Mijn bevrijding

‘Ondergedoken voor de Duitsers, gedood door een Engelse bom’

De Slag om Arnhem begon met een bominslag waarbij elf doden vielen. Een week later lag het centrum in puin en werden negentigduizend inwoners geëvacueerd. Onder andere naar het Openluchtmuseum.

Huiselijke nijverheid van evacués in het Openluchtmuseum Beeld Openluchtmuseum/P.J. de Booys

In veel oorlogsherinneringen schijnt de zon uitbundig. Zo ook op zondag 17 september 1944, de eerste dag van de operatie Market Garden – bedoeld om door te stoten naar het Ruhrgebied, en verder Duitsland in. Op het dak van zijn ouderlijk huis, in het centrum van Arnhem, tuurde de destijds 11-jarige Bob Bakkenes naar de strakblauwe lucht, waarop overvliegende bommenwerpers dikke condensstrepen trokken.

Met dit verschijnsel was hij, als kind van een oorlog die al meer dan vier jaar had geduurd, wel vertrouwd. Maar wat nieuw voor hem was, waren de stroken zilverpapier die uit de vliegtuigen neerdwarrelden – om de Duitse radars te misleiden, zo bleek later. Een van die stroken had hij al uit de lucht weten te grissen. Even verderop, op het dak van een Wehrmacht-garage, legde een jongetje uit de buurt zijn eigen collectie aan. Jopie Brandts heette hij. Trots toonde hij Bob de stroken die hij al had verzameld. Het waren er zeker zes. Zoveel wilde Bob ook wel hebben. Verwachtingsvol keek hij naar boven. ‘Het lijkt wel sneeuw’, dacht hij bij de aanblik van al dat zilverpapier in de lucht. Maar voordat hij zijn verzameling had kunnen uitbreiden, werd hij door zijn vader naar binnen geroepen voor de warme middagmaaltijd. De wens van een vader was in die tijd nog wet voor de kinderen.

Bobs ouders – uitbaters van een pension met acht à negen kamers – zaten al aan de gedekte tafel, in gezelschap van drie kamerbewoners. Net toen de soep was opgeschept – ‘mijn moeder wist er altijd iets smakelijks van te maken’ – sloeg in de nabijheid van het huis een bom in. ‘De schoorsteen werd in één klap geveegd’, zegt Bakkenes. En al het vrijkomende roet werd de eetkamer ingeblazen: Bakkenes senior had juist de kachel van de muur geschoven omdat de volgende dag de schoorsteenveger zou komen. ‘De oude mevrouw Sepp sloeg van schrik met stoel en al achterover, de soeplepel nog in de hand.’ Zijn vader, die het dichtst bij het rookkanaal zat, kwam onder het uitspreken van een luide vloek op de grond terecht.

Bij de bominslag waren, zo bleek later die dag, elf mensen om het leven gekomen. Jopie Brandts, het jongetje dat met het bezit van zes stroken zilverpapier de begeerte van Bob Bakkenes had gewekt, was een van hen. Bakkenes was wellicht de laatste die hem heeft levend heeft gezien, kruipend op het dak van de naburige Wehrmacht-garage. Dat beeld is hem altijd bijgebleven. Vijftien jaar geleden bleek hem, na enig buurtonderzoek, dat het jongetje op het dak geen Jopie Brandts heette, maar Benjamin Nathans. ‘Ondergedoken voor de Duitsers, maar gedood door een Engelse bom.’ Nog steeds heeft Bakkenes het er te kwaad mee.

Bob Bakkenes en zijn volwassen huisgenoten hadden geen idee wat zich buiten, in de stad, afspeelde. ‘We hebben even geschuild aan de overkant, bij kapsalon Fiet. Ikzelf ben naar buiten geglipt, om te kijken wat er allemaal aan de hand was. Maar ik werd onmiddellijk teruggestuurd.’ Daarna kreeg de behoefte aan normaliteit meteen weer de overhand. Bakkenes’ ouders en de pensiongasten begonnen nog diezelfde dag met een grote schoonmaak. Vanachter de geblindeerde ramen probeerden ze een indruk te krijgen van de gebeurtenissen in Arnhem. De aanblik van vluchtende Duitsers wekte nog verwachtingen. ‘Maar na een paar dagen beseften we dat het fout ging. Door de spleten in de jaloezieën zagen we, met tranen in de ogen, Engelsen die in krijgsgevangenschap werden afgevoerd. Nooit zal ik hun rode baretten, hun kaki uniformen en hun on-Duitse manier van marcheren vergeten. Ze straalden iets onverzettelijks uit, maar ze waren niet de overwinnaars van déze veldslag. Dat was ongelooflijk bitter. Ook voor mij, als kind.’

Ongeveer een week na de aanvang van de Operatie Market Garden moest frontstad Arnhem op last van de bezettingsautoriteiten worden ontruimd. ‘We zijn zo vrij dát nu eens niet te geloven’, schreef de Arnhemse mevrouw J. Glazema-van Altena in haar dagboek. ‘Stel je voor: Arnhem, met 90 duizend mensen. Die kan je er toch niet in een vloek en een zucht uitgooien!’ Daarmee miskende zij de doortastendheid van de Duitsers: kort daarop was de stad goeddeels ontvolkt. De Arnhemmers zwermden uit over bezet Nederland. Zeshonderd van hen vonden onderdak in het Openluchtmuseum, dat net buiten de evacuatiezone was gesitueerd. ‘Alles zit vol’, noteerde de voornoemde mevrouw Glazema, echtgenote van de plaatsvervangend museumdirecteur. ‘De tentoonstellingsgebouwen alleen al herbergen meer dan tweehonderd mensen. Een van de boerderijtjes, op ’t museum gebracht nadat het tot ‘onbewoonbaar verklaarde woning was afgezakt, herbergt nu een twintigtal mensen, drie gezinnen op de deel, twee in de kamer en één in de melkkelder. (…) De blekerij zit tjokvol – in een verdiepte spoelbak heeft een vrouwtje met vijf kinderen haar slaapplaats gevonden.’

In een mum van tijd raakte de lotsgemeenschap in het Openluchtmuseum georganiseerd. De mannen werden, ongeacht hun beroepsverleden, ingezet bij de distributie van voedsel, brandhout en water uit de waterput – de enige bron van min of meer drinkbaar water. Een oude bakkerij werd weer in gebruik genomen. Aan de oevers van de vijver verscheen een centrale keuken. Een deel van het voormalige koopmanshuis in de Zaanse buurt deed dienst als depot van distributiekaarten. In een ander deel was een ziekenzaaltje met vijf bedden en een spreekkamer ingericht. Er verscheen een gestencild periodiek, Kampnieuws, voor de verspreiding van zakelijke mededelingen. Protestanten en katholieken vierden hun eigen erediensten.

De samenleving in het Openluchtmuseum was betrekkelijk harmonieus. De evacués van de volkswijk Geitenkamp en de bewoners van de meer gegoede wijk Alteveer stonden, aldus een in 1984 verschenen gedenkboek, ‘wat onwennig tegenover elkaar’. En er werden gevallen van diefstal en zwarte handel gemeld. Maar verder week de maatschappelijke orde niet noemenswaardig af van die in ‘normale tijden’. ’s Avonds legden de bewoners een kaartje of lazen ze bij een waxinelichtje een boek. Op gezette tijden werden lezingen belegd over onderwerpen waaraan niemand aanstoot kon nemen, en bij de invallende winter werd geschaatst op de vijver. Op 5 december was er speculaas – waarvoor de huisarts, dokter Nieveen, de ingrediënten had geleverd. Kerstmis werd met een kinderfeest en een oecumenische dienst gevierd. Overigens waren op dat moment de meeste bewoners op last van de Duitsers uit het Openluchtmuseum weggetrokken.

De oorlog was nooit ver weg. ‘Duitschers zag je veel op het terrein’, schreef een van de bewoners naderhand. ‘Dit was een plaag op zich.’ Soms liepen ze schietend over het terrein. ‘Ook haalden de schooiers een van onze aardappelkuilen leeg.’ Kort tevoren hadden ze een koe gestolen. Maar het meest vreesaanjagend was hun aanwezigheid op 3 november 1944, toen verzetsman Anton Zwiers bij de Zaanse molen werd aangehouden en vervolgens ‘op de vlucht’ werd doodgeschoten. Nog diezelfde avond werd het slachtoffer in de kruidentuin van het museum begraven.

Precies twee weken later werd in het provisorische ziekenzaaltje een kind geboren: Francina Johanna Alberta (roepnaam: Franneke) van der Kallen. De andere bedden werden, zo tekende Frannekes moeder een paar maanden later op, bezet door een mannelijke maagpatiënt, ‘een jong meisje uit de stad’ en een ‘ander kraamvrouwtje, een alleraardigst gezond volkstype’. Tijdens de bevalling waren Duitsers aan de deur verschenen omdat vanuit het voormalige koopmanshuis enig licht naar buiten was gesijpeld: een vergrijp tegen het verduisteringsvoorschrift. Vader Van der Kallen stuurde hen weg met de woorden: ‘Hier wird ein Kind geboren!’ ‘Dit verhaal werd altijd op mijn verjaardag verteld’, zegt de bijna 75-jarige Franneke nu. ‘En daarbij bleef niet onvermeld dat mijn geboorte in het hele kamp als een teken van hoop werd begroet.’ Pater Kok voerde een nooddoop uit. Een andere evacuée ontwierp een geboortekaartje met een tekening van de Zaanse buurt.

Bob Bakkenes en zijn ouders hadden Arnhem al op 25 september moeten verlaten. ‘Mijn vader laadde de bagage op zijn fiets, een Fongers. Een lekker karretje, zei hij altijd. Nog voor hij klaar was met pakken, werd zijn fiets gevorderd door een passerende Duitser – die zijn eigen fiets, een bouwvallig kreng, als ruilmiddel aanbood. Wóest was mijn vader. En dat bleef hij nog geruime tijd.’

Via de Arnhemse wijk Paasberg, Velp, Ede, Veenendaal en Zeist liep het gezin naar De Bilt, waar een tante en een oom van Bakkenes een huis bewoonden dat aan de grote kant was voor een kinderloos echtpaar. ‘Mijn tante deed open. “Wat komen júllie hier doen?”, vroeg ze – nadat ze ons even vorsend had aangekeken. Van de gebeurtenissen in Arnhem was zij in het geheel niet op de hoogte. Mijn oom was, hoewel hij van de koude kant was, beduidend hartelijker. Hij was een echte heer, in de woorden van mijn moeder. Maar hij kon de kilte van mijn tante maar tot op zekere hoogte compenseren.’ Niet lang daarna zouden Bob Bakkenes en zijn ouders dan ook elders in De Bilt een huis betrekken waaruit een NSB-gezin – met achterlating van de inboedel – was weggetrokken. ‘Dom genoeg, heb ik mijn vader nooit gevraagd hoe hij dát heeft geregeld.’ Daar doorstonden zij de Hongerwinter. ‘Soms kwam ik na een hele dag schooieren met anderhalve aardappel thuis.’

Pas in juli 1945 kon het gezin terugkeren naar Arnhem. ‘Een geteisterde stad waar de grote schoonmaak nog nauwelijks was begonnen. Een enorme bende, waar je ook keek. Puin, wc-potten en etalagepoppen op straat. Ons huis was leeggeroofd. Alleen de piano stond er nog. Daarvoor waren niet alleen de Duitsers verantwoordelijk, want later troffen mijn ouders op verschillende plaatsen in Arnhem eigendommen aan. Zij zagen hoe de uitbater van ijssalon Trio onze gordijnen stond uit te kloppen. In een huis aan de Zypendaalseweg hing een van hun lampen in de woonkamer. En ik trof op straat een jongetje met mijn kleren aan. Het huis van zijn ouders bleek te zijn volgestouwd met gestolen spullen. Niets daarvan was van ons, helaas.’

Column David Barnouw

Plunderingen

Plunderingen zijn een onlosmakelijk deel van oorlog. Eeuwen geleden betrof dat onderbetaalde soldaten, die niet alleen plunderden om in leven te blijven, maar ook om er zelf beter van te worden. In woelige tijden kochten stadsbewoners een aangekondigde plundering vaak af, maar dat mocht niet altijd baten. De bezettingskosten die de Nederlandse staat tussen 1940 en 1945 moest opbrengen voor de Duitse bezetting is te zien als een geciviliseerde vorm van het voorkomen van plunderen.

Bij de Duitse inval van mei 1940 waren veel Nederlanders bang voor plunderende soldaten, die zich vanzelfsprekend ook aan vrouwen en meisjes zouden vergrijpen. Die vrees was ingegeven door de anti-Duitse propaganda tijdens de Eerste Wereldoorlog, waar het vermeende beestachtige gedrag in België door losgeslagen Hunnen een belangrijke plaats innam.

Maar de Duitsers bleken in die meidagen van 1940 mee te vallen, betaalden netjes voor hun aankopen en bleven van de meisjes af. Dit in tegenstelling tot soldaten van het Franse 7e Leger, die de Nederlanders te help waren gesneld en Ardense Jagers van het Belgische leger. Bij hun terugtocht door Zeeland werd door hen geplunderd en ook veel vernielingen aangericht. Een PTT-ambtenaar uit het Zeeuws-Vlaamse Terneuzen schreef in zijn dagboek: ‘Geen Belgisch leger heeft in ons stadje vertoefd, maar een troep struikrovers.’ En een ander schreef over ‘een enorme doortocht van Fransen met paarden en karren. De karren waren afgeladen met oorlogsbuit. Alsof het nog niet erg genoeg was dat er oorlog uitgebroken was, ging men het gewone volk ook nog bestelen, dit was toch echt het toppunt van geen respect.’ De komst van de Duitsers werd door sommige Zeeuwen dan ook als een verlossing gezien.

Arnhem staat niet alleen voor het mislukken van de geallieerde operatie Market Garden, maar ook voor grootschalige Duitse plunderingen. Nadat al veel Arnhemmers op 17 september 1944 het oorlogsgeweld waren ontvlucht, gaven de Duitsers een week later het bevel de hele stad te ontruimen. Het was een militaire maatregel, die niet ongewoon was, want burgers lopen bij gevechten alleen maar in de weg. Ook kun je stellen dat burgers door evacuatie in bescherming worden genomen; zij kunnen dan immers niet omkomen in het strijdgewoel. Het betrof bijna meer dan 150 duizend burgers, die hals over kop Arnhem moesten verlaten en hun huizen met angst en beven achterlieten. Dat laatste was terecht, want de stad werd vrijgegeven om te plunderen.

Al op 15 mei 1945 verscheen een 16 pagina’s tellend boekje onder de titel Rovers plunderen Arnhem. Een verhaal van Oorlog, Ballingschap, Vernieling en Massale Roof. Met die Rovers werden de Duitsers bedoeld; militairen en burgers uit naburige Duitse Rijngemeenten. Het boekje was als aanklacht geschreven, maar ook als ‘een schreeuw om hulp.’ Het geplunderde Arnhem moest geholpen worden aan kleren en huisraad. ‘Als Nederland helpt, als de wereld helpt, Amerika vooral, dan is het mogelijk, dat Arnhem herrijst’, eindigt het voorwoord.

Maar waren er alleen Duitse plunderaars aan het werk geweest? In bovengenoemd boekje is weliswaar ook sprake van Nederlanders, maar die zouden slechts altruïstisch voedselvoorraden voor andere burgers in veiligheid gesteld hebben.

Naast een wisselend aantal Duitse militairen, waren er ook nog burgers in Arnhem achtergebleven, zoals brandweerlieden, Rode Kruiswerkers, medewerkers van de Technische Nooddienst en een aantal niet-Arnhemmers, dat gedwongen aan verdedigingslinies buiten Arnhem werkten. Dat laatste gebeurde in het kader van de ‘Organisation Todt’ (OT), de ‘bouwmaatschappij’ van nazi-Duitsland. Daarnaast waren er nog Arnhemmers, die de stad niet hadden verlaten en daar dus illegaal verbleven.

Al tijdens de gevechten in en rond Arnhem werd door Duitsers én Nederlanders geplunderd, maar na de evacuatie werden de plunderingen van Duitse kant systematisch opgezet. Zo werd bijvoorbeeld nauwkeurig vastgesteld uit welke metaalbedrijven wat moest worden weggehaald. Van geheel andere orde was het plunderen door ‘Kommandos’ uit Wuppertal, Essen, Düsseldorf en andere nabijgelegen steden. Daar waren veel burgers door geallieerde bombardementen alles kwijt geraakt en al die zaken lagen nu in Arnhem voor het grijpen. Elke Duitse stad kreeg een wijk toegewezen en er werd nu uit alle huizen zoveel als mogelijk weggehaald.

Deze Duitse rooftochten leidden er ook toe dat Nederlanders hun gedrag gingen navolgen. Dat gebeurde in het bijzonder door de OT-arbeiders, die het plunderen omschreven als ‘organiseren’ en daarbij ook claimden dat de Duitsers die zaken dan niet in handen zouden krijgen. Bij de geëvacueerde Arnhemmers ging het beeld ontstaan dat niet alleen de Duitsers, maar ook de achterblijvers allemaal plunderaars waren, en zo ontstond na de oorlog ‘een moeilijk te dichten kloof van onbegrip, afgunst en wantrouwen.’

David Barnouw is historicus. Van 1979 tot 2014 was hij werkzaam bij het NIOD.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden