interview

Noraly Beyer over haar relatie met Joost Prinsen: ‘Je bent nooit te oud, ook op je 75ste kan de liefde je nog treffen’

Het leven: wat dachten we, wie waren we en hoe is het allemaal zo gekomen? Een gesprek aan de hand van jeugdfoto’s, met Noraly Beyer

Noraly als kind met haar moeder en broers

Noraly, links, met haar broers en moeder. Beeld
Noraly, links, met haar broers en moeder.

‘Ik ben hier een jaar of 7 en sta met mijn moeder en broers voor de basisschool op Curaçao waar mijn moeder lesgaf. Die school werd gerund door de fraters uit Tilburg, ik zat aan de overkant op school bij de zusters van Schijndel. Als de school rond één uur uitging liepen wij naar het klaslokaal van onze moeder en aten we het warme eten dat zij mee had genomen, in van die pannen die je in elkaar kunt schuiven, je ziet ze bijna niet meer. Ik kan me dit specifieke moment nog goed herinneren omdat ik er nogal stralend opsta, zo van: kijk mij nou op de foto gaan. Dat gebeurde niet elke dag.

‘Wat ik wilde worden weet ik niet meer, maar wel dat ik toen al erg graag naar verhalen luisterde. Het was natuurlijk allemaal Nederlandse kost wat we naar binnen geschoven kregen, dus ik kende alle versjes van Annie M.G. Schmidt uit mijn hoofd, Het Fluitketeltje en zo. Mijn moeder kon ook goed verhalen vertellen. Zij groeide op in Suriname, in een huis op neuten; hoge palen. Op een dag liep ze de trap af, toen ze ineens de vrouw op het erf zag staan die altijd de was voor de familie deed. Ze was helemaal in het wit gekleed en hield een wasmand vast, maar zei niets, ze stond daar maar, in de schemering. De volgende dag bleek die vrouw dood te zijn. Zulke verhalen maakten enorm veel indruk op ons. Eigenlijk ben ik mijn hele leven te midden van mensen geweest die verhalen vertellen. Ja, nu weer, al heb ik Joost nog geen spookverhalen horen vertellen, haha. Overigens geloof ik nog steeds dat als iemand doodgaat, het heel goed mogelijk is dat diegene afscheid van je komt nemen. Hier in Nederland kijken we daarvan op, maar ik geloof erin.’

Naam: Noraly Beyer

Leeftijd: 75 jaar

Bekend van: presentatie NOS Journaal tot eind 2008

En nu: schrijft en speelt in theatervoorstellingen, debatleidster, columnist, bestuurslid Werkgroep Caraïbische Letteren, RvT lid Mondriaan Fonds, VZ Vriendenkring De Nieuwe Kerk

Noraly met haar eerste kind

Met zoon Miklos. Beeld
Met zoon Miklos.

‘Mijn moeder zei altijd, en nu komt het gevleugelde cliché dat elke Surinaamse vrouw kent: ‘Je diploma, dat is je man.’ Dus: zorg dat je iets wordt in het leven, daar heb je meer aan dan achter de mannen aanlopen.

‘Ik was 10 toen mijn vader stierf, daarna ben ik met mijn twee broers naar een kostschool in Nederland gestuurd, een gewoonte uit de koloniale tijd. In Den Haag ging ik de kweekschool doen, en in die tijd leerde ik ook Janos kennen. Dit is ons eerste kind, Miklos. Hij is hier denk ik een paar dagen oud. Ik weet nog dat iedereen in het ziekenhuis kwam kijken naar dat gastarbeidertje met veel haar. Hij kijkt zo gelukzalig op deze foto vind ik, dat zie je niet vaak bij baby’s. Ik ook ja, al was ik zo groen als gras. Ik was 22 jaar, dan weet je toch eigenlijk niks.

‘Ik was hier al onderwijzeres, maar ik had maar één wens, en dat was terug naar de tropen. Dat gevoel werd versterkt toen Miklos begon te kruipen, want we woonden op een flat in Delft en ik keek hem na als naar een tennisbal: van de ene naar de andere kant. Het geluk is mij toen toegeschoven dat mijn man een baan als planoloog kreeg in Suriname. Soms heb je engeltjes op je hoofd. De kosmos kijkt goed naar ons: je plant van alles, en dat moet je ook vooral doen, maar op cruciale momenten in je leven gaat het buiten jezelf om, dan wordt er voor je bepaald. Een soort lotsbestemming. Je hoeft er niet in te geloven, maar het gaat wel vaak zo, al zie je dat later pas.’

Kwakoe Festival met kleinkind

Afscheid van het NOS Journaal tijdens Kwakoe in 2009. Beeld
Afscheid van het NOS Journaal tijdens Kwakoe in 2009.

‘Toen ik in 2009 na 23 jaar was gestopt als nieuwslezer bij het Journaal zei ik: ‘Ik wil graag afscheid van jullie nemen, maar niet aan een ronde statafel met een bitterbal.’ Toen is het mij gegund om een groot feest te geven in de Bijlmer. Ik wilde het daar doen, omdat de Bijlmer toen nog werd gezien als een ghetto-achtig gebied, het sociale afvoerputje van Nederland. Oók door mijn collega’s. Ik heb toen een tent gehuurd op het Kwakoe Festival, en vrienden hebben een prachtig programma samengesteld dat begon met een optreden van een Caraïbische brassband, en daarna verder ging met allerlei toespraken en zang en dans. En eten natuurlijk. Op deze foto rust mijn hand op het hoofd van Moán, de zoon van mijn dochter Noémi. Hij is inmiddels een jongeman, maar als kind heb ik veel op hem gepast, ook dat was een fijne tijd. Dan haalde ik hem op van school en las ik voor, zoals mijn moeder mij voorlas.

‘Nee, ik was niet bang voor het zwarte gat na de NOS, geen seconde. Meteen daarna ging ik namelijk aan de slag bij het Noord Nederlands Toneel onder leiding van Ola Mafaalani. Zij was bezig de Griekse tragedie Medea in de actualiteit te plaatsen. Ik dacht eerst, ik ben geen acteur, wat moet zij met mij, maar ze was juist op zoek naar die vervreemding op de theatervloer. Bovendien plaatste ze mij in het koor, dus als iemand die naar buiten toe verslag doet van de daden van Medea, wel waarschuwt maar niet ingrijpt. Eigenlijk precies wat een journalist ook doet. Van het een kwam het ander, dus nee, van zwarte gaten heb ik geen verstand.’

In één theaterproductie met Joost Prinsen

Met onder andere Joost Prinsen in 2009. Beeld
Met onder andere Joost Prinsen in 2009.

‘Deze foto is gemaakt tijdens de première van De Afscheidsmonologen, een theaterstuk over de dood. De vaste kern bestond uit Rian Gerritsen en Arend Niks, daarnaast was er een wisselende pool van acteurs en Bekende Nederlanders. Zo ben ik daar terecht gekomen, en bij de première was Joost Prinsen er ook bij. Wat ik dacht toen ik hem zag? Helemaal niks! Ja, hij wel, begreep ik achteraf, maar hij was getrouwd dus er was verder nergens sprake van. Daarom is deze foto zo grappig, dat je dik tien jaar later alsnog verkering krijgt. Zo zie je maar: je zoekt niks, maar het lot doet wat het wil.

‘Toen onze relatie bekend werd zijn we werkelijk overstelpt met lieve appjes en berichtjes, mensen waren zó blij voor ons! Ik denk omdat ze hoop kregen. Dat besef van: je bent nooit te oud, ook op je 75ste kan de liefde je nog treffen.

‘Het mooie van op leeftijd verliefd worden is vooral, denk ik, dat je nog steeds in staat blijkt te zijn dingen in jezelf te ontdekken. Het is de ontdekking dat niets dooft, en dat het smeulende vuur dat het leven kracht geeft en mooi maakt, zomaar weer kan oplaaien. Dat is ook wat Joost en mij bindt, die zin in het leven. Dat er altijd iets is waarover je je kunt verwonderen, over kan verbazen. Dat is ontzettend spannend. En misschien is dat ook wel de troef van het ouder worden: ik kan verdwalen in herinneringen, maar ik kan ook verdwalen in visioenen over morgen, én ik kan genieten van de dag van vandaag. Je hebt het eigenlijk allemaal. Ik hoop dat het mij gegund is dat het tot de dood zo blijft.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden