NOG NOOIT ZO BANG GEWEEST

Maandag is het vijf jaar geleden dat de Afghaanse hoofdstad Kabul in Amerikaanse handen viel. Het luidde het einde van het Taliban-regime in....

Dit is een teken van de Heer. Dat dacht sergeant Myers toen hij kapelaan Johnson vanochtend uit de Black Hawk-helikopter zag stappen. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zit hij daarom nu kletsnat te wezen in de provisorische doopvont van munitiekisten en een stuk zeil. Hij hijst zich uit het water en pakt zijn machinegeweer. Zijn maten klappen in hun handen. De kapelaan kijkt verheugd. ‘Iemand anders nog?’

Drie militairen lazen de Bijbel, toen ze hier zeven maanden geleden hun kleine tentenkamp opzetten midden in de wildernis van de Korangal Vallei. Nou ja, weleens dan. Nu zweert meer dan de helft van het kamp bij het heilige boek. Misschien geeft dat wel antwoord op hun prangende vragen. Acht militairen zijn opgeblazen of doodgeschoten sinds ze hier hun intrek namen. Dertig raakten gewond.

‘Om al die jonge soldaten te zien sterven, is verschrikkelijk. Dan realiseer je je hoezeer je het leven moet waarderen’, zegt Myers, terwijl hij naar de containerkeuken loopt, waar hij als kampkok het dagelijkse pièce de résistance gaat klaarmaken: puree van tonijn, aardappels en hardgekookte eieren. En anders zijn er de Meals Ready to Eat, ofwel MRE’s: pakketten met vacuümverpakte maaltijden – verantwoordelijk voor de vele streepjes bij de hanepoterig geschreven ‘Chili Mac Attack’ bij de wc.

Een waarschuwing van korporaal Wilson: eet niet een van de snoepjes die bij de MRE-maaltijden komen. Nooit of te nimmer. Iedereen die er eentje uit de vrolijke wikkel heeft genomen, is daarna namelijk iets ergs overkomen. Oppassen dus.

Buitenlandse militairen zijn niet gewenst in een groot deel van de Korangal Vallei, die boodschap is inmiddels ten volle doorgedrongen tot de Korangal Outpost; een vooruit geschoven Amerikaans-Afghaanse post midden in de woeste bergen bij de Pakistaanse grens.

Dit is sinds jaar en dag de schuilplaats van strijders van de Taliban, Al-Qaida en de krijgsheer Hekmatyar. Van laag tot hoog. Volgens de Pakistaanse president Musharraf schuilt zelfs Osama bin Laden in deze contreien.

Maar zonder de brede steun onder de dorpsoudsten zouden leiders als Abu Ikhlas al Misri, Ahmad Shah en de anderen het hier niet lang uithouden. Via familierelaties en religieuze verwantschap zijn de dorpelingen nauw met hen verbonden. In het noorden van de vallei staan ze wel open voor wat de Amerikaanse en Afghaanse militairen te bieden hebben, maar in het zuiden is er maar één antwoord: vuur! Stank voor dank krijgen ze daar, zegt sergeant Blaine Stevens. ‘De rijst, bloem en kleding die wij op onze rug naar hen toe dragen, die pakken ze wel. Maar geen woord van dank. En als je je rug keert, word je beschoten. Daarom wil niemand van ons hier meer zijn.’

Een makkie

Ze zijn heus wel wat gewend, de jongens van het eerste bataljon van het 32ste infanterieregiment van de 10th Mountain Division, zoals ze officieel heten. In Haïti zijn ze ingezet, in Kosovo en Irak. Na Irak zou Afghanistan een makkie worden. Niet dus. ‘Ik ben hier banger dan ik ooit in mijn leven ben geweest’, zegt Stevens, die ook diende in Kosovo en Irak. Hij was een van de weinigen die wél de Bijbel las voor aankomst in Afghanistan. Voor als hij brandende vragen heeft, zegt hij. Momenteel heeft hij er twee: ‘Wanneer gaan we naar huis?’ en ‘Overleven we het tot die tijd?’

‘Vuur!’ Whoemm. De mortier buldert door de vallei. ‘Vuur!’ Whoemm. ‘Vuur!’ Whoemm. ‘Vuur!’ Whoemm.

Rakketakketakketakketak.

Is dit inkomend of uitgaand vuur? Het is de dringende vraag die nieuwelingen hier een paar keer per dag stellen, maar de veteranen horen het direct. ‘Uit’, roept korporaal Wilson, terwijl hij naar de hoge positie rent die hij moet innemen om het kamp te verdedigen.

Rakketak. Uit. Rakketak. In. Rakketak. In. Rakketak. In. ‘Vuur!’ Whoemm. Uit. ‘Vuur!’ Whoemm. Uit.

Geen twijfels over de zin van het bestaan in Korangal Outpost. Geen tijd voor gedoe. Zelfs de grootste branieschoppers kunnen binnen de kortste keren nog maar aan één ding denken: thuis. Hun nieuw verworven inzichten fluisteren ze ’s avonds door de militaire telefoonlijn in de recreatietent.

‘Ik hou van je liefje, hou je haaks hè?’

‘Doe je het goed op school? Ik ben trots op je.’

‘Maak je geen zorgen mam, alles goed hier.’

‘Wat zeg je schatje? Ben je dronken ofzo? Nee, nee, dat geeft echt niet, we beginnen gewoon opnieuw. Dus ik bel je op en vraag: hé schatje, hoe gaat het met je? Wat zeg jij dan?’

En als de verlegen soldaat Geroy op vrijdagavond in de recreatietent een liefdesliedje ten beste geeft op een deuntje dat uit zijn laptop schettert, dan zingen ze allemaal uit volle borst mee.

And all the roads we have to walk are winding

And all the lights that lead us there are blinding

There are many things that I would

Like to say to you

But I don’t know how

Because maybe

You’re going to be the one that saves me

And after all

You’re my wonderwall

Twee jaar en vier maanden geleden stond Mark Kilpatrick (20) een joint te roken met zijn maten bij een winkelcentrum in Missouri – ‘Misery’ –, toen een overheidsauto kwam aanrijden. Foute boel, dacht Kilpatrick nog, die op dat moment alle voorhanden zijnde drugs gebruikte en wiens roodharige lange verschijning wekelijks op het politiebureau kon worden gesignaleerd. Maar de inzittenden hadden andere plannen met hem. En daarom zit hij nu in een heel andere jungle sigaretten te roken.

Vrolijke vrouw

Drugs en de hele scene eromheen interesseren hem niet meer. Nee, in het leger heeft hij ontdekt wat het allerbelangrijkste is in zijn leven. Hij haalt zijn portefeuille tevoorschijn. Een vrolijke vrouw en een blond meisje lachen hem vanachter een plastic hoesje toe. ‘Als ik bij het leger weg kan, doe ik het. Misschien ga ik wel als brandweerman werken.’

Joe twijfelt niet over het leger. Familieleden van de inlichtingenofficier vochten in zo’n beetje alle oorlogen waar de VS bij waren betrokken, maar de voormalige computerdeskundige had zelf een heel specifieke reden om zich aan te melden voor de actieve dienst: 11 september 2001. ‘Al-Qaida haat ons voor waar we voor staan: vrijheid en mensenrechten. Dat we vrouwen het recht geven om te stemmen. Dat we van muziek houden.’

Hij ziet stukje bij beetje vooruitgang in Afghanistan, óók in de Korangal Vallei. ‘Laatst zag ik een jongetje zingen toen wij aankwamen. Dat deed me zo veel goed. Ze zien dat wij niet de bezetters zijn.’

Maar optimisme is een schaars goed op Korangal Outpost. ‘Ze zeiden tegen ons: je gaat de bevolking helpen een goed bestaan op te bouwen’, zegt Kilpatrick. ‘Dit was totaal niet wat ik verwachtte. Nu wil ik vooral dat het voorbij is. Ik vecht voor mijn maten, links en rechts van me. Verder kan dit land me geen lor meer schelen. Het zijn toch voor 95 procent slechteriken. Hoe eerder ik hier weg kan, hoe beter.’

Tot die tijd helpen maar twee dingen: God en zwarte humor. Soldaat Pienkowski hoort constant de kogels fluiten als hij wacht heeft in de Humvee bij de poort. Dan weet hij dat het in zijn hoofd is, maar toch. Het is het verschrikkelijke gevoel dat er elk moment iets kan gebeuren. En vandaag zijn hij en soldaat Flowers extra op hun hoede. Er zijn berichten dat een zelfmoordaanslag zal worden gepleegd. Een verstandelijk gehandicapte man van even verderop zou ervoor worden gebruikt. Pienkowski grijnst. ‘Dus dan zeggen ze tegen hem: doe jij dit vestje maar even om.’ Flowers draait zijn ogen scheel. ‘Jajajaja, leuk ikke omdoen.’

Pienkowski en Flowers zijn de knapperds. Tenminste, dat is wat de Afghaanse militairen hen noemen. ‘Bah!’, zegt Pienkowski. Flowers: ‘Afghanen zijn rare lui. Ze lopen hand in hand. Heel klef. Homo’s zijn het.’

Soldaat René Berben komt erbij staan: ‘En wij dan? Wij slapen dicht tegen elkaar aan als we op patrouille zijn.’

Pienkowski: ‘Ja, dat is waar. Ik probeer altijd een grote man te vinden om tegenaan te liggen.’

Berben knipoogt: ‘Mmmm, lekker warm.’

Morgen moeten ze weer op pad. Dagenlang door de bossen struinen, berg op berg af. Als het even kan zingend: ‘These boots are made for walking’. Maar vaker zo stil mogelijk, om de vijand niet te waarschuwen. Deze bergen zijn het allermoeilijkste terrein voor een soldaat, en de beste schuilplaats voor een guerrillastrijder. Ze worden constant in de gaten gehouden.

Een zenuwslopende wetenschap. Dat als ze de poort uitlopen, ze het direct kunnen horen op de radio van de vijand: ‘De Amerikanen gaan op pad. Zullen we ze nu te pakken nemen, of zometeen?’

Middernacht

Soldaat Berben (21) uit Californië is zo vaak beschoten dat hij is opgehouden met tellen. Sowieso telt hij liever niet hier. Dan gaat de tijd namelijk langzamer. Hij slaapt, eet en doucht wanneer het kan – op elk uur van de dag. Vandaag gaat hij om zes uur ’s avonds naar bed, om rond middernacht met een dagenlange patrouille te beginnen.

Dus ligt hij nu op bed en luistert naar zijn iPod. Bowie, Beatles, dat soort werk. Dan vergeet de kleine zoon van El Salvadoriaanse immigranten, die heel trots zijn dat hij in het leger zit, even helemaal waar hij is. ‘Heeeere comezz the sunnnn.’

Maar één dag zal Berben niet vergeten: 2 oktober. Dat was toen korporaal Robinson (21) vlak naast hem werd getroffen door een kogel. Bloed, zag Berben. Zo verschrikkelijk veel bloed. Even stond hij er als bevroren bij. En daarna kwam de paniek. ‘Ik schreeuw tegen Robinson: Ren! Ren!’ Maar Robinson kon niet meer rennen.

Op dezelfde dag kwam ook een Afghaanse soldaat om het leven door eigen vuur, én sneuvelde de hospik die hem te hulp schoot doordat zijn konvooi werd getroffen door een raket.

En zo verloor Berben twee vrienden op één dag. Robinson, zijn slapie thuis op Fort Drum, en hospik Vaccaro (23), die ook van zo van skateboarden hield. Nadat hij met zijn maten huilend terug naar het kamp was gerend, is Berben een dag zijn bed niet uitgekomen.

Vannacht vertrekken ze naar de noordzijde van de vallei. Dat is de fijnste route, want daar is het relatief rustig. Hoewel? Als het donker wordt, klinkt er opeens geknal uit die richting. En daar gaat het mortier weer. Whoemm.

Ze zetten hun helmen op, trekken hun kogelvrije vesten aan en wachten af totdat het voorbij is. ‘De ellende volgt ons’, zegt Berben.

Om de gedachten af te leiden, maakt hij een lijstje in zijn waterproof notitieblokje met dingen om te doen als ze weer in Fort Drum (New York) zijn:

– een suite huren in hotel Embassy Suites

– Corona’s en limoenen inslaan

– Sparks inslaan

– Fles Ever Clear (95 procent alcohol) ofwel Fuck Off inslaan

– Jägermeister en Red Bull inslaan

– KFC bestellen

– Taco Bell bestellen

– naar het winkelcentrum gaan en rondlopen

Maar eerst gaat soldaat Berben zijn ouders bezoeken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden