Normloze hyperconsumenten

De middenklasse verdwijnt om plaats te maken voor een heterogene groep van individualisten die steeds meer welvaart en dienstverlening zullen eisen....

Wie zijn boek Het einde van de middenklasse noemt, knipoogt naar de Amerikaan Fukuyama. Diens optimistische Het einde van de geschiedenis (1990) laat de hele wereld vroeg of laat uitmonden in een liberale democratie. Maar Fukuyama’s titel is zelf ook een verwijzing, en wel naar Marx’ visioen van een historisch einde. De roemruchte Marx rekende op een klassenloze maatschappij waarin het collectivisme zegeviert.

En jawel, de Italianen Massimo Gaggi (journalist) en Edoardo Narduzzi (hightech-ondernemer) voorspellen Europa zo’n klassenloze toekomst. Maar dan zónder de solidariteit en het collectivisme die Marx voor ogen stond. Zij signaleren de ondergang van het maatschappelijke midden en daarmee van de sociaal-democratie.

Hun nuchtere en stevig onderbouwde analyse is een antwoord aan Fukuyama én Marx, al worden die niet met name genoemd.

De Europese middenklasse, aldus het duo, is ontstaan uit drie rollen: een economische (als consument van industriële massaproducten), een maatschappelijke (als normsteller voor wet- en regelgeving) en een politieke (als buffer tegen de subversieve arbeidersklasse).

Deze rollen verdwijnen alle drie in hoog tempo; 80 procent van de massamarkt bevindt nu al buiten Europa, dus als afzetmarkt telt Europa steeds minder mee. Tegelijk verliest het traditionele ‘witteboordenwerk’ van leraar, huisarts, agent of ambtenaar zijn status en morele overwicht. Ook in inkomen en consumptiepatronen onderscheidt deze groep zich niet meer. Easyjet, Ikea, pretparken, pornosites en Chinese kledingateliers bedienen tegenwoordig iedereen. Goedkope goederen en diensten fungeren als moderne ‘brood en spelen’ die het volk zoet houden. En zo, menen de Italianen, versmelt de Europese middenklasse met lager geschoolden tot een heterogene groep hyperconsumerende, normloze individualisten.

De auteurs herinneren eraan dat de middenklasse, dat fundament onder onze wieg-tot-grafverzorging, een lokaal (West-Europees) en kortstondig fenomeen is. Zij ontstond rond 1900, kwam omstreeks 1950 tot wasdom en lost nu weer in een amorfe massa op.

Aangemoedigd door de overproductie van de lowcost economy en de instroom van laagbetaalde migranten, zal deze massa steeds meer welvaart en persoonlijke dienstverlening eisen in ruil voor dure zekerheden, verwachten de auteurs. Het loon voor ongeschoold werk zal dalen en de beter betaalden zullen minder belasting over hebben voor uitkeringen.

De VS hebben dit hardere maatschappelijke model altijd gehad. Het ontstaat ook in Oost-Europa, Latijns-Amerika en in Azië, waar lage belastingen een Amerikaans ondernemersklimaat scheppen.

De analyse van de Italianen is een stevige repliek aan de maakbaarheidsoptimisten en burgerschapsideologen die sussen dat de verzorgingsstaat in Nederland wel stand kan houden. Nederlandse trends, zoals het toenemende wantrouwen jegens de overheid en de politieke polarisering krijgen met dit boek een internationale context.

Toch hoeft Europa niet automatisch een VS-kloon te worden, vinden de auteurs. Zij pleiten voor een ‘neohumanistisch’ regeringsbeleid in Europa. De overheid moet vooral lowcost-diensten aanbieden en geld verslindende sectoren als onderwijs en zorg verder privatiseren. Ook moeten regeringen ‘de natuurlijke neiging tot excessieve consumptie’ temperen ten gunste van burgerlijke spaarzin.

De aanbevelingen zijn echter minder goed uitgewerkt en soms ook minder overtuigend dan de analyse. Bij een pleidooi voor zware overheidsinmenging bij innovatie ‘volgens Venus’, in plaats van op de Amerikaans ‘martiale’ wijze, halen de auteurs bijna trots het pan-Europese Airbus aan – toch een weinig solide voorbeeld.

Vergeleken met het nogal breedvoerige essayistenproza van de Italianen is de boodschap in We consumeren ons kapot van de Belgische socioloog Dirk Geldof een vlotte weglezer. Geldof signaleert dezelfde trend (‘onze samenleving wordt een blinde meritocratie’), maar beperkt zich tot de uitwerking van zijn titelzin. Het resultaat is een confronterend pamflet tegen de economische groeipolitiek én tegen het runshoppen (gemaksvoer inslaan na het werk), funshoppen, autorijden en vliegen. Daarbij balanceert Geldof tussen hoop (fair trade-initiatieven, groene beleggingsfondsen) en vrees (‘de file, dat zijn de anderen’).

Even Europees als het Italiaanse duo zoekt ook Geldof het heil primair bij de overheid. Selectieve investeringssteun en belastingverlaging moeten een duurzame productie- en levensstijl bevorderen.

Voor koopjesjagers, merkverslaafden en snoepreizigers heeft Geldof alleen een filosofisch advies: ‘Laten we waarderen wat we niet kunnen tellen of kopen: poëzie, liefde, erotiek, natuur, solidariteit, alles wat de mens verheft boven zijn kleinheid.’

Natuurlijk. Maar krijg de doorsnee hardwerkende consument daarmee maar eens uit zijn geliefde auto.Carien Overdijk

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.