-structuur, sprake van centraal leergezag. Maar wat de bekeerlingen in Nieuwe katholieken vooral laten zien is dat het ze in feite worst zal wezen wat de paus en diens bisschoppen verordonneren te geloven. Als deze 'late roepingen' één ding gemeen hebben, is het dat ze als zelfkazende katholiek hoogstpersoonlijk willen blijven bepalen wat ze uit die centrale geloofsleer en dito moraal aanvaarden en wat ze als Vaticaanse kletskoek vrijmoedig naast zich neerleggen.

STERKER NOG, het is niet de leer, maar de collectief gedeelde ervaring van het ritueel die ze tot de moederkerk deed toetreden. En blijkbaar is de universele moederkerk, onbewust en noodgedwongen, dermate ruimhartig dat ze die mogelijkheid biedt. Dat geldt zeker in de Nederlandse kerkprovincie waar de eenduidige ultramontaanse geloofszekerheid al lang heeft plaatsgemaakt voor een katholicisme met sterk uiteenlopende, soms zelfs tegengestelde uitingsvormen.

Dat al die onderling verdeelde aanhangers zich desondanks trouwhartig 'katholiek' blijven noemen berust op meer dan loyaliteit. Het betekent dat de katholieke kerk, als hoedster van een eeuwenoud cultuurgoed, ze blijkbaar meer te bieden heeft dan alleen een geloofsleer. Dat is de grote kracht van de katholieke kerk, die haar protestantse zusters moeten ontberen.

Dat collectief en ritueel voor bewust levende, redelijk goed tot hoogopgeleide mensen in de bloei van hun leven blijkbaar allemaal pluspunten zijn, heeft niet alleen godsdienstige implicaties. Het kan een aanwijzing zijn voor een omslag in het huidige culturele klimaat.

Die indicatie is des te sterker nu ook de aantrekkingskracht van het katholicisme op een deel van de spraakmakende intellectuele en literaire elite van ons land is gebleken. Daarbij deed de bekering van dichter en toneelschrijver Willem Jan Otten het meeste stof opwaaien. Met Een rede tot de ontwikkelde onder de verachters van de christelijke religie (eerder besproken in Cicero van 4 februari) reageerde Otten op zijn critici. Hij richtte zijn pijlen daarbij vooral op de essayist Rudy Kousbroek die hem vanwege zijn knieval voor 'de satraap van het Vaticaan' uit de parochie van de 'Handelsbladse Rede' had verstoten.

Otten formuleert het motief voor zijn toetreden voornamelijk negatief - hij durft, schrijft hij, 'het niets dat volgt op het leven niet aan' - maar laat zijn opponenten in het ongewisse over de precieze inhoud van zijn geloof. Hij laat openlijk blijken dat voor hem, net als voor de minder bekende bekeerlingen uit Nieuwe katholieken, de geloofsleer een ondergeschikte rol heeft gespeeld. Niet de 'de redelijkheid van de christelijke argumentatie' gaf de doorslag, maar een religieus soort verlatingsangst. Zodra hij het gevoel kreeg dat het ontluikend geloof hem weer ontglipte, onderging hij 'een steeds krachtiger sensatie van verlatenheid'.

Zo bezien lijkt Otten een typische vertegenwoordiger van het neokatholieke levensgevoel. En het is, alleen al vanwege het maatschappelijk en cultureel aanzien dat hij en zijn medestanders uit de culturele inner circle genieten, niet uitgesloten dat hij in bredere kring navolging zal krijgen. De soms buitengewoon vijandige reacties op zijn Rede geven aan dat een zekere angst daarvoor bij zijn tegenstanders stellig aanwezig is.

Als de huidige neokatholieken een voorhoede vormen, en als wat nu nog een onderstroom heet straks daadwerkelijk uitmondt in een klaterende waterval, dan heeft dit in de eerste plaats consequenties voor het katholicisme zelf. Gezien de nadruk op vormaspecten, het ritueel met name, en de geloofsgemeenschap, wat ten koste gaat van de geloofsleer, lijkt een esthetisering van het katholieke geloof het onvermijdelijke gevolg. In dat verband is de uitspraak van Antoine Bodar, dat hij zonder schoonheid niet kan leven, beslist meer dan een ontboezeming van zo maar een priester die toevallig ook nog kunsthistoricus is.

Als de neokatholieke tendens doorzet, betekent dit bovendien dat de katholieke kerk verandert van een op de eenvormige massa gericht, centraal aangestuurd instituut in een pluriforme keuzekerk, waar bekeerlingen bewust en zelfverzekerd een eigen invulling geven aan hun geloof. Voor zover de neokatholieken, Otten cum suis inbegrepen, representatief zijn voor de religiositeit in ons land, kan hun bekering tot een gevestigde kerkelijke instelling bovendien betekenen dat er een einde komt aan de ongeremde woekering van steeds weer nieuwe religieuze uitwassen.

In het nog wijdere perspectief van de vaderlandse cultuur lijkt het neokatholicisme echter vooral een teken dat het ancien régime van de onverbiddelijke rede zijn beste tijd gehad heeft. De hernieuwde behoefte ergens bij te horen, aan gebondenheid en een collectief, duiden erop dat ook de individualisering haar grenzen kent. En tenslotte doet de terugkeer naar de traditie vermoeden dat, anders dan de postmodernisten proclameerden, het Grote Verhaal nog lang niet dood is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.