Interview

Nicolien Mizee: ‘Een nieuwe fax schrijven is het fijnste. Ik schrijf ook het beste in de faxen. Het gaat vanzelf. Denken, zingen, ademhalen, faxen’

Nicolien Mizee Beeld Marie Wanders
Nicolien MizeeBeeld Marie Wanders

Nicolien Mizee, schrijver van vijf romans en vele faxen aan haar leermeester Ger, was lang op zoek naar een passende levensinvulling. Vroeg opstaan, de weg vinden naar school of naar een uitzendbaantje, het was haar een gruwel. En het hóéfde niet, bleek. ‘Je moet denken: oké, ik heb een eigenaardige handicap, hoe maak ik het mezelf zo makkelijk mogelijk?’

De laatste fax die Nicolien Mizee aan Ger Beukenkamp stuurde – gisteren – ging over het huishouden. Het gaat wel vaker over het huishouden, want dat is na twaalf jaar huwelijk met Rob nog steeds een heet hangijzer.

Mizee: ‘Volgens Rob richt ik de afwasmachine niet goed in. Hij zegt: ‘Als je nou even oplet, lieverdje, kijk dan, zo, kijk, kijk.’ Soms probeer ik het een tijdje op zijn manier, maar dat vind ik toch niet prettig. En dan vraag ik me af of ik óók dingen heb die per se op mijn manier moeten. Ik strijk altijd de theedoeken, met een scherpe vouw, en dan leg ik ze met de mooie kant naar boven in de kast. Rob vindt dat vreselijk. Overbodig, tijdverspillend. Rob stoort zich eraan, dus hij haalt de theedoeken uit de schone was, vouwt ze heel slordig op en legt ze in de kast. Interessant, toch? Is dat nou vergelijkbaar, de afwasmachine en de theedoeken? Nou, over zoiets ga ik dan een fax schrijven. Tussen Ger en zijn vriend Hans is de afwasmachine trouwens ook een groot probleem.’

Ger, dat is scenarioschrijver Ger Beukenkamp, bij wie Mizee (56) als twintiger schrijfles volgde. Destijds leidde ze een min of meer marginaal bestaan, ‘met een bijstandsuitkering op een kamertje’, al verdiende ze af en toe wat bij als naaktmodel voor amateurschilders en als huisschilder bij vrienden. ‘Iemand met een hysterische angst voor verplichtingen’, omschrijft ze zichzelf, mislukt in alle baantjes, worstelend met depressies, geen idee hoe ze de gedroomde schrijfcarrière van de grond moet krijgen.

Nicolien Mizee Beeld Marie Wanders
Nicolien MizeeBeeld Marie Wanders

En toen kwam Ger in je leven.

‘En er was zon!’

Wanneer wist je dat hij, zoals je schrijft, ‘de meest zichtbare drager van Gods oneindige grootheid’ was?

‘Toen hij zei dat er regels ten grondslag liggen aan goed verhaal. Ik wilde erg graag schrijven, als kind al, maar ik kreeg nooit een verhaal af, wist niet hoe ik het op papier moest krijgen. Op mijn 28ste ging ik de schrijversvakschool doen, en daar was men erg van de vrije expressie. De docenten vroegen: wie ben jíj, Nicolien, waar zit je gevoel? Dat maakte mij wanhopig, eigenlijk. Omdat ik vaak helemaal niet weet wat ik voel. Nou, toen kwam Ger, aan het eind van het tweede jaar. En hij zei: hoor eens, elk verhaal heeft een rode lijn nodig. En de drijvende kracht van een verhaal is de grote wil van de hoofdpersoon. Als je dat eenmaal hebt, heb je al heel wat.’

En jij dacht…

‘Hèhè. Godzijdank, er zijn gewoon régels die ik kan volgen. Ik vond Ger zelf wel een beetje een enge man, hoor. Imponerend en afstandelijk. En wij als leerlingen waren verbijsterd, wat Ger zei was het omgekeerde van wat ons was geleerd. Het was een ongelooflijke dreun, ik stond te suizebollen. Ik dacht: dit is een meester. Het was alsof er tegen een vrouw werd gezegd: gooi je korset weg, al was het in mijn geval juist alsof mij eindelijk een korset werd aangereikt.’

Hoe lang duurde het voor je Ger begon te faxen?

‘Een paar jaar. Ik heb eerst nog eindexamen gedaan bij Ger, waarvoor ik af en toe bij hem thuiskwam. Daar zag ik voor het eerst in mijn leven een faxapparaat.’

Ze doet, op de bank in haar rijtjeshuis in Haarlem, het geluid van een fax na. ‘Pgggggggg! Ik schrok me wezenloos. Maar ik dacht ook: dát is handig, niet meer dat gezeur met postzegels en brievenbussen. Het was in die tijd een heel duur apparaat, had ik helemaal geen geld voor, maar niet veel later kreeg ik ineens een faxapparaat van een vriend. In de jaren na de schrijversvakschool probeerde ik mijn weg te vinden in het scenarioschrijven. Af en toe faxte ik Ger een stukje tekst, met het verzoek om raad. En langzaam maar zeker begon zich dat uit te breiden, begon ik hem over mijn leven te schrijven. Daar, in 1994, begint het eerste faxenboek.’

Mizee bleef faxen sturen naar Beukenkamp, tot op de dag van vandaag – dagboekachtige brieven, die sinds 2017 worden gebundeld door Uitgeverij Van Oorschot. In juli verscheen het vierde deel, Hoog en laag springen, een bundeling van de faxen die ze verzond tussen juni 1999 en februari 2000. Hoewel Mizee ook vijf romans schreef – in 2019 werd Moord op de moestuin dankzij De wereld draait door een bestseller – zijn het de faxenboeken die door alle recensenten haar beste werk worden genoemd. NRC Handelsblad gaf vijf sterren aan het laatste deel: ‘Als het leven zo onverbiddelijk eerlijk en precies ontleed wordt en zo helder beschreven, hoeft een egodocument zich niet in kunstzinnige bochten te wringen om bredere geldigheid te krijgen – om grote literatuur te worden.’

De faxen werden in de loop der jaren mails, Mizee boekte succes als romanschrijver, ze verbrak haar relatie met Louise (die in werkelijkheid anders heet) en trouwde met Rob. De relatie met Ger werd gelijkwaardiger – minder een goeroe, meer een vriend. Waar hij eerst nooit antwoordde, doet hij dat nu soms wel. ‘Maar dan heeft hij wel aansporing nodig. We zijn intussen bijna dertig jaar verder, en ik merkte op een gegeven moment dat als ik schreef: ‘dringende vraag aan de grote meester’, hij vond dat hij antwoord moest geven.’

Waarom nou juist hij, waarom is Ger de uitverkorene aan wie je decennia lang bijna dagelijks faxen stuurt?

‘Ik vond zijn ideeën boeiend, dat om te beginnen. Wat ik ook prettig vond: hij wilde nooit over zichzelf praten. Dat interesseerde hem geen bal. Ger is altijd bezig met kijken, nadenken, ergens een verhaal van maken. Dat was voor mij herkenbaar en in die zin ook bevrijdend. Ik dacht: dat mág dus gewoon. Maar dat is misschien niet de hele verklaring. Er is een mooi citaat van Montaigne, dat luidt: ‘Als ik zou moeten zeggen waarom ik van hem hield, kan ik enkel antwoorden: omdat hij het was, omdat ik het was.’ Soms slaat de bliksem in.’

Nicolien Mizee Beeld Marie Wanders
Nicolien MizeeBeeld Marie Wanders

Ger is ook iemand die jou steeds op afstand houdt.

‘Hij vond mij in het begin natuurlijk ontzettend eng. Een soort stalker, zoiets zal hij zeker gedacht hebben. Dan zei ik: hoi Ger, en wilde ik hem zoenen en dan duwde hij me een beetje weg. Daar werd ik op een gegeven moment helemaal gek van. Ik wilde hem duidelijk maken dat ik helemaal niet eng was, maar dan moest ik hem wéér een fax sturen. Wat dan juist weer opdringerig overkwam. In de loop der jaren is het steeds leuker geworden. Hij vindt me natuurlijk ook gewoon een goede schrijver. Als ik in een tijdschrift sta, knipt hij dat uit, en legt hij dat in zijn Nicolien-la. Op een gegeven moment liet hij dat vallen: ‘Ik heb een Nicolien-la.’ Ik was zeer vereerd. Dus ja, er kwam meer rust in de vriendschap, en mijn heftigheid verdween naar de achtergrond.’

Heb je ooit gedacht dat je verliefd op hem was?

‘Nou, ik liep in die begintijd wel vaak I don’t know how to love him te zingen uit Jesus Christ Superstar, ken je dat nummer? Maria Magdalena vraagt zich af: is ze misschien gewoon verliefd op Jezus? Je zou er lang over na kunnen denken, in het geval van mij en Ger, maar je kan er ook níét over nadenken.’

Je wil hem wel fysiek benaderen, niet in seksuele zin, maar je wil bijvoorbeeld graag zijn buik aanraken, of op zijn minst bezichtigen.

‘Ja, ik was erg buikgericht. Ger heeft overigens geen buik, hoor. Sommige mensen denken door de boeken dat Ger wel een enorme buik zal hebben, maar hij is heel slank. Wat het is: als iemand je wegduwt, wil je juist nabijheid. Overigens heb ik zijn buik in al die jaren nooit gezien. Dat zou ook lastig zijn, want we gaan meestal uit eten. Het zou gek zijn als hij midden in een restaurant zijn trui omhoog zou trekken.’

Is het schrijven van faxen prettiger dan het schrijven van een boek?

‘Ja, een nieuwe fax schrijven is het fijnste. En ik schrijf ook het beste in de faxen. Het gaat vanzelf. Denken, zingen, ademhalen, faxen.’

Is het een noodzaak?

‘Als Ger er niet meer is, zal ik niet stoppen met leven. Dus een noodzaak, dat vind ik een lastige. Ger is 74. Dat is een teer onderwerp, voor Ger. Hij is een homo, dus hij wil altijd jong, knap en slank zijn.’

Er is een YouTube-filmpje waarin Maarten ‘t Hart je eerste faxenboek bespreekt. Hij vond het vreemd dat een mooie en keurig sprekende vrouw uit Haarlem zich in deze boeken openbaart als een idioot mens. Is dat een reactie die je vaker krijgt?

‘Ja. Maar ik vind mezelf helemaal niet idioot, ik vind hoe ik de dingen doe normaal en logisch, en hoe andere mensen het doen juist eigenaardig. In een grote groep de Vierdaagse gaan lopen, dat vind ik raar. Dat sommige mensen zoveel doen: een echte baan, dan nog ’s avonds naar een diner met zijn twaalven, en o, wat hebben we gelachen, en toen zijn we nog wezen stappen! Dat lijkt mij een verschrikkelijke hel. Ik vind één keer vroeg opstaan al een gruwel. Dit herkennen veel mensen, daarom vinden ze mijn boeken ook vaak leuk om te lezen, maar het verschil is dat de meeste mensen zich wel over dat soort gevoelens heen kunnen zetten. Ik niet. Het gaat gewoon niet. Vroeger was ik ontzettend bang om op vakantie te gaan. Dan kocht ik wel een treinkaartje naar Frankrijk, maar ik kon het verband tussen dat kaartje en die reis gewoon niet helder krijgen; ik zag het kaartje naast me liggen op de bank en dacht: zou ik nou écht over een paar dagen in Frankrijk zijn? Stel je voor dat ik hier blijf zitten, dan kom ik er helemaal niet. Je moet de deur uit, bij het station komen, de trein moet er dan maar net staan – stel dat er een boom is omgevallen op de rails, wat dan? Stel je voor dat je die trein mist, dan klopt de aansluiting niet meer! Andere mensen denken: ach, dan neem je de volgende. Maar ik zou doodgaan van de narigheid.’

In je boeken heb je het vaak over De Vreemdheid der Dingen. Je ziet dingen die anderen als normaal zien als volstrekt vreemd en tegennatuurlijk.

‘Ja, zo noemde ik het als kind al. Later heb ik begrepen dat het typerend is voor depressie. Depressie is niet per se dat je heel somber wordt, maar alles lijkt zeer vreemd, en ver weg. Je maakt er geen contact meer mee. Bij de overgang van de lagere naar de middelbare school ging het mis. Daar raakte ik al snel de kluts kwijt. Er zijn toen nare jaren aangebroken, ik ben echt van het pad geraakt.’

Hoe begon dat?

‘Ik kon de weg niet vinden. Fietsen naar de middelbare school was voor mij niet te doen, want ik raakte verdwaald. En ik kan ook de weg niet vinden als ik er al een paar keer geweest ben. Ik fietste naar school dus altijd met een vriendinnetje mee, schaamde me omdat ik zelf de weg niet wist – ik had een nogal groot ontwikkeld schaamtegevoel – maar ik zei niks. Op een gegeven moment wilde dat vriendinnetje naar een andere school. Ik durfde niet te zeggen dat ik daardoor de weg naar school niet meer zou kunnen vinden, dus ik ging óók naar die andere school. Ik was zeer afhankelijk van haar, en dat leidde bij mij tot grote paniek. Bovendien kon ik de weg ín de school, waar je steeds van het ene lokaal naar het andere moest, óók niet vinden. Ik had veel om me angstig over te maken, en daardoor ging het leren niet meer. En dan had je van die schoolboeken met allemaal kleine plaatjes, tekstblokjes, verschillende lettertypen. Voor mij totaal onleesbaar. Mijn cijfers werden slecht. Leraren zagen me als een intelligent meisje dat haar best niet deed. Ik ben ook meegenomen naar een psychiater, maar die dacht alleen: die verwende trut voelt zich te goed. Ik denk dat mijn keurige manier van praten een grote handicap is geweest. Als je goed uit je woorden kunt komen, zoals ik, wordt je intelligentie snel overschat. Ik begrijp het boek niet, zei ik, en dan werd er een beetje gelachen. Als reactie daarop heb ik een afschuwelijke trek ontwikkeld: mijn mond maar houden. Láát maar. Het enige wat ik wilde, was met rust gelaten worden. Maar je kunt niet de hele dag in bed blijven liggen.’

Je beschrijft het als een sterke wil om niet op te vallen, waardoor je juist opviel. Als de presentielijst werd voorgelezen, zei je niks.

‘Ik deed of ik er niet was. Dan ben je wel ver heen, hoor. Natuurlijk waren er ook docenten die zich zorgen maakten. Die wilden met mij praten, maar ik vertrouwde niemand meer. Ik dacht: als ik zeg wat er is, gaan ze lachen. Ik was, en dat is heel lang zo gebleven, ervan overtuigd dat er iets helemaal verkeerd met mij was.’

En toen reed je expres met je fiets tegen een auto aan.

‘Ik fietste en deed mijn ogen dicht. Het was niet zo dat ik dood wilde, maar ik dacht: nu kán ik niet meer. En dan gebeurt er iets, dan fiets je tegen een auto. Ik ben even buiten kennis geweest en toen ik wakker werd zei ik: ik ga niet meer naar school. Ik ben toen ook niet meer gegaan. Vanaf mijn 16de volgde ik drie ochtenden per week de moedermavo, tussen allemaal gezellige dames.’

Heb je veel nagedacht over hoe je docenten en ouders het wél aan hadden moeten pakken?

‘O kind, heel, heel erg veel. Het is erg, als je je zo voelt en niet geloofd wordt, sterker: van hoogmoed wordt beschuldigd. Ik had in die jaren maar één iemand hoeven treffen die tegen me had gezegd: weet je wat, kom elke middag naar me toe, dan gaan we samen het huiswerk doen en praten we alles door. Zoiets. Het is moeilijk om mensen echt te overtuigen van het feit dat ik iets niet kan, nog steeds. Dat is ook het geweldige aan Ger, hij stelt dat niet ter discussie. Als ik zeg dat ik de weg ergens naartoe niet kan vinden, zeggen negen van de tien mensen: o, maar dat is heel eenvoudig, je fietst naar de Bijenkorf en dan ga je rechtsaf. Zo werkt het bij mij niet. Ger zou dat nooit zeggen. Die zegt: je stapt uit de trein en dan haal ik je op van het station. Heerlijk.’

In het eerste faxenboek is een belangrijk thema de wens om arbeidsongeschikt verklaard te worden. Dat lukt uiteindelijk. Was dat de bevrijding waarop je hoopte?

‘Ja. Ik moest vanwege mijn bijstandsuitkering elk half jaar naar de sociale dienst, en ook daar vonden ze me een hoogmoedige trut. Ik zat daar dan in zo’n kamertje tegenover een jonge vrouw die dacht: hoor eens, ik heb ook wel eens geen zin in m’n werk, wat wil je nou? En ik was iedere keer in complete paniek.’

Nicolien Mizee Beeld Marie Wanders
Nicolien MizeeBeeld Marie Wanders

Wat voor soorten werk heb je geprobeerd?

‘Allerlei baantjes, maar steeds heel kort. Ik werd gek van de gedachte dat ik daar niet weg kon, uren binnen zou moeten zitten, en dan smeerde ik ’m. Daarna durfde ik de telefoon niet meer op te nemen, bang dat het het uitzendbureau was. Enige jaren geleden, toen ik vastliep met een boek, ben ik een pedicureopleiding gaan doen. Dat leek me leuk, want ik ben een groot pulker. Ik kijk ook naar van die filmpjes op internet. Ken je The Toe Bro op YouTube? Een absolute aanrader. Ik zoek dan op ‘calluses’, eelt, en dan zie je The Toe Bro, een Canadees, met iemands voet in z’n hand, en dan haalt hij lekker zo dat eelt weg. Daar kan ik uren naar kijken. Het praktijkgedeelte was leuk, want we mochten oefenen op busjes vol oude mensen met rare voeten. Maar bij de theorielessen, over huidlagen, moest ik mijn best doen om niet in slaap te vallen. En ik wist eerlijk gezegd ook niet hoe ik aan klanten moest komen, dus het is nooit iets geworden. In de tijd van de eerste faxenboeken poseerde ik voor schilderclubs en deed ik schilderwerk, bij vrienden. Daar ben ik veel te lang mee doorgegaan. Soms werd ik echt zwetend wakker: o jee, de plinten bij Fiep, de plinten bij Fiep.’

Als iets moet, ontstaat een soort kortsluiting?

‘Ja, dat is verschrikkelijk. Je leert, en dat heb ik ook erg van het Orakel, mijn therapeut, en van Ger geleerd, hoe je zo goed mogelijk met dingen omgaat. Niet proberen het op te lossen, want dan maak je het alleen maar erger. Je moet denken: oké, ik heb een eigenaardige handicap, hoe maak ik het mezelf zo makkelijk mogelijk.’

Je doet gewone dingen ook anders dan anderen. Sokken deed je nooit in de was, je droeg ze tot er gaten in kwamen, gooide ze weg en kocht nieuwe.

‘Het huishouden draait om vuile sokken, zegt het Orakel ook altijd, en dat is niet iets wat jou interesseert. Het huishouden is iets van Rob.’

Je doet er niet aan mee?

‘Nou, doet er niet aan mee, ik doe de strijk, kook met regelmaat en verder wil ik dat Rob gewoon tegen me zegt dat ik de bovenkant van de kasten af moet stoffen. Wat Rob echt helemaal niet begrijpt, is dat er hier kruimels op het kleed liggen en ik die niet zie. Hij denkt dan: minachting, het bekende huisvrouwenprobleem, alleen bij ons is het omgekeerd. Weet je wat ík onbegrijpelijk vind? Hij zit nu weer alles van Carl Friedman te lezen, en van Carry van Bruggen, en dan zegt hij: wat een gekke wijven zeg, geweldig! Ik zeg dan: je bent met een gek wijf getrouwd, en van haar wil je de hele tijd een Mien Poetsgraag maken.’

In boek 3 heb je de complete rapportage van het GAK over je mentale toestand opgenomen. Waarom?

‘Dat was nou typisch zo’n idee van Ger. Ik heb het zelf niet eens teruggelezen. Ik kreeg de diagnose borderline. Dus ik vroeg aan Ger: wat vind jij daarvan? Hij zei: hieruit blijkt het failliet van vijftig jaar psychologie.’

Die diagnose slaat nergens op?

‘Nee, natuurlijk niet. Maar ik wilde, vanwege die uitkering, graag afgekeurd worden, en dat wisten die mensen van het GAK. Als ze zeggen dat ik een beetje een aparte mevrouw ben, gebeurt er niks.’

Is er in de faxenboeken een grote wil?

‘Ik denk het wel, maar ik ben prudent geworden in het duiden. Ik laat het maar aan de lezer over. Wat wil dat mens? Overleven, natuurlijk. Zich staande houden. Dat is denk ik de grote wil. En dan zijn er sub-willen, zoals een huis, dat dat met die uitkering geregeld wordt, het losmaken van de ouders, van de relatie, een boek dat wordt uitgegeven. Een eigen, zelfstandig leven. Wat iedereen wil.’

In de faxen schrijf je over mannen: ‘Seks sluit ik niet uit hoor, maar samenleven, nee, ik word al akelig als ik eraan denk.’ Was je verbaasd dat je toch met een man eindigde?

‘Ja, natuurlijk. Ik gaf schrijfles aan de Volksuniversiteit en hij was een leerling van mij, een vriendelijke, geleerde, goed uitziende heer. Ik dacht dat hij getrouwd was, omdat hij het over zijn zoon had. Later, zo rond de achtste les, bleek hij gescheiden te zijn. En na de tiende les vroeg hij me mee op een wandeling om vogels te kijken. Toen was het razendsnel bekeken. We werden smoor op elkaar. Ik was ontzettend verbaasd dat ik verliefd op een man werd, want ik dacht dat ik lesbisch was.’

Denk je dat Rob het leuk zal vinden om terug te lezen wat je over hem hebt geschreven?

‘Ja, hij kan niet wachten tot het moment dat hij zijn entree maakt in de boeken. Rob vindt eigenlijk alles leuk wat ik over hem schrijf. Behalve één keer, toen had ik een fax ergens laten rondslingeren, en Rob was daar weer met de Swiffer Duster bezig. Toen had ik geschreven dat Rob iets heel autoritairs gezegd had. Nou, toen begon hij: ‘Ik heb die fax gelezen! Nu denkt Ger dat ik een autoritaire man ben, ik eis dat je dit rechtzet!’ Ik keek hem aan en toen begonnen we allebei heel hard te lachen.’

Niet iedereen is blij met de faxenboeken. Familie en vrienden lezen ze niet, zegt Mizee. ‘Die vinden het helemaal niet prettig. Al hebben ze allemaal een andere naam in de boeken, ze zijn niet enthousiast en doen er het zwijgen toe. Vrienden en vriendinnen zijn bang dat ik hun geheimen onthul. Overspelige relaties, bijvoorbeeld.’

Haar ouders worden in de faxenboeken niet mild beschreven. ‘Mijn ouders waren aardige mensen, maar vreemde ouders’, zegt Mizee. Vader, leraar Nederlands, had buitenechtelijke affaires, niet zelden met haar moeders vriendinnen of kennissen. Met de zoon van de bij hen inwonende ‘tante’ Hannie kreeg Mizee op haar 19de een relatie. Twintig jaar later, vader was toen al overleden, bleek hij haar halfbroer te zijn. ‘Ik dacht: huuuu. Mijn zussen vonden het geweldig, maar mij lukte het niet om hem met terugwerkende kracht als broer te zien. Wat dat betreft kijk ik ook met enige bevreemding naar Spoorloos, waar ze elkaar na zo’n ontdekking huilend in de armen vallen. Het zou best kunnen dat er nog meer halfbroers en -zussen zijn. Ik hoef het niet te weten.’

Moeder, pianolerares, was zo beschermend ten opzichte van haar kinderen dat ze ze niet naar zwemles of de tandarts stuurde, schrijft Mizee, met alle gevolgen van dien. Ook werd de kinderen permanent op het hart gedrukt dat het hun voornaamste taak in het leven was anderen ter wille te zijn. ‘Zo had zij het geleerd, en zo leerde ze het ons weer. Zo zette de vloek zich voort.’

Na de publicatie van het tweede faxenboek De porseleinkast spande haar moeder een kort geding aan tegen de uitgeverij om het boek uit de handel te laten halen, dat ze verloor. ‘Op dat moment hadden we al een paar jaar geen contact meer met elkaar, na de dood van mijn vader is dat fout gegaan. Die rechtszaak, ik schrok me natuurlijk dood. Ik zat met Rob in Canada, in het hoge noorden, daar was niet eens wifi. Het leek allemaal oneindig ver weg. In het vliegtuig terug werd ik elke meter dat we dichter bij Nederland kwamen angstiger en angstiger. Een fysieke gewaarwording. Maar zullen we dit onderwerp nu een klein beetje gaan afsluiten?’

Nicolien Mizee Beeld Marie Wanders
Nicolien MizeeBeeld Marie Wanders

Omdat je bang bent voor nieuwe represailles?

‘Ja. Ik heb een tijdlang bij interviews gezegd: niet over mijn moeder. Maar ik merkte dat dat averechts werkte. Ik vind het voor haar allemaal heel vervelend, die arme vrouw is 80. Het is een ellendige toestand, dat er boeken verschijnen waar zij in voorkomt op een manier die ze niet zo leuk vindt.’

Maar dat is voor jou geen reden om de boeken ingrijpend aan te passen.

‘Nee. Het losmaken van de ouders is in de boeken essentieel.’

Is de rode lijn in de faxenboeken dat het steeds beter met je gaat?

‘Zo heb ik het zelf altijd gezien, ja. Het is een verhaal van hoop. Dat je van zo diep komt, en toch zo eindigt. Het is ook troostrijk voor mensen, denk ik, om te weten: ik ben niet alleen.’

Je dacht dat maatschappelijke status onbereikbaar was, maar die kwam juist doordat je jezelf bleef.

‘Dat is de ironie van het lot. Daarom heb ik ook gedacht: mijn omgeving vindt die faxenboeken misschien niet zo leuk, maar nu gaat het even om mij. Jullie hebben je leuke leven met de kinderen, de mannen, de reizen, het geld en de auto’s. Ik heb tot mijn 35ste met een bijstandsuitkering op een kamertje gezeten, zonder werk en vooruitzichten. Als dit nou mijn manier is om ergens te komen, moet de rest maar even slikken.’

CV

8 januari 1965 Geboren in Haarlem

2000 Debuutroman Voor God en de Sociale Dienst, Nijgh & Van Ditmar

2003 Toen kwam moeder met een mes, Nijgh & Van Ditmar, genomineerd voor Libris Literatuurprijs

2006 En knielde voor hem neer, Nijgh & Van Ditmar

2015 De halfbroer, Nijgh & Van Ditmar

2016 De wereld van Wollebrandt, kinderboek, Uitgeverij Brandt

2017 De kennismaking, Faxen aan Ger 1, Uitgeverij Van Oorschot

2018 De porseleinkast, Faxen aan Ger 2, Uitgeverij Van Oorschot

2019 Allesverpletterende, Faxen aan Ger 3, Uitgeverij Van Oorschot

2019 Moord op de moestuin, Nijgh & Van Ditmar, genomineerd voor Bookspot Literatuurprijs

2019 De grote wil en andere schrijflesverhalen, Nijgh & Van Ditmar

2020 Henriette Roland Holst-prijs voor De kennismaking en De porseleinkast

2020 De vrieskist en andere verhalen, Nijgh & Van Ditmar

2021 Hoog en laag springen, Faxen aan Ger 4, Uitgeverij Van Oorschot

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden