InterviewHerman Pleij

Neerlandicus Herman Pleij: ‘Eind 15de eeuw mocht je ineens álles schrijven over seks’

Bij de seksuele revolutie denkt u waarschijnlijk aan de jaren zestig. Neerlandicus Herman Pleij ontdekte er nog een, in de literatuur van de late Middeleeuwen. ‘Ineens gaan schrijvers helemaal los. Ze schrijven over standjes en genitaliën, bladzijden lang.’

Beeld Pauline Niks

De noten en de literatuurlijst zijn net de deur uit. In het slothoofdstuk heeft hij in een allerlaatste versie nog wat dingen aangescherpt. Een boek is eigenlijk nooit af. Er zijn altijd nog verhalen die er óók in hadden gekund, maar op een zeker moment moet het klaar zijn. Oefeningen in genot, het grote boek van Herman Pleij over liefde en lust in de late Middeleeuwen, is naar de uitgever. Het is het boek dat hij altijd nog wilde schrijven, en waarin hij een imposante hoeveelheid kennis en ideeën uit vijftig jaar studie heeft samengebracht.

Herman Pleij mag bij het televisiekijkende publiek bekend zijn als de man die in praatprogramma’s enthousiast en aanstekelijk komt uitleggen waarom wij Nederlanders ons gedragen zoals we doen, hij is altijd, ook na zijn emeritaat als hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, een onderzoeker en schrijver gebleven. Sinds zijn debuut in 1979, Het gilde van de Blauwe Schuit, schreef hij over de literatuur in de opkomende burgerlijke stadscultuur van de 14de tot de 16de eeuw. Een groot deel van de teksten die Pleij in de loop der tijd heeft ontdekt, vooral veel tot dan toe onbekend werk van rederijkers, zijn bronnen voor dit boek.

Hij heeft zijn werkkamer opgeruimd – ‘De bank waarop jij zit, stond vol met boeken met plakkertjes erin’ – en de vele volgekriebelde foliovellen in mappen gedaan.

Werkt u altijd strikt volgens schema? Die indruk krijg je als lezer niet. U vertelt een doorlopend verhaal, met veel voorbeelden en anekdotes.

‘De voorbereiding is het grote werk. Daarna is het schrijven alleen maar leuk. Ik maak vooraf een raamwerk. Per hoofdstuk maak ik schema’s, op enorme vellen papier. Daarop schrijf ik van alles, ook al hele passages, en cijfers die verwijzen naar plaatjes en teksten. Ik bepaal wat erin komt: dit moet hier, dat daar, en ik leg verbanden. Het is een labyrint waarin alleen ik de weg weet.’

Een papieren labyrint? Niet digitaal?

‘Nee, ik moet op papier alles kunnen overzien. Ik schrijf de eerste versie ook op papier, met een vulpen. Op de computer kan ik de snelheid waarmee ik in mijn hoofd formuleer niet bijhouden. De tweede versie werk ik wel uit op de computer. Dan verander ik nog van alles.

‘Ik volg mijn schema’s niet als een spoorboekje. Altijd kom ik tijdens het schrijven op dingen die ik niet van tevoren had bedacht. Dat maakt het schrijven spannend. Pas als je schrijft, richt je je tot een publiek. Dan worden sommige patronen me pas duidelijk. Geen kleinigheden, maar wezenlijke dingen. Dat je denkt: hoe heb ik dat eerst níét kunnen zien?’

Wat drong dit keer pas tijdens het schrijven tot u door?

‘Dat er aan het eind van de 15de eeuw in de Lage Landen sprake was van een echte seksuele revolutie! De gedachte had ik wel, maar ik gebruikte de term er nog niet voor; dat die van toepassing was, zag ik pas bij het schrijven van de tweede versie. De grote lijn was: vóór de 14de eeuw werd elke vorm van seksueel genot, ook binnen het huwelijk, beschouwd als zondig, het werk van de duivel. Lijden door onthouding was een grote deugd. In de loop van de 14de eeuw wordt seksueel genot wel erkend, seks hoort nu eenmaal bij de natuur. Maar in teksten en afbeeldingen zijn het altijd ánderen die zich zich eraan verlustigen: boeren, bijbelse figuren of naakt rondhuppelende goden en godinnen.

Beeld Deborah van der Schaaf

‘Literatuur werd praktisch gebruikt, bijvoorbeeld om seksuele voorlichting te geven, met medische details. Het slot van De roman van de roos, een moeilijke, filosofische tekst, eindigt met een keiharde scabreuze passage waarin de paring tot aan het orgasme toe aanschouwelijk wordt gemaakt aan de hand van een metafoor over een staf en een roos, alles op geruststellende toon. Het is een seksuele handleiding op rijm.

‘In de refreinen van de rederijkers aan het eind van de 15de eeuw zijn omwegen of metaforen niet meer nodig. Er breekt een nieuwe openheid aan. Je ziet dan in dat milieu een explosie van literatuur waarin seks en genot een grote rol spelen. Eindelijk kon de stedelijke elite het onomwonden over de eigen obsessies en verlangens hebben. Deze teksten waren niet bedoeld om te lezen. Ze werden opgevoerd voor een publiek, met bijbehorende mimiek, gebaren en geluiden.’

U hebt het zelfs over ‘een extatisch orgasmetheater’.

‘De schrijvers gaan helemaal los, ze schrijven over standjes en genitaliën, bladzijden lang. Dat was ongekend. Seks was iets dat in het donker gebeurde. Hoe een en ander eruitzag, wist men niet. In veel teksten is een ‘blindeman’ op de tast op zoek naar zijn doel, een bodemloos gat, dat zich bevindt onder een dikke laag kleren. Deze nieuwe schrijvers hebben het over zoenen en veroveren, over verstrengeling van lijven. Zij zijn geen ordinaire viezeboekjesschrijvers, maar elitaire topauteurs, de grote jongens. En – heel bijzonder – soms vrouwen.

‘Zelfs het lijdensverhaal van Christus werd geërotiseerd in literatuur. De nonnen, bruiden van Jezus, kregen in de hemel eindelijk hun langverwachte beloning, na al die jaren afzien. Dan kwam Jezus met zijn macholijf op hen af en hadden ze goddelijke seks.

‘Vaak is het in de refreinen van de rederijkers niet de auteur zelf die de smeuïgste details vertelt; die legt hij in de mond van de ‘sinnekens’, duivelachtige figuurtjes die de handeling becommentariëren en onder één hoedje spelen met het publiek. Zij moedigen de personages aan: ‘Pak haar dan!’ Ze maken ook ruzie met elkaar, waarbij ze de spreekbuis zijn van verschillende groepen uit het publiek. Ze gebruiken allerlei nieuwe woorden, zoals ‘pannekoeken’ voor plat boven op elkaar liggen, ‘smekkebekken’ en ‘moddermuilen’ voor tongzoenen.

‘Een nieuwe taal is kenmerkend voor revoluties. Ook in de jaren zestig van de vorige eeuw kwamen er nieuwe woorden, zoals ‘rampetampen’ en ‘hompiekurken’. Denk aan Kees van Kooten en Wim de Bie, die als ‘de clichémannetjes’ elkaar aftroefden met tientallen woorden voor neuken. En altijd is er de dekmantel van de spot en de lach, die het makkelijk maakt commentaar op je eigen tijd te leveren. Bij André van Duin kon het grote publiek in de vorige eeuw lekker lachen om irritante betweterige mannetjes als rechters, dokters en burgemeesters. Vrijblijvende lol, volgens Van Duin. Maar hij maakte wel de autoriteiten belachelijk. Daar kon je dan collectief ontspannen om lachen.’

U schrijft: ‘Het lijkt alsof de hele moderne wereld al in de Middeleeuwen ontkiemd is.’ Het was een kraamkamer.

‘Je ziet dat pas goed vanaf de 14de eeuw. In de steden worden burgerlijke waarden ontwikkeld. In films en series vormen de Middeleeuwen vaak een duister decor, een griezelige, rauwe wereld waarin mensen instinctmatig leefden. Maar in de late Middeleeuwen zie je in de steden een beschavingsoffensief. Ook rijke kooplieden willen hun kinderen gunstig laten huwen, net als de adel.

‘In de kiem zijn veel wezenlijke problemen en hardnekkige vooroordelen al in de Middeleeuwen aanwezig, ook als het om seks gaat. Sommige gedachten keren telkens terug. Kijk naar het denken over verkrachting, de afschuwelijke aanname dat vrouwen ‘eigenlijk’ graag willen worden verkracht. Al in de hoofse liefdesleer uit de 13de eeuw kun je lezen dat een meisje dat ‘nee’ zegt, ‘ja’ bedoelt. De rederijker Dirc Potter adviseert mannen zich niet te laten weerhouden door vrouwelijk protest: met tegenstribbelen verhoogt de vrouw haar kapitaal en de man die haar dan tóch verovert met geweld, levert een enorme prestatie.

‘Verkrachting van vrouwen was behoorlijk normaal, zeker als het ging om een meisje uit een lagere stand. Een boerenmeisje kon je gerust grijpen. Die bood geen weerstand, dat was haar natuur. Maar ook over vrouwen van de eigen stand wordt in veel refreinen gezegd dat ze verkrachting eerst wel vervelend vinden, maar er uiteindelijk enorm van genieten.’

Herman PleijBeeld Pauline Niks

Geen #MeToo-tijdperk, de Middeleeuwen. Vrouwen stonden machteloos en waren rechtenloos.

‘In hogere kringen was het een volkomen aanvaarde gedachte dat je beter met je verkrachter kon trouwen dan helemaal niet. Als een meisje in een verhaal wordt geschaakt – en dus verkracht – moet ze maar trouwen met haar verkrachter. Dat was het handigst: anders zou ze een hoer zijn. Die verkrachter kreeg dan een geldsom van de familie van de vrouw, omdat hij, de echtgenoot, valselijk was beschuldigd van verkrachting.

‘De christelijke huwelijksmoraal gaf aanleiding tot verkrachting. In de Bijbel dient het huwelijk voor de voortplanting én voor de ‘demping’ van lusten. Er is sprake van een ‘huwelijksschuld’ voor beiden. Ze zijn evenwaardig, man en vrouw, ze hebben recht op elkaars lichaam. Maar in de praktijk eist de vrouw dat recht minder vaak op. Voor de man wordt het een vrijbrief voor verkrachting in het huwelijk.

‘Het vergoelijken van verkrachting en seksueel actieve vrouwen een slet noemen zijn geen verschijnselen uit een ver, onbeschaafd verleden. Die mannendroom, dat wensdenken, is door de jaren heen hardnekkig, van de klassieken tot nu. Kijk naar de corpsstudenten die lijstjes maken van meisjesstudenten die het makkelijkst ‘te doen’ zijn. Pas nu wordt dergelijke slutshaming aan de kaak gesteld. Je vraagt je af waarom dat zo lang heeft geduurd. En dan nog. Je kunt Harvey Weinstein, een beest van een man, vervolgen en opsluiten, maar het probleem zit dieper. Ik moet altijd denken aan het liedje van Doris Day dat ik als kind hoorde, A Guy Is a Guy. De man wordt verontschuldigd; hij kan zich nu eenmaal niet inhouden.

‘Die gedachte is hardnekkig. Als erotische fantasie in fictie zie je dit idee in elk tijdperk terugkeren, in verschillende culturen. Ook als verkrachting niet wordt vergoelijkt, gaat het wel over de fascinatie ervoor als angstbeeld, schrikbeeld of verboden fantasie. Zoals in de recente film Elle van Paul Verhoeven, met Isabelle Huppert. Daarin zie je een vrouw die is geïntrigeerd door haar verkrachter en hem bespiedt. In de debuutfilm van Halina Reijn, Instinct, raakt een behandelend psychologe in de ban van een manipulatieve zedendelinquent.

‘Telkens weer zien we seks als een allesverslindende kracht die de rede en de wil te boven gaat. Waarom? Wat is dat dan voor kracht? Deze archetypen bevallen me niet. Ik wijs ze aan, maar ik heb de antwoorden niet.

‘Wat me ook dwarszit, is dat ik niet houd van de gedachte dat er ‘niets nieuws onder de zon is’. Dat vind ik een tegeltjeswijsheid, van mensen die het verleden gebruiken om geruststellende constanten aan te wijzen. Er zijn wel degelijk voortdurende verandering en vernieuwing. Toch lijken sommige menselijke patronen, of aannamen daarover, onuitroeibaar.’

Er werd meestal uit mannelijk perspectief geschreven. Toch waren er ook invloedrijke schrijfsters. Anna Bijns bijvoorbeeld, over wie u een biografie hebt geschreven.

‘Zij was een bijzondere vrouw: geëmancipeerd, getalenteerd en voor niemand bang. Ze was openlijk fel antiluthers. Vroom als ze was, schreef ze onverbloemd over de liefde en het terugverlangen naar haar vroegere minnaar – vermoedelijk haar biechtvader. Ze beschrijft hoe zij samen hartstochtelijk alles deden wat God had verboden. Ook Christine de Pizan was een groot en bekend schrijfster. Net als Bijns vond zij dat man en vrouw gelijkwaardig waren.

‘Maar dat gold niet voor seks. Beiden geloofden, als vrouwen van hun tijd, dat de vrouw fysiek minderwaardig was aan de man en daardoor labiel en zwak. Mannen hebben uitwendige geslachtskenmerken, daarom willen ze altijd seks. Bij vrouwen zijn de genitaliën niet uitgeklapt; zij is incompleet, een niet afgebakken man.

‘Maar deze twee schrijfsters hanteren een truc: ze noemen zichzelf een uitzondering. Ze beroepen zich op hun mannelijke kwaliteiten. Zij waren anders, net als vrouwelijke heersers zoals Jacoba van Beieren en Margaretha van Oostenrijk. Die konden wél besturen. Niet voor niets reden zij paard als een man, wijdbeens – net kerels. Dat zie je ook in onze tijd terug: machtige vrouwen die hoog in de hiërarchie staan, hebben ‘ballen’.’

Uw generatie neerlandici, opgeleid in de jaren zestig van de vorige eeuw, bestaat ook uit kinderen van een revolutie. Jullie meenden dat er meer was dan de in lood geklonken canon en gingen op zoek naar teksten die iets vertelden over de samenleving van toen. U hebt aan de universiteit vele lichtingen studenten – ook de mijne – ervan doordrongen dat literatuur in de werkelijkheid wortelt, dat zij veel onthult over de normen, waarden en taboes van een tijd.

‘Ik kreeg als student ingepompt dat literatuur pure esthetiek was, tijdloze artistieke schoonheid. Kunstwerken waren door de tijd besmet geraakt en wij onderzoekers moesten de tijd eraf krabben, dan werd de essentie blootgelegd. Ik vond dat volslagen onzin. Er leefden toen toch ook mensen? Ik bedacht dat het mijn taak was uit te leggen waarom bepaalde mensen juist díé literatuur hadden.

‘Dat uitgangspunt zie je in al mijn boeken terug, ook in dit boek. Je moet er wel voor oppassen fictie en werkelijkheid niet te verwarren. Literatuur is het leven niet. Ik houd me nadrukkelijk bezig met de wereld van de verbeelding, in de literatuur en beeldende kunst. Daaruit kun je veel over de mentaliteit en opvattingen van een samenleving aflezen, maar het is niet de werkelijkheid. De geleefde praktijk is nu eenmaal moeilijk te achterhalen.

‘Literatuur is een speelveld, daar kun je vrij experimenteren. In de literatuur worden de obsessies, ambities en verlangens op een schuldeloze, veilige manier uitgespeeld. Je kunt je verschuilen achter anderen die je aan het woord laat en je kunt de boel op zijn kop zetten, bespotten en parodiëren. Dat heeft, telkens weer, een ongrijpbare invloed op het denken en handelen van grote groepen mensen. Juist daardoor blijft fictie onverwoestbaar, hoezeer men in elke eeuw ook boeken verbrandt en schrijvers vervolgt.’

Herman Pleij: Oefeningen in genot – Liefde en lust in de late Middeleeuwen 
Prometheus; 434 pagina’s; € 29,99.

Herman Pleij (1943)

1961-1968 Studie Nederlandse taal- en letterkunde, Universiteit van Amsterdam

1968-1981 Wetenschappelijk medewerker, Universiteit van Amsterdam

1979 Gepromoveerd (cum laude) op Het gilde van de Blauwe Schuit – Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late Middeleeuwen

1981-2008 Hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, Universiteit van Amsterdam

1988 De sneeuwpoppen van 1511 – Literatuur en stadscultuur tussen Middeleeuwen en moderne tijd

1997 Dromen van Cocagne – Middeleeuwse fantasieën over het volmaakte leven

2007 Het gevleugelde woord – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 1400-1560

2011 Anna Bijns van Antwerpen

2014 Moet kunnen – Op zoek naar een Nederlandse identiteit

2020 Oefeningen in genot – Liefde en lust in de late Middeleeuwen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden