Column Nico Dijkshoorn

Nico Dijkshoorn vraagt zich af waar zijn kolkende haat richting de pleziervaart vandaan komt

Wilt u deze column liever beluisteren? Hieronder staat de door Nico Dijkshoorn zelf voorgelezen versie

Gisteren heb ik, ter hoogte van Leiden, een half uur zitten kijken naar de pleziervaart. Ik keek naar sturende mannen. Het waren er veel. De een was nog niet voorbij of daar kwam de volgende al aan glijden. Ze leken erg op elkaar. Mooie koppen met wit haar, een korte broek en blote voeten. Naast hen zat een passende vrouw.

Er wordt tijdens de pleziervaart niet veel gepraat. Dat kan thuis. Na tien minuten begon ik mijn eigen aandeel in dit tafereel te begrijpen. Die intense concentratie op de boot, hoe die vrouwen hun borsten net iets te ver naar voren duwden en hoe de mannetjes snel met één hand gingen sturen, dat kwam omdat ik keek.

Eerst zwaaide ik. Dat vonden ze fijn. Soms deed ik mijn duim omhoog. Dan knikten ze. Na 20 minuten begon ik dingen te roepen. Dat viel minder in de smaak. Ik wachtte tot ze bijna voorbij waren en riep: ‘Meneer, meneer! Buitengaats komt er schraal vocht uit het bovendek.’ Weg plezier. Ik zadelde ze, midden in hun pleziervaart, op met een onoplosbaar probleem. Steeds zag ik na een korte discussie de vrouw het stuur overnemen en de man half over de rand van de boot gaan hangen. Daarna riep ik: Nee, buitengaats op de kolk!’

Na een half uur vroeg ik mij af waar dat sadisme vandaan kwam. Want dat was het. Een onredelijke, kolkende haat richting de pleziervaart. Wat bezielde die gekken? Je kon verdomme alleen maar rechtdoor. Wat was daar leuk aan, met 123.495 mensen tegelijk halfnaakt door ons oneindig laagland manoeuvreren?

Als je zo’n boot verkocht, rekende ik snel uit, dan kon je vierhonderd keer een advertentie kopen in de krant om te laten weten dat je het als Prominente Nederlander oneens bent met minister Blok. Ik zag dat heel even voor me, de ondertekenaars van het maandag gepubliceerde manifest, de Gutmensch B-elite van Nederland, met zijn allen op een boot. Plannen bedenken. ‘En als we Tinkebell nou een leuke handtas laten maken van Minister Blok?’

Zo ging dat, langs de Ringvaart. Ik werd steeds kwader. Die mensen, op hun plezierjacht, die konden zich ook nuttig maken. Kadavers ruimen bij de Oostvaardersplassen. Handjes uit de mouwen. Lijm maken van runderen. Ik wilde een stuk over lijm in deze krant, over lijm maken van je eigen huisdier. ‘Robbie (7 jaar) maakte lijm van zijn eigen konijntje.’

Opeens begreep ik waar al dat ongemak vandaan kwam. Oom Wim. Hij weer. Mijn overleden lievelingsoom, die mij op verjaardagen gevaarlijk speelgoed gaf. Die mij, toen ik 14 jaar oud was, het boek Onder de Vulkaan van Malcolm Lowry cadeau gaf . Nooit had ik oom Wim op een boot gezien. Hij sprak niet over boten. Oom Wim had een actieradius van 40 meter. Van zijn huis naar de slijterij en terug.

Oom Wim had niks met water. En toch is hij uitgestrooid tussen de pleziervaarders. Ik was daar bij. Ik keek hoe hij uit de koker gleed. Dat voelde vreemd. Hij was net als zijn zus. Ze zwommen liever niet. En daar ging hij, als een wolk poeder op de golfjes. Ik keek zoals ik dacht dat je moet kijken als je het as van je lievelingsoom ziet drijven. Hij dreef richting Amsterdam. Dat was fijn. Heel even maar. Daarna werd hij een met dat fucking water. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.