InterviewJe kunt het maar één keer doen

‘Onderweg naar de huisarts zei ze: ‘Ik heb het gevoel dat ik voor de hoofdprijs ga’’

Beeld Krista van der Niet

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheid nemen kan op veel manieren en dat maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt Barbara van Beukering nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

Wypkje Wijbenga (69, geestelijk verzorger), overleed op 27 mei 2019 aan de gevolgen van alvleesklierkanker. Ze was bijna dertig jaar weduwe en voedde in haar eentje vier zoons op, van wie Liudger Wijbenga (36, ict’er) de jongste is.

Liudger: ‘Een jeugdvriendin van mijn moeder vertelde dat mijn moeder als klein kind eigenlijk al geestelijk verzorger was. Ze waren 5 jaar oud toen die vriendin een broertje kreeg en mijn moeder vond dat hij gedoopt moest worden. De moeder van die vriendin vond haar pasgeboren baby even later kletsnat in zijn ledikantje. Mijn moeder was tot haar pensioen geestelijk verzorger in een verzorgingshuis waar ze naast stervensbegeleider ook vertrouwenspersoon was. Ze was een wijze vrouw die heel goed kon luisteren.

Toen mijn vader in 1990 aan kanker overleed, had mijn moeder veel steun aan haar geloof. Ze bleef achter met vier zoons, ik was toen 6, die ze in haar eentje heeft opgevoed. We moesten naar de kerk tot we 12 waren. Ze vond het jammer dat we daarna niet meer gingen, maar ze heeft ons nooit gedwongen.

Mijn moeder was een nachtuil. Ze zat tot diep in de nacht aan de keukentafel te lezen bij een kaarsje. Ze ging vaak pas tussen 2 en 3 uur ’s nachts naar bed. De volgende dag moest ze weer om half 8 de deur uit om de bus te halen, want ze had geen rijbewijs. Op een gegeven moment zei ze dat ze eerder naar bed ging want ze voelde zich vermoeid. In februari appte ze mij: ‘Ik heb mijn bloed laten onderzoeken, en ik heb goed nieuws en slecht nieuws.’ Het slechte nieuws was dat haar bloedsuiker erg hoog was. Het goede nieuws was dat alle andere waarden uitstekend waren. Eind maart begon ze met metformine, een medicijn om haar bloedsuiker naar beneden te krijgen. Mijn moeder ging met rasse schreden achteruit, werd steeds vermoeider. Wij dachten dat het aan het medicijn lag. Mijn broers en ik maakten ons ontzettend zorgen, maar ze hield de boot af.

Op 9 april stuurde ik haar een mail: ‘Ik vind mem, met alle respect, een schim van de mem die ik ken. Mem moet eerlijk weten dat ik me heel erg verdrietig voel hoe ze van de medicatie is geworden. Ik moet er gewoon om huilen. Ik wil mem op het hart drukken op iets over te stappen dat niet zo’n gigantische weerslag op haar heeft.’

Haar antwoord was: ‘Lieve Liudger, hier krijg ik de tranen van in mijn ogen. Ik zal mijn best doen om beter te worden, dat beloof ik.’ Ze is toen naar het spreekuur gegaan en op een ander medicijn gezet. Maar dat hielp helemaal niet, ze werd alleen maar vermoeider en vermoeider.

We hadden met de broers afgesproken allemaal op dezelfde dag een kaartje te sturen. Je verwacht de volgende dag een bedankje, maar om vijf uur ’s middags hadden we nog steeds niks gehoord. Ik appte mijn moeder of er niet wat leuks bij de post zat. Ze kwam even online maar reageerde helemaal niet. Bleek dat ze de brievenbus nog niet had geleegd, wat heel atypisch was, want ze haalde de krant altijd meteen uit de bus. Achteraf kwamen we erachter dat ze die dag voor het laatst in haar dagboek heeft geschreven. Ze schreef: ‘Geen puf meer om te schrijven. Vorige week gestopt met de medicijnen tegen suiker maar ik word steeds zieker. Voor mijn idee leef ik al een paar weken in een hel. Hoe moet het verder? Zo in ieder geval niet.’ Ze deed niet makkelijk beroep op anderen. Ze was haar hele leven gewend om haar eigen boontjes te doppen en dat deed ze ook tijdens haar ziekte.

Liudger en Wypke WijbengaBeeld Privéalbum Liudger

Tot 1 mei, want toen ben ik naar haar toegegaan omdat ik het niet meer vertrouwde haar alleen te laten. Toen ik haar slaapkamer binnenkwam, lag ze op haar rug naar het plafond te staren. Op mijn vraag waar ze aan dacht, antwoordde ze: ‘Ik vraag me af hoe ik me om moet draaien.’ 

Ik overtuigde haar om naar de huisarts te gaan. Onderweg zei ze: ‘Ik heb het gevoel dat ik voor de hoofdprijs ga.’ Ze vertelde de huisarts dat ze last had van extreme vermoeidheid, dat ze nachtelijke zweetaanvallen had, en twaalf kilo was afgevallen. De huisarts vond het zorgelijk en schreef een doorverwijzing voor de internist, waar we pas een week later terecht konden. Een paar dagen later zei ze: ‘Al weken gaat een uitspraak van dokter Wapstra van toen je vader zo ziek was door mijn hoofd: jullie kunnen je geen voorstelling maken van hoe moe hij zich voelt. Ik denk dat ik me nu hetzelfde voel.’ Om ons te beschermen sprak ze niet over haar ziekte, maar hiermee gaf ze wel aan dat ze wist hoe slecht het ging.

Op maandag 13 mei gingen we naar het ziekenhuis in Leeuwarden. De internist was een lieve vrouw met een hoofddoek. Ze zei meteen: ‘Dit lijkt op alvleesklierkanker.’ Mijn moeder had het nodige meegemaakt als geestelijk verzorger, dus ze wist dat dit haar doodvonnis was. Maar het was nog niet bevestigd, ze moest nog onderzocht worden. Ze werd opgenomen op de oncologieafdeling en kreeg bloedtransfusies en sondevoeding. Ze werd alleen maar zwakker. Ze kreeg een punctie, er moest een stukje weefsel uit haar lever worden gehaald. Ze wilde alleen maar slapen, maar ze deed het ‘voor de jongens’, zei ze erbij. De dag na haar overlijden kwam de uitslag van het onderzoek; ze had inderdaad uitgezaaide alvleesklierkanker.

Elf dagen na haar opname hadden mijn moeder, een andere broer en ik een gesprek met de behandelend arts. Omdat ze alsmaar zwakker werd en een behandeling geen zin meer zou hebben, besloten we dat ze het traject van palliatieve sedatie zou ingaan. Mijn moeder berustte erin, ze was er klaar mee om zich zo te voelen.

De dag erna kwamen al mijn broers. Het was prachtig weer en we reden het ziekenhuisbed met mijn moeder naar buiten. We stonden met de vier zoons om het bed toen ze het woord tot ons richtte. Ze wilde graag dat we goed contact bleven houden onderling, als broers. En we moesten niet bij de pakken neer gaan zitten. Ze zei ons dat we het verdriet niet hoefden op te kroppen, maar dat het ons niet blijvend mocht beïnvloeden.

Maandagmiddag zat ik alleen naast het bed van mijn moeder. Ze was sinds zondag in een diepe slaap terechtgekomen en we hadden om de beurt gewaakt. Op een gegeven moment gingen haar ogen open. Ik zat aan de andere kant, dus ik liep om het bed heen. Toen gingen haar ogen weer dicht. Ik zei: ‘Ga maar, het is goed zo’. Toen was het gebeurd. Het was een heel intiem moment waarvan ik blij ben dat ik erbij was. Het einde. Of het begin van een nieuwe fase. Dat weten we niet.

Het was haar grootste wens dat ze af en toe nog iets zou meekrijgen van de levens van haar jongens. Ze heeft ook altijd gehoopt een teken van leven van mijn vader te krijgen, maar dat is nooit gebeurd. Daardoor was ze niet overtuigd van een hiernamaals. Ze sloot het ook zeker niet uit, maar ze heeft geen religieus leven geleid voor wat hierna komt. Ze heeft ons geleerd om het híér te doen; goed zijn voor je medemens, de natuur en je omgeving. Ze heeft ons het goede van het geloof meegegeven.’

Van Barbara van Beukering verscheen onlangs het boek Je kunt het maar één keer doen: een persoonlijke zoektocht naar sterven, het grootste taboe in ons leven. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden