NAVO-missie in zuiden van Afghanistan lijdt onder gebrek aan wilskracht

door Paul Brill..

Zoals menigeen het makkelijker vindt om kritiek te spuien dan een compliment te geven, zo lijken we in Nederland mentaal beter geëquipeerd om te rouwen over slachtoffers van een gewapend treffen dan een militair succes te vieren. Ik herinner me nog goed hoe een Amerikaanse diplomaat tegenover een Nederlands gezelschap reageerde toen in 1999 tijdens de Kosovo-oorlog een Nederlandse F-16 een Joegoslavische MiG had neergeschoten. Hij stak spontaan twee duimen omhoog en sprak over het voorval in bewoordingen waarin duidelijk de aanname lag besloten dat wij Nederlanders ongetwijfeld met trots waren vervuld over onze piloot en zijn militaire verrichting.

Maar als dat al voor sommigen gold, dan was daar in het openbaar niets van te merken. Defensie-woordvoerders deden hun best om aan de geslaagde luchtactie zo min mogelijk woorden vuil te maken. Elke schijn van triomfantelijkheid werd vermeden. Niks geen omhoog gestoken duimen. De betreffende piloot werd nog lange tijd uit de publiciteit gehouden (overigens mede uit vrees voor represailles van Servische zijde).

Over het Nederlandse kamp was in zekere zin nog altijd de geest van Joop den Uyl vaardig, die na de beëindiging van de Molukse treinkaping in 1977 het gewapende optreden tegen de gijzelnemers onmiddellijk tot een ‘nederlaag’ uitriep. Een reactie waaruit een nobele calvinistische boetvaardigheid sprak, maar die weinig recht deed aan de moed van de mariniers, voor wie de bevrijdingsactie bepaald niet van gevaar was ontbloot.

Het verschil tussen Amerikanen en Nederlanders (plus waarschijnlijk de meeste Europeanen) drong zich deze week nog eens op tijdens een ontmoeting met Virginia Nuland, de Amerikaanse ambassadeur bij de NAVO, die even op bezoek was in Den Haag. Ze begon met een kleine lofzang op de Nederlandse verrichtingen in Uruzgan. Ze was zelf net teruggekeerd van een reis naar Afghanistan, waar ze ook Tarin Kowt had aangedaan. Ze had daar met eigen ogen gezien hoe de Nederlanders met ‘klassieke Nederlandse integriteit’ hun dubbele taak uitvoeren: veiligheid brengen en helpen bij de opbouw van het land. Ze had de nieuwe gouverneur van Uruzgan gesproken, die had gezegd niet genoeg te kunnen herhalen dat de toestand in zijn provincie er duidelijk op vooruitgaat.

Als Nederlander ben je op voorhand geneigd zulke woorden te relativeren. En ambassadeur Nuland stelde haar gehoor nog verder op de proef door Nederland een leidende rol toe te dichten bij de ISAF-missie in het zuiden van Afghanistan. Een leidende rol! Die laat zich moeilijk verenigen met ons zelfbeeld. Zo makkelijk als we ons een gidsrol aanmeten qua ontwikkelingssamenwerking en vredesdiplomatie, zo moeilijk kunnen we ons voorstellen dat we op militair gebied werkelijk iets voorstellen – zeker na het onterende debacle in Srebrenica.

Een zelfde mentaliteitsverschil kleurt de beoordeling van de huidige situatie in Afghanistan. Aan Amerikaanse kant is men al snel geneigd de nadruk te leggen op de bereikte resultaten en de kansen. We hebben een zware dobber aan de pacificatie van het land, er is geen quick fix, erkende Virginia Nuland. Maar ze had zich tijdens haar bezoek aan Afghanistan toch ook gelaafd aan allerlei positieve dingen. De succesvolle ontwikkelingsprojecten in de oostelijke provincie Nangarhar, waar het wel is gelukt de opiumteelt terug te dringen. De meisjes in Kabul die weer met opgeheven hoofd naar school kunnen. Kortom: het glas is half vol.

Het Nederlands c.q. Europees bloed kruipt waar het niet gaan kan, en ik moet dan ook bekennen dat het me moeite kost om niet vooral de lege helft van het glas te zien. Weinigen hadden de illusie dat de ISAF-missie in het zuiden van Afghanistan een serene aangelegenheid zou zijn, met veel opbouwwerk en een minimum aan militair vertoon. Maar momenteel heeft ze voornamelijk het karakter van een gevechtsoperatie. In de provincie Kandahar hebben de NAVO-troepen hun handen vol aan de Taliban, die zich niet beperken tot hit-and-run acties, maar ook aanvallen uitvoeren en taaie weerstand bieden. Dat is een verontrustende constatering nadat de Amerikanen al vier jaar jacht op hen hebben gemaakt in dit gebied.

Is er sprake van een wanhoopsoffensief van de Taliban, die erop rekenen dat de ‘vredessoldaten’ uit Europa en Canada sneller van hun stuk kunnen worden gebracht dan de Amerikaanse speciale eenheden? Misschien is dat inderdaad het geval. Maar voorlopig baren de gevechten NAVO-opperbevelhebber James Jones voldoende zorgen om er bij de lidstaten op aan te dringen dat ze meer mankracht en materieel ter beschikking stellen.

De wrange ironie is dat met name de mankracht als het ware voor het grijpen ligt. In het noorden en westen van Afghanistan bevinden zich zo'n 12 duizend NAVO-militairen. Maar de meeste lidstaten hebben een reeks van beperkingen gesteld aan de inzet van hun troepen. Weliswaar werd door die lidstaten de interventie in Afghanistan, anders dan die in Irak, noodzakelijk en gerechtvaardigd geacht en weliswaar geldt alom het parool dat het land niet opnieuw een broeinest van agressief fundamentalisme mag worden, maar angstvalligheid blijft troef in de alliantie.

De Italiaanse marxist Antonio Gramsci koppelde ooit het pessimisme van het verstand aan het optimisme van de wil. Amerikanen zouden een extra portie van het eerste kunnen gebruiken en Europeanen een flinke dosis meer van het tweede.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden