Ode aan de bocht

Het leven van een sprinter draait om de bocht. Met zestig kilometer per uur op smalle ijzers het gevaar opzoeken, dat is de kick....

Soms laat Gerard van Velde zijn fantasie de vrije loop. Hij stelt zich een ijsbaan zonder bochten voor - een rechte strook van 500 meter waarop hij al zijn krachten kwijt kan, zonder steeds met gevaar voor lijf en leden naar links te hoeven afbuigen.

Van Velde zou maar wat graag uitvinden of hij daarop sneller is dan 34,32, het wereldrecord 500 meter. Hij kent zijn gelijke niet op het rechte stuk. `Misschien zou ik die tijd wel kunnen verbeteren.'

Op andere momenten, als zijn bochten lekker lopen, wil de Nederlands recordhouder (34,59) niet horen van een leven zonder bevroren ovaal. Dan is hij net als andere sprinters. Hij zingt een lofzang op de bocht, die schaatsen tot een groots avontuur maakt.

Sprinten ís bochten rijden, daar zijn alle sprinters van overtuigd. Wie matige rechte stukken paart aan superbochten maakt kans op de wereldtitel. Het omgekeerde levert niets op.

`Zonder bochten ben ik nergens', meent Erben Wennemars. Hij rijdt geen 500, 1000 of 1500 meter. Zijn races gaan over twee, vijf of zeven bochten. In Salt Lake City moet hij dit weekeinde veertien bochten overwinnen om als eerste Nederlander voor de tweede maal wereldkampioen sprint te worden.

Nergens is de uitdaging voor een sprinter groter dan in de staat Utah, want de hooggelegen baan geldt als de snelste ter wereld. Op het superijs, waar de wereldrecords op de 500 en 1000 meter zijn gevestigd, zullen de schaatsers boven de 60 kilometer per uur komen.

Hun gevoel zegt ze dat ze nog sneller gaan. Ze vallen terug op oerkreten als ze de sensaties van de bocht proberen te beschrijven.

Wennemars: `Het gaat van woohwooowhooooo!!!'

Beorn Nijenhuis, in Salt Lake City aanwezig als reserve: `Als je tot de grens gaat, is het alsof je op eieren loopt.

'Oeoewaaaaaaahhhhh!'

Van Velde denkt dat televisiekijkers de snelheid van schaatsers onderschatten. Hij rijdt Ferrari en Ducati. Met geen van beide racemachines zou hij op asfalt de schaatsbocht (radius binnenbocht: 26 meter, buitenbocht: 30 meter) kunnen houden met 60 kilometer per uur.

De olympisch kampioen en wereldrecordhouder 1000 meter: `Ik heb het eens geprobeerd op een rotonde. Dat hou je niet. Je wordt de bocht gewoon uitgedrukt. Er is geen voertuig dat sneller is in de bocht dan een schaatser. Of je moet spijkerbanden hebben.'

Sprinters lopen risico. Zij staan op scherp geslepen ijzers met een dikte van 1,1 millimeter. Als die op de juiste manier in het ijs worden gedreven, lijkt dat ontdaan van alle gladheid. Het is alsof ze met een sportschoen tegen een stoeprand afzetten.

Maar een kleine hapering in het hoge slagritme (sprinters maken 12 tot 20 slagen in de zes à zeven seconden die het nemen van een bocht duurt) kan dramatische gevolgen hebben.

Hersenschuddingen, gebroken of gekneusde ledematen zijn geregeld het gevolg van valpartijen, ondanks de kussens langs de baan. Angst zou een logisch reactie zijn op de schuivers, maar daarvoor is geen plaats. Een bange sprinter is gezien.

Wennemars: `Je mag niet twijfelen in de bocht. De gedachte aan twijfel is al fout. Je moet de bocht vol overtuiging aanvallen. Anders haal je de druk van je schaatsen en vlieg je er geheid uit.'

Van Velde: `In welke andere sport gaan ze 60 kilometer per uur zonder helm te dragen? Schaatsen is de enige sport waar dat gebeurt. Maar als je bang bent, kun je net zo goed stoppen.'

De gevaarlijkste bocht is niet de bocht waar de schaatsers het hardst gaan.

Uit onderzoek van de Vrij Universiteit tijdens de Olympische Spelen van Salt Lake City is gebleken dat sprinters hun topsnelheid bereiken in de eerste bocht van de 500 meter. Om precies te zijn: in de tweede helft daarvan. De buitenbocht is meestal ietsje sneller. (Wetenschapper Jos de Koning acht de kans dat Van Velde op een rechte strook ijs het wereldrecord kan breken miniem.)

De piek ligt dus niet in de laatste binnenbocht van de 500 meter. Dat lijkt vaak zo, omdat daar de meeste problemen ontstaan. Vanwege de moeilijkheden in die bocht wordt de 500 meter sinds 1996 zelfs tweemaal verreden bij de WK afstanden en de Olympische Spelen. De sprinters starten eenmaal in elke baan, om het nadeel van eindigen met een binnenbocht op te heffen.

Niet de snelheid, die onder de 60 kilometer ligt, maar de opkomende vermoeidheid maakt dat stuk tot het moeilijkste deel van de sprint.

Schaatsers staan in de bocht bloot aan zogeheten middelpunt-vliedende krachten. Ze worden naar buiten gedrukt. Om te voorkomen dat ze de bocht uitvliegen moeten ze naar binnen gaan hangen. Baanwielrenners doen iets soortgelijks, waarbij zij zonder extra inspanning te hoeven leveren snelheid ontlenen aan die krachten. Schaatsers krijgen niets cadeau. Zij moeten de druk naar buiten zien te overwinnen door af te zetten. Dat kost energie.

`Bij wielrennen voel je in de bocht dat je zitvlak strakker tegen het zadel wordt aangedrukt', zegt Jan Bos die als baanrenner en schaatser aan de Spelen heeft meegedaan. `Zo sterk zijn die krachten. Kun je nagaan hoe zwaar het is als je die krachten alleen met je benen moet opvangen.'

Ondanks de mogelijke gevaren is de laatste binnenbocht van de 500 meter het favoriete stuk van veel sprinters. Als ze het ritme van de slagen hoog genoeg kunnen houden om binnen de eigen baanhelft te blijven, is het alsof ze door een katapult het rechte stuk worden opgeschoten. Dat geeft een kick.

Van Velde: `Het lijkt op discuswerpen. Die zwaaibeweging. En dan is de schaatser de discus. Als het goed gaat, is dat super.'

Viervoudig wereldkampioen sprint Jeremy Wotherspoon: `De tweede binnenbocht is lekker omdat je hem moet aanvallen. Maar hij moet wel goed gaan. Als je een slippertje maakt, voel je dat je vreselijk hard gaat.'

Wennemars: `Het is de moeilijkste bocht. En het moeilijkste is gewoon het leukste.'

Hoewel sprinters nog geregeld wijd uit de binnenbocht komen, ook op de 1000 meter, gaat het minder vaak mis dan in het verleden. Dat lijkt vreemd, want de snelheden liggen beduidend hoger dan midden jaren negentig. De 500 meter gaat één tot twee seconden sneller sinds schaatsers in 1997 overgingen op klapschaatsen.

Dat de bocht beter wordt gehouden, komt volgens Wennemars' trainer Jac Orie deels door training. De techniek van schaatsers is verbeterd en ze zijn sterker geworden. Mogelijk speelt ook de klapschaats een rol. Die zou het rijden van bochten hebben vergemakkelijkt.

Wat zeker van cruciale invloed is: het buigen van de schaats.

Geen sprinter begeeft zich nog op de baan zonder zijn ijzers nauwkeurig te hebben geprepareerd.

Aan het slijpen en ronden (het ijzer heeft aan de onderkant een lichte bolling die sturen mogelijk maakt) is sinds enkele jaren het buigen toegevoegd, een techniek die in het shorttrack al langer wordt toegepast. Door de ijzers met de bocht mee te buigen is het eenvoudiger hem te houden.

De buiging, ook wel `de bend' genoemd, is minuscuul. Alleen een geoefend oog kan hem waarnemen. Voor de afstelling wordt gebruikt gemaakt van een uiterst gevoelig metertje, dat honderdsten van millimeters registreert. De buiging kan per ijsbaan verschillen, sommige rijders variëren zelfs per afstand.

Geen sprinter gelooft nog in de woorden waarmee Ard Schenk prestaties volgens de overlevering verklaarde: `Het is de man, niet de schaats.' Sprinters voelen de geringste afwijking aan hun ijzer, of dat nu een buiging of een bot plekje is. Alsof er een kiezelsteentje in de schoen zit.

Nijenhuis: `Ik heb mijn schaats laatst eenhonderdste millimeter verbogen. Dat merk je meteen.'

`Je kunt niet zonder buiging', zegt Van Velde. Hij betreurt nog steeds dat hij lange tijd niets van de techniek wist. Over hem werd vroeger schertsend gezegd dat hij alles goed deed om de bocht uit te vliegen. `Mij werd niets verteld. Die Amerikanen en Canadezen lieten mij lekker knoeien. Ik was veel te gevaarlijk.'

Een tovermiddel is de buiging niet. Het rijden van de bocht in Salt Lake City blijft verwant aan acrobatiek. Het ijs is volgens de sprinters minder taai dan op Nederlandse banen. Het is bros en breekt weg, vooral als zwaar gebouwde, sterke schaatsers als Van Velde, Bos en Wotherspoon te veel kracht in hun slagen leggen. Zegevieren in de Olympic Oval vereist souplesse.

Wotherspoon: `Iedereen kan rechtuit leren rijden. Maar de bocht moet je voelen. Je kunt eindeloos video's kijken, praten en proberen, maar uiteindelijk moet je er zelf gewoon gevoel voor hebben.'

Van Velde: `Ik ben sterker dan Wotherspoon. Dat weet ik. Ik heb met hem getraind. Maar daar gaat het niet om. Het is coördinatie. Je kunt nog zo groot en sterk zijn: met domweg rammen kom je er niet in de bocht. Je moet bewegen als een katje.'

Wennemars: `Het is niet makkelijk. Maar als het lukt, is een bochtje lopen het mooiste wat er is.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden