Interview

NOS-correspondent Mustafa Marghadi lijkt supersociaal, maar is ook bijzonder graag op zichzelf

De NOS-correspondent voor Zuidoost-Azië opereerde de afgelopen maanden vanuit een dorp in Noord-Holland. Mustafa Marghadi woonde er een tijdje bij zijn ouders en kon hierdoor vooral de band met zijn vader en de streek eens flink uitdiepen. Nu pas ontdekte hij het verhaal achter zijn achternaam. ‘Ik denk dat wij geluk hebben gehad dat we hier terecht zijn gekomen.’

Sander Donkers
Mustafa Marghadi. Beeld Lin Woldendorp
Mustafa Marghadi.Beeld Lin Woldendorp

De afgelopen maanden was het mogelijk om de huidige NOS-correspondent voor Zuidoost-Azië, al een half jaar in functie, op een scootmobiel te zien tuffen over de kronkelende wegen in het kopje van Noord-Holland, van Lutjewinkel via Barsingerhorn naar Schagen, door de weldadig groene weilanden, langs verkeersborden die vroeger in zijn jongenshoofd de start en finish van de denkbeeldige ‘Tour de Lutjewinkel’ vormden, voorbij de sloot waar hij ’s winters met zijn klasgenoten een stuk afsneed door over het ijs te fietsen, via de kaasfabriek waar zijn vader decennialang werkte, naar het café op het dorpsplein waar hij zelf als tiener in de weekenden de Noord-Hollandse jeugd van drank voorzag, en waar hij nu graag achter zijn laptop zit om zijn nieuwe Aziatische jachtterrein beter te leren kennen.

Die correspondent heet niet Dik Trom, maar Mustafa Marghadi – ‘Moes’ voor intimi. En hoe dat allemaal zo gekomen is, daar heeft hij wel een verhaal bij. Herstel: verhalen, meervoud, die hij een seconde nadat we elkaar in zijn ouderlijk huis de hand hebben geschud met gusto begint op te dissen, om daar een dikke drie uur lang niet meer mee op te houden, behalve dan voor enigszins plichtmatige pauzes waarin hij de interviewer op het hart drukt: ‘Het is jouw verhaal hè. Vul ik het te veel in? Sorry man, beroepsdeformatie. Ik heb straks ook nog wat leuke repo-elementjes voor je bedacht. Maar jij moet het zeggen hoor, het is jouw verhaal.’

Eerst maar die scootmobiel: die is van zijn vader H’saine, maar Mustafa gebruikt hem nu geregeld omdat hij niet mag autorijden, want hij heeft zijn achillespees gescheurd bij een potje voetbal. ‘Ik zette af voor een sprint en páng – alsof ik van achteren keihard werd neergemaaid door een verdediger. Maar ik werd niet eens aangeraakt. Nou ja, lekker dan.’ Hij wijst op de in gips verpakte klompvoet en op de krukken, waarmee hij zich overigens zo snel voortbeweegt dat hij zelfs met twee goed functionerende voeten moeilijk bij te houden is.

Mustafa Marghadi in Noord-Holland, waar hij opgroeide. Beeld Lin Woldendorp
Mustafa Marghadi in Noord-Holland, waar hij opgroeide.Beeld Lin Woldendorp

Dan dat ouderlijk huis. Daar streek hij neer nadat hij vorig jaar juli zijn correspondentschap in Italië had beëindigd. ‘Mijn ouders zijn op leeftijd en zorgbehoevend. Mijn zusje Khadija woont hier vlakbij en is hun mantelzorger. Ik dacht: ik ga er twee maandjes zitten, dan kan zij even chillen en heb ik wat qualitytime met mijn pa en ma.’ Maar dat liep anders. Zijn nieuwe standplaats Indonesië werd overspoeld door verschillende coronavarianten, waardoor de regering een tijdlang geen werkvisa verstrekte. Daarbovenop kwam de peesblessure. ‘En dus’, zegt hij schaterend, ‘ben ik nu gewoon een 39-jarige man die weer bij zijn ouders in Lutjewinkel woont.’

Terug in het dorp met 750 inwoners, waar hij werd geboren in het enige gezin met een Marokkaanse achtergrond, als zesde van acht kinderen. ‘Ik was bijna vergeten hoe mooi het hier is, zeker in de zomer. En ik denk niet dat ik het zo had gewaardeerd als ik hier nooit was weggegaan.’ Maar lastig vindt Marghadi het ook.

Vraag het zijn zus Samira of zijn beste vriend en NOS-collega Onno Beukers, en ze vertellen grinnikend dat stilzitten niet tot zijn grootste kwaliteiten behoort. Hij is iemand die altijd aan staat, en die zich graag onderdompelt in een nieuwe omgeving. Het is frustrerend om de wereld te horen roepen, en alleen te kunnen antwoorden met: bonk, bonk, bonk. ‘Maar het is binnen hoor, mijn visum. Begin augustus mag ik gaan. Mijn ouders zijn een paar weken geleden voor langere tijd vertrokken naar hun geboortedorp in Marokko, we hebben goed afscheid genomen. Ik heb morgen een digitale bezichtiging van een appartement in Jakarta, de talencursus is geregeld. Als ik daar ben kan ik al heel snel mijn tanden zetten in een van de belangrijkste verhalen van het jaar – Indonesië is gastheer van de G20. O man, kom maar op, écht!’

Mustafa Marghadi is de laatste jaren uitgegroeid tot een van de opvallendste gezichten binnen het correspondentenkorps. Hij is al zestien jaar verbonden aan de NOS, werkte voor verschillende radioprogramma’s, en kreeg in 2009 landelijke tv-bekendheid als presentator van Het Klokhuis. Daarna volgden onder meer NOS op 3 en Nieuws en Co. In 2017 won hij de belangrijkste journalistieke prijs De Tegel, voor een multimediaal project over de Brusselse wijk Molenbeek, in die tijd alom in het nieuws als ‘broeinest’ van moslimradicalisme. Kort daarna solliciteerde hij op de vrijgekomen post in Rome. ‘Blijkbaar hadden ze bij de NOS gezien: je kunt die jongen ook in het buitenland zetten en dan komen er mooie verhalen. Ik had nog nooit een stap binnen de Italiaanse landsgrenzen gezet, maar daar maakte ik me niet zo druk om. Ik ben goed met talen, en nieuwsgierig naar zaken als geschiedenis en cultuur. Dat is allemaal vrij makkelijk leerbaar. Vliegtuig pakken, klasje volgen en gewoon daar leven. Ik wist: als ik mijn best doe, komt dat allemaal wel.’

Hij beleefde er zijn vuurdoop als razende reporter. Eerst de ingestorte brug in Genua, daarna de roerige eerste coronaweken, toen het virus in Noord-Italië wild om zich heen greep. ‘Dat was breaking news, dagenlang, dus toen had ik wat we bij de NOS een ‘grand slam’ noemen: dat je de hele dag overal te zien en te horen bent, radio, tv en online. Een wonderlijke ervaring. Ik dacht altijd dat mensen als Arjen van der Horst en Wouter Zwart iets bovenmenselijks hadden, ook fysiek, maar blijkbaar heb ik ook zo’n adrenalineknopje dat je om kunt zetten.’

Het waren ‘professionele hoogtepunten’, maar tegelijkertijd ontdekte hij in Italië ook dat hij het meeste plezier beleefde aan het maken van verhalende reportages met onderwerpen die hij zelf uitzocht. ‘Een goede correspondent moet het nieuws kunnen duiden, maar het is ook belangrijk om aan te voelen wat er speelt, hoe zo’n land ervoor staat, en wat de beste manier is om dat in verhalen te verpakken. Op de een of andere manier had ik de overtuiging dat ik dat wel in me had. Ik heb mezelf aangeleerd om ook camjo te zijn, dus ik kan een camera bedienen. Daardoor kon ik soms ergens wat langer blijven, zonder dat de begroting uit de klauwen liep. De verhalen waar je op stuit als er ruimte is voor het onverwachte, die zijn me uiteindelijk het dierbaarst.’

Je vriend Onno omschreef je als een ‘sociale loner’. Volgens hem maakt dat je zo geschikt voor het correspondentschap.

‘Haha, dat klopt wel. Mensen schatten me vaak in als supersociaal, maar ik ben bijzonder graag op mezelf en voel me niet snel eenzaam. Tegelijkertijd stap ik makkelijk op mensen af om een praatje te maken. Ik hou van hossels, drukte om me heen. In Italië ging ik in elke stad of dorp naar een restaurantje en zei: wat is hier de lokale trots? Zet dat me maar voor. Meestal een goed begin voor een gesprek. Ook ging ik vaak naar voetbalwedstrijden, of naar supportersbars. Mensen willen altijd wel over hun favoriete club vertellen, en van daaruit kun je dan weer hele andere kanten op. Ach, Italië is een fantastisch land, het was precies wat ik zocht qua werk. Alleen is het niet een land waar ik zou willen leven.’

Mustafa Marghadi. Beeld Lin Woldendorp
Mustafa Marghadi.Beeld Lin Woldendorp

Onno zei dat je er soms last had van je Noord-Afrikaanse naam en uiterlijk.

Na een korte stilte: ‘Zoiets heb ik inderdaad weleens gezegd, maar ik vind het vervelend als dat dan hét verhaal wordt. ‘Hij had moeite met het racisme in Italië.’ Dat klopt niet, het was vooral een particulier gevoel; over het algemeen vind ik Italianen gewoon nogal conservatief, risicomijdend, te weinig open voor nieuwe dingen. Voor sommigen is dat juist de aantrekkingskracht, dat de tijd er stilstaat. Dat is ook een onderdeel van de grote schoonheid die het land te bieden heeft, maar de volksaard clasht een beetje met hoe ik in het leven sta. Risicomijdend, dat is wel het laatste wat ik ben.

‘Tegelijkertijd is het ook weer wel waar, wat Onno zei. Ik maakte een keer een radioverslag over een racisme-rel in het voetbal. Romelu Lukaku van Inter Milaan was racistisch bejegend, en zijn eigen harde kern schreef hem een open brief waarin ze uitlegden: als wij zoiets doen, dan proberen we iemand op zijn zwakste punt te pakken, maar dat is dan niet racistisch bedoeld. Een nogal absurde redenatie, maar de Roma-supporters met wie ik erover sprak in mijn favoriete barretje waren het daar helemaal mee eens, en het was ook de teneur in veel kranten. Toen dacht ik wel: jullie zijn niet goed bij je hoofd. Dat zoiets kennelijk de geldende norm is, daar werd ik een beetje chagrijnig van. Maar...’

Maar?

‘Nou ja, je moet nooit een heel volk over één kam scheren. Ik had in Italië heus mijn eigen liberale hoekje kunnen vinden waarin ik me wel thuis had gevoeld. Alleen, ik wil liever een thuis vinden in de algemeenheid van een land.’

Ironisch genoeg gebeurde dat alsnog toen hij vanwege de lockdown aan zijn Romeinse appartement was gekluisterd. ‘Toen ben ik muziek gaan draaien op mijn balkon. Het was een deprimerende tijd, met al die sterfgevallen. In eerste instantie deed ik het om mijn eigen stemming wat op te krikken, maar het werd steeds meer iets voor mijn buren. De regering had een speciale playlist samengesteld met vooral Italiaanse klassiekers, zoals Volare, en oude nummers van Vasco Rossi en zo. Ik begon met een paar liedjes, later duurden die sessies wel een uur of twee. Zo ontstonden er ook gesprekken via de balkons. Na een tijdje lieten mensen tiramisu voor me achter bij de deur, als bedankje. Toen de koffiebarretjes weer opengingen hoefde ik er de eerste week niks te betalen. En dan ga je opeens wel naast elkaar zitten, ‘Hoe is het met de kleine?’, dat soort gesprekjes. Ik woonde al drie jaar in Rome, maar pas door die lockdown voelde ik me verbonden met de mensen in de straat.’

Maar toen het correspondentschap in Zuidoost-Azië vrijkwam, hapte hij toe. ‘Min of meer in een opwelling, en het was redelijk snel gepiept. Ik heb lang gezegd dat Amerika mijn droomjob was, maar dat idee van carrièreplanning heb ik losgelaten. Dit voelde gewoon goed. De regio Zuidoost-Azië zal volgens mij de komende jaren alleen maar belangrijker worden, maar het is minder vaak ‘hard nieuws’. Daarom hoop ik dat het primaat zal liggen bij wat ik het leukste vind, verhalen maken waar niet veel mensen oog voor hebben.’

Vandaag wil Mustafa Marghadi het liefst verhalen vertellen over zijn geboortegrond, die hij met andere ogen is gaan bekijken nu hij er per ongeluk een jaar is gestrand. ‘Ik vind het leuk te laten zien wat deze omgeving voor me betekent.’

Dus stappen we in de auto. Bij elke hoek heeft hij een anekdote. ‘Kijk, dat is mijn oude basisschool, De Kolk, nu het cultuurhuis. Daar gingen ik en al mijn broers en zussen naartoe. Zeventien jaar lang heeft er een Marghadi gezeten. Met fantastische leraren, die negen uur per dag de zorgtaken van mijn ouders overnamen. Het is nu geen school meer, omdat er te weinig leerlingen zijn. Jammer, dat haalt toch een beetje de samenhang uit zo’n dorp.’

Vers terug uit Italië werd hij uitgenodigd om er een praatje te houden, toen een van zijn oude leraressen met pensioen ging. ‘Juf Mia, ze is een soort moeder geweest voor het hele dorp. Toen ik Het Klokhuis ging presenteren was dat hier – hoe zeg ik dit nou zonder een veer in mijn eigen kont te steken? – nou ja, best wel een ding. Ik had gehoord dat zij dat weleens aan haar leerlingen vertelde, als een soort voorbeeld. Zo van: het is prima om boer of schilder te worden, maar er is meer in de wereld. Via via kregen we weer een beetje contact, en toen merkte ik dat zij nog alles van mij wist. Dat ik in groep 3-4 liever in een hoekje een boekje las dan samen met de andere kinderen met de blokken te spelen. Ze wist zelfs wat mijn favoriete boeken waren toen ik niet meer in haar klas zat – de Nul tot Nu-reeks, want ik was erg into geschiedenis. Een paar van die boekjes had ze bewaard, en gaf ze me toen cadeau. Dat heeft me enorm geraakt. Zij zag dingen in mij die ik zelf pas veel later ontdekte. Daar ben ik haar erg dankbaar voor.’

Dat hij geïnteresseerd was in de grotere wereld was al vroeg duidelijk. Waar alle Marghadi’s in hun tienertijd als bijbaantje folders aan huis bezorgden, stond Mustafa erop het Noordhollands Dagblad rond te brengen, zodat hij een krant mee naar huis kon nemen om die helemaal te spellen.

Toen hij als eerste in de familie vwo-advies kreeg, stuitte dat op verzet van zijn vader. ‘Hij zei: ‘Jij gaat gewoon net als je broers en zussen naar de mavo in Winkel. Dat is vlakbij, en daar kunnen jullie een beetje op mekaar letten.’ Ik stribbelde tegen: ‘Ja maar pa, ik hoor daar niet.’ Maar het was: ík bepaal wel waar jij hoort. De directeur van mijn basisschool heeft nog geprobeerd hem te overtuigen, maar hij was onvermurwbaar.’

Een trimester ging hij naar de mavo, waar hij niks deed en zich stierlijk verveelde. ‘Dat is vrij vormend geweest voor mijn karakter. Ik weet nog goed dat een juf vroeg: ‘Hoe zeg je voetbal in het Engels?’ Ik stak mijn hand op en zei ‘football’. ‘Nee Moes’, antwoordde ze, ‘het is soccer’. ‘Kan óók’, zei ik, ‘maar dat is Amerikaans’. Maar zij hield voet bij stuk en alle kinderen kozen haar kant, want de leraar heeft altijd gelijk. Ik was 13 en mijn hoofd ontplofte gewoon. Compleet gedesillusioneerd was ik. Sindsdien zegt autoriteit op basis van positie mij niet meer zoveel. Bij mij is het: overtuig me maar, kom maar met argumenten. Waarschijnlijk zeggen daarom zoveel mensen dat ik ongelooflijk koppig ben.’

Mustafa Marghadi. Beeld Lin Woldendorp
Mustafa Marghadi.Beeld Lin Woldendorp

Zeven tienen had hij op zijn eerste rapport. ‘Toen is het schoolhoofd van de mavo samen met mijn mentor bij ons thuis op audiëntie gekomen. Dat heeft grote indruk op mijn vader gemaakt. Autoriteiten die naar zijn huis kwamen om te vertellen dat zijn zoon te slim was voor hun school. Dus ging hij overstag. Ik mocht naar het vwo in Schagen. Wat heel fijn was voor mij, maar tegelijkertijd ook een beetje een treurig moment. Mijn vader was ooit naar Nederland gekomen met het idee dat hij zijn kinderen een betere toekomst wilde bieden. Dit was daar natuurlijk een voorbeeld van, maar tegelijkertijd was het ook – hoe zeg ik dit nou goed? – het moment waarop ik hem oversteeg, waardoor hij inzag dat hij me moest loslaten. Ergens voelde ik dat hij dacht: ik weet blijkbaar niet hoe het werkt, dus ga je gang maar. Ik denk dat hij het hele concept van niveauverschil niet vatte. Logisch, dat had hij ook nooit hoeven begrijpen.’

Tussen zijn jeugd en die van zijn ouders zat meer verschil dan één generatie. Hun geboortedorp in de Hoge Atlas was een compleet andere wereld. ‘Dat heb ik natuurlijk altijd wel geweten. Ik denk dat ik daarom ook nooit het conflict met mijn vader heb gezocht. Hij en mijn moeder hebben keihard gewerkt zodat wij ons konden ontwikkelen. Het lastige was alleen dat de weg daarheen voor mij wel vrij eenzaam voelde. Na school ging ik vrij snel op kamers in Utrecht, en als ik in de weekenden terugkwam spraken we over koetjes en kalfjes en hadden we elkaar eigenlijk niet zoveel meer te melden. Dat was geen drama ofzo, maar ik vond het soms wel jammer.’

Een paar jaar lang volgde hij studies die de goedkeuring van zijn vader konden wegdragen, maar die hem zelf maar matig interesseerden. ‘Eerst een opleiding Management, economie en recht. Daarna verdwaalde ik in de woestijn genaamd Commerciële economie. In die tijd was ik echt op zoek naar mezelf. Als mijn vader zei: dat lijkt me goed voor je, wist ik dat hij dat alleen maar zei omdat het duur klonk, want hij wilde dat we geld zouden verdienen. Ik snapte dat. Hij kwam zelf uit een dorpje waar drie maaltijden per dag al een ding is. Voedselzekerheid, levenszekerheid, daar ging het voor hem om. Zelfverwezenlijking was iets wat niet in zijn wereldbeeld paste. Maar ik was zoekende, ik wilde ergens naartoe.’

Hij vond het toen hij zich aanmeldde bij de School voor Journalistiek in Utrecht – ‘vanaf die dag heb ik nooit meer teruggekeken’ – waar hij zich als een vis in het water voelde. Via de voetbalvelden van de Utrechtse club Kampong wist hij nog tijdens zijn studie een baantje bij de NOS te regelen. ‘Ik kwam daar onder meer Xander van der Wulp tegen, die chef was bij de NOS. Hij had jaren in het eerste gespeeld, en ik nam min of meer zijn plek in. Zoals dat dan gaat: je doet na de training samen een drankje. Ik had een stage gedaan bij de NOS, daar waren ze tevreden, en dus was het: Moes, ik heb wat voor je.’ Hij lacht breeduit: ‘Via het old boys network van een chique voetbal- en hockeyclub, dat is niet de manier waarop iemand met mijn achtergrond verder komt in het leven. Maar het hielp dat ik uitstekend wist hoe je je moet bewegen in een witte wereld.’

De witte wereld van Lutjewinkel, waar zijn vader in 1969 bij toeval terechtkwam, tien jaar later gevolgd door zijn moeder. ‘In de afgelopen maanden ging ik vaak ’s avonds even een rondje maken met mijn vader. Hij op de scootmobiel, ik op de fiets. Dan kwamen er veel verhalen los, ook dingen die ik helemaal niet wist.’

Hij dirigeert de auto naar een hoekhuis in het verderop gelegen Haringhuizen. ‘Dit was ooit een augurkenfabriek. Daar heeft mijn vader jarenlang dubbele diensten gedraaid, naast zijn werk in de kaasfabriek. Kwam-ie tussendoor één uurtje thuis slapen. Dan werk je, wat, achttien uur? Echt, het was een beest, mijn vader, fysiek ijzersterk.’

Ook kwam hij er nu pas achter waarom hij Marghadi heet. ‘Ergens in de jaren zestig kwam er een stel Fransen in het bergdorp van mijn ouders. Ze zeiden tegen de burgemeester: we hebben gastarbeiders nodig, voor de mijnen. Oké, antwoordde die, ik trommel wel wat jongens op. Ze moesten geadministreerd worden, maar bijna iedereen was analfabeet. Dus noemden ze hun voornaam en wie hun vader was. In mijn pa’s geval: H’saine ben Said. De Fransen zeiden: we hebben achternamen nodig, maar dat concept kenden ze helemaal niet. Dus heeft de burgemeester ze maar bedacht, bij iedereen iets anders. De slimme, de lange. Mijn oom stond bekend als de mooiboy van het dorp, kerrah in de plaatselijke Amazigh-taal, dus die heet nu zo. Bij mijn vader was de fantasie blijkbaar op, want hij werd vernoemd naar het dorp. Aït Marghad, en dus: Marghadi.’

Mustafa Marghadi. Beeld Lin Woldendorp
Mustafa Marghadi.Beeld Lin Woldendorp

Bizar. Alsof jij nu Moes Lutjewinkel had geheten.

‘Nou, eigenlijk: Lutjewinkeler. Maar exact. En mijn vader had geen idee. Hij stapte in een vrachtwagen naar Casablanca, waar de boot naar Calais wachtte. Daar werden de namen omgeroepen. Toen H’saine Marghadi werd genoemd, tikte een Franse officier hem op zijn schouder en zei: dat ben jij. Zo wist hij hoe hij voortaan heette. In de mijnen in Noord-Frankrijk heeft hij zich ziek gewerkt. Daarna keerde hij terug naar Marokko, totdat hij via een kennis hoorde over Nederland, waar de omstandigheden iets beter waren.’ Hij wijst nog maar eens op een weiland en een sloot. ‘En zo komt het dat wij hier zijn opgegroeid. Stom toeval.’

Wat betekende het voor jou om deze verhalen te horen?

‘Dat was heel waardevol. Die avondrondjes hebben ons dichter bij elkaar gebracht. Ik vond het fijn om hem recht in de ogen te kijken en te zeggen dat ik hem dankbaar was. Ik realiseerde me dat ik dat nog nooit had gedaan. We zijn geen familie die snel emotionele dingen bespreekt. Maar zeker nu ik wist dat ik ze lang niet meer zou zien, was het extra belangrijk om hem en mijn moeder te laten weten dat ik van ze hou.’

Dichter bij zijn ouders, én dichter bij Lutjewinkel. Tot besluit laat hij de auto stilhouden voor een bliksembezoekje aan Annita en Ben, bij wie hij als baby een paar maanden doorbracht omdat zijn moeder vanwege een sterfgeval naar Marokko moest. Zijn vader bleef achter met vijf kinderen en een drukke baan. ‘Dat werd hem een beetje veel. Annita en Ben hadden een gezin van vier, zij was vroedvrouw, dus die zeiden: een baby’tje erbij is geen probleem.’

Het weerzien is hartelijk. Hij babbelt even met Ben, die in zijn schuur vintage brommers aan het opknappen is. Annita duwt hem een stapeltje vergeelde foto’s in handen, waaronder een ontroerend plaatje van een lichtbruine baby met krullend zwart haar, gezellig samen aan de eettafel met vier zeer Hollands ogende kinderen. ‘Ik zie jullie nog wel voor ik vertrek’, zegt Moes bij het afscheid.

Ik krijg onderhand wel een idyllisch beeld van Lutjewinkel.

Hij lacht. ‘Mooi zo. Ik denk dat wij geluk hebben gehad dat we hier terecht zijn gekomen. Ik voel me er thuis, werd door veel mensen op waarde geschat. Maar het was ook weer niet altijd rozengeur en maneschijn, hè. Als een van ons mot had op het schoolplein, was het al snel: stomme Turk. Die lieve juf Mia zei dan: maak je er maar niet druk over, je bent helemaal geen Turk. Maar dat is natuurlijk het punt niet, ze laten je voelen dat je anders bent. Zo zijn kinderen. Ik snapte pas veel later waarom dat me meer raakte dan wanneer ze me gewoon een klootzak noemden.’

Nog niet zo lang geleden hoorde hij dat een nieuwkomer in het dorp de politie had gebeld, omdat hij een vrouw met een hoofddoek door een raam had zien kijken. ‘Dat was dus mijn moeder, die hier al ruim veertig jaar woont. De wijkagent zei meteen: o, dat is gewoon Bezza Marghadi, een fijne vrouw, die alleen even naar haar vriendin Tini wilde zwaaien. Opgelost. Maar voor mij is het een klap in mijn gezicht, dat iemand die haar niet kent haar automatisch als een gevaar ziet. Dan weet je: in zekere zin zal ze altijd die ander blijven.’

Je wekt de indruk dat je niet graag over dit soort dingen praat.

‘Dat is waar. Ik ben voorzichtig met een woord als racisme. Vaak denk ik dat het pas zinnig is om het erover te hebben als je elkaar al goed kent. Zeker hier, waar veel minder diversiteit is dan in de stad. Het woord racisme is als schrikdraad. Je raakt het aan, en niemand hoort meer de nuances die je erbij aanbrengt. Natuurlijk bestaat er structureel racisme, iets wat vaak onder de oppervlakte zit en waar echt nog wel aan moet worden gewerkt. Maar ik vind dat je in individuele gevallen moet kijken naar intentie, en die is hier in veruit de meeste gevallen echt oké. Elk incident dat is voorgevallen kan ik me nog levendig herinneren, maar ik ben er niet door getekend, want er staan meer dan genoeg positieve dingen tegenover.’

Dan hobbelt hij op zijn klompvoet naar de voortuin van het ouderlijk huis. ‘Een verhaal heeft nooit maar één kant. Ik wantrouw mensen die absolute zekerheden hebben, ook op dit gebied. Daar ben ik gewoon te koppig en te eigenwijs voor.’

Mustafa Marghadi. Beeld Lin Woldendorp
Mustafa Marghadi.Beeld Lin Woldendorp

CV Mustafa Marghadi

17 april 1983 Geboren in Lutjewinkel.
2003-2008 School voor Journalistiek in Utrecht.
2006-2011 Redacteur bij de NOS.
2007 Radioverslaggever RTV Utrecht.
2008-2011 Presentator Het Klokhuis.
2011-2016 Co-presentator NOS op 3.
2016-2017 Co-presentator Nieuws en Co.
2017 Winnaar van De Tegel met het multimediale project Bij ons #inMolenbeek.
2017-2021 NOS-correspondent in Italië.
2021-heden NOS-correspondent in Zuidoost-Azië.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden