InterviewNatasja Gibbs

Natasja Gibbs: ‘De media zien diversiteit als hobby, een afdeling, als een moetje, in plaats van iets dat essentieel is’

null Beeld Passian Smit
Beeld Passian Smit

De Nieuws BV-radiopresentator Natasja Gibbs werd misschien een beetje laat tot mediatalent uitgeroepen, want ze draait al een tijdje mee. Ze had het al druk, en sinds Black Lives Matter nóg drukker: ‘Ik heb veel te doen. Appels te schillen.’

Het is maandag rond drie uur wanneer Natasja Gibbs (41) de studio van BNNVARA in Hilversum uit komt rollen. In vol ornaat: rode nagels, outfit van de Amsterdamse ontwerper Pien Stieglitz, geïnspireerd op design uit Seoul. Nu De Nieuws BV, het dagelijkse radioprogramma dat ze sinds september 2020 presenteert, ook online en op televisie wordt uitgezonden moet ze op meer letten dan journalistieke presentatie alleen. De onderwerpen die ze vandaag heeft behandeld: ‘Ondersteunend personeel op Schiphol wil gaan staken’, ‘Aantal psychoses onder migranten neemt toe’ en: ‘Museum van de Democratie met Jesse Klaver.’

En? Goede uitzending?

‘Jawel.’

Meteen daarna: ‘Ik denk altijd dat het beter kan.’

In januari werd je genomineerd voor de Marconi Award voor aanstormend mediatalent.

Glimlachend: ‘Ja. Ik storm aan. Eindelijk.’

Best opvallende nominatie toch, voor iemand die al jarenlang in de media werkt?

‘Ik vond het heel ongemakkelijk, moet ik bekennen. De andere twee genomineerden waren ruim tien jaar jonger.’

Hoe verklaar je dat?

‘Ja, hoe verklaar je dat. Ik denk omdat ik nu pas landelijke radio maak, op een goed tijdslot. Dat is kennelijk toch anders. Hoeveel felicitaties ik kreeg toen ik De Nieuws BV ging presenteren. Zo van: nu ben je er. Nou, ik wás er al.’

Wat beschouw jij zelf als jouw talent?

‘Ik ben goed in het snel leggen van verbanden tussen gebeurtenissen, mensen en verhalen. En dat vervolgens praktisch verwoorden. En wat ik ook goed kan, is mensen bewegen persoonlijk te worden, zodat er een echt mens opstaat in datgene dat wordt verteld. Lukt niet altijd, hoor. Vandaag hadden we bijvoorbeeld een FNV-man in de uitzending, die kon bijna niet anders dan in jargon praten. In dat geval geef ik liever ruimte aan de dame tegenover hem, die bijna niet kon rondkomen van haar salaris.’

Heb je een zwak voor de underdog?

‘Ja, en dat is ook meteen mijn valkuil. Want je moet wel kritisch blijven. Ook de underdog heeft een verantwoordelijkheid, ook die moet je vragen: had je hier zelf niet iets aan moeten doen? Maar toch ligt daar vaak mijn sympathie. Vorige week, bijvoorbeeld, had ik een slachtoffer van de toeslagenaffaire in de studio, die geld had moeten lenen van haar eigen 14-jarige zoon om in hun onderhoud te kunnen voorzien. Dan denk ik echt: wat een rotwereld. En dan heb ik inderdaad meteen zin om mensen op machtsposities ter verantwoording te roepen. Dat is toch ook de taak van de journalist?’

Wie heb je vandaag ter verantwoording geroepen?

Denkt even na. Dan: ‘Vandaag gebeurde er wel iets opvallends. We hadden Jesse Klaver in de uitzending. Na afloop zei een collega tegen me: ‘Je was wel fel, hè? Mag je Jesse niet?’ Toen dacht ik: huh? Ik was inderdaad fel, maar dat kwam omdat Jesse Klaver zei: ‘U kunt die vraag nu wel bombastischer stellen, maar het blijft dezelfde vraag.’ Ik dacht alleen maar: ‘Omdat jij geen antwoord geeft, vriend.’ Ja, dán krijg je me.

‘Op Curaçao heb ik politici geïnterviewd tijdens de val van het kabinet Schotte, dat was nog veel heftiger. Politici die het parlementshuis bezetten schoven me gewoon aan de kant als ze geen vragen wilden beantwoorden. Ze verwachten daar ook dat je ze eindeloos laat uitpraten. Ik ben weleens tijdens een telefonisch interview op de radio opgehangen omdat ik iemand onderbrak. ‘Juffrouw’, zei hij, ‘je laat me niet uitpraten.’ Vinden ze onbeschoft. Terwijl die man een speech hield van Cubaanse afmetingen. Dat zal je Jesse Klaver niet zien doen, daarvoor zijn Nederlandse politici te gemediatraind. Maar hij doet het veel subtieler: door mijn vraag te bestempelen als bombastisch. Op Curaçao noemen ze je juffie, hier gebruiken ze een chic woord, maar het effect is hetzelfde. Het blijft een vorm van intimidatie.’

Wás je ook geïntimideerd?

‘Nou, het bracht me wel even van mijn à propos. Helemaal als een redacteur daarna tegen je zegt: wat was je fel. Alsof ik hem als mens niet aardig vond en mezelf daarom professioneel niet meer in de hand had. Tegelijkertijd maakt dit ons vak ook zo interessant. Journalistiek is één en al psychologie, een schaakspel. Als ik ’s ochtends onder de douche sta, bedenk ik al hoe ik het spel die dag ga spelen.’

Welke vakgenoot is daarin jouw voorbeeld?

‘Sven Kockelmann. Snel schakelen, nooit loslaten. En een feilloze voorbereiding: je kan niet linksom of rechtsom of je vindt hem op je weg. Hij is echt een schaakmeester. Simone Weimans vond ik echt geweldig in haar interview met Thierry Baudet. Hij was uitgenodigd in het radioprogramma Met het oog op morgen. Zij stelde een vraag over de Black Lives Matter-demonstratie op de Dam, maar hij wilde het alleen over zijn krant praten: de Forum voor Democratie-krant. Waarna hij haar ervan betichtte zich niet aan de afspraken te houden. Maar zij bleef zo chill. Ze zei gewoon oké, dan niet, doei. En ging weer verder met haar programma, volkomen ongestoord. De dag dat ik dát kan, wil ik een prijs.’

Natasja Gibbs wordt op 16 november 1979 in Hilversum geboren als oudste dochter van Theresa en Otto Gibbs. Na Natasja volgen nog een zus en een broer. Haar ouders komen van de eilanden: moeder van Aruba en vader van Sint Maarten. Zij leren elkaar kennen op Curaçao, het eiland waar Natasja later ook een aantal jaar zal wonen en werken, eerst als correspondent van de Wereldomroep, later als coördinator van het Caribisch Netwerk (NTR).

null Beeld Passian Smit
Beeld Passian Smit

In je twitterbiografie noem je jezelf een ‘Koninkrijkskind met dingen te doen’. Wat betekent dat?

‘Dat ik het mooi vind dat ik onderdeel ben van twee verschillende werelden. Sterker, ik zou willen dat meer mensen zich verbonden zouden voelen met het Caribisch deel van ons koninkrijk. Als het over de eilanden gaat, is het vaak negatief. Liever kwijt dan rijk, zorgenkindje, ze slurpen alleen maar geld op van de belastingbetaler. Andersom wordt er ook slecht gedacht. Die Nederlanders geven niks om onze cultuur, ze komen alleen om vakantie te vieren en omdat ze hier gewoon boodschappen kunnen doen bij de Albert Heijn. Wat op zich natuurlijk prima is, al is het beetje zonde van die tien uur vliegen. Ik denk vooral: we zouden veel aan elkaar kunnen hebben.’

Dat bedoel je met: ik heb dingen te doen?

‘Ja, ik heb héél veel dingen te doen. Aan te kaarten. Appels te schillen.’ (lacht)

In juni 2020 was jij één van de initiatiefnemers van het Meldpunt Mediadiscriminatie. Waarom moest dat meldpunt er komen?

Stoïcijns: ‘Omdat het tijd werd.’

Dan: ‘Ik ga al jaren uit eten met een groep vrouwen uit de media – onder andere Zoë Papaikonomou (onderzoeksjournalist en mediadocent, red.) en Nadia Zerouali (culinair schrijver, red.). Steeds vaker werden die dinertjes een soort uitlaatklep over waar we nu weer tegenaan waren gelopen als het gaat over uitsluiting, discriminatie, opmerkingen, alles. En op de een of andere manier accepteerden we ook volledig dat dát onze plek was, waar we vrijuit konden spreken. Tot Black Lives Matter. Toen dachten we ineens: hoezo moeten we eigenlijk in een donker hoekje van een couscousbar afspreken om te kunnen zeggen wat er misgaat? Waarom gaan we niet in het volle licht staan? Want je wéét dat er meer mensen zijn. En ook: het lijken altijd maar kleine incidentjes, maar als je ze allemaal verzamelt zie je dat het een structureel probleem is. Bovendien moet je zien te voorkomen dat je verslaafd raakt aan het klagen zelf. Snap je wat ik bedoel? Het is lekker hoor, een avondje zeiken, maar uiteindelijk gebeurt er niks. Als je klaagt, heb je ook verantwoordelijkheid.’

Wat waren jouw ervaringen met discriminatie op de werkvloer?

‘Ja, dat vind ik dan wel weer lastig om te vertellen. Je wil niemand… En tegelijkertijd vind ik dat juist zo jammer: waarom zeg ik niet gewoon wat er aan de hand is? Oké, waar het op neer komt: vóór De Nieuws BV werkte ik bij de NTR als coördinator van het Caribisch Netwerk. En de afdeling waar onze redactie op zat bleek een heel onveilige omgeving te zijn waarin racistische en seksistische opmerkingen konden worden gemaakt, zonder dat iemand tot de orde werd geroepen.’

Zoals?

‘Ik kwam een keer op de afdeling met een trui waarop stond: ‘Santa, can we negotiate?’ Suffe tekst, suffe trui, ik weet niet eens waarom ik ’m aan had, maar in ieder geval: superonschuldig. Begint een eindredacteur ineens te schreeuwen: ‘Jaaa hoor, en wéér een statement, ben jij ook al zo’n Zwarte Piet-activist?’ Zo genant, ik wist niet wat me overkwam. Of dan werd er gezegd: ‘Jij bent zeker vriendjes met die Sylvana.’ Op een gegeven moment werd er buiten ons gebouw geprotesteerd door Kick Out Zwarte Piet, want de NTR deed natuurlijk het Sinterklaasjournaal. Nou, de paníék op onze afdeling. Volwassen mensen die letterlijk gilden: ‘Zijn de deuren wel gebarricadeerd? Straks komen die terroristen binnen.’ Ongelooflijk, zo’n ander wereldbeeld. En dat is dan een journalistiek medium! Dat je denkt: zou je niet nieuwsgierig moeten zijn naar wat deze mensen beweegt? Dat geldt trouwens ook voor de boeren die later buiten stonden te protesteren hoor, daar moet je óók nieuwsgierig naar zijn. In ieder geval niet dat defensieve, dat alleen maar denken aan je eigen veiligheid.’

Heb je dat besproken met je leidinggevende?

‘Ja, maar de hiërarchische verhoudingen waren zodanig dat niemand… Er werd letterlijk gezegd: ‘Je weet toch hoe hij is. Daar moet je niet zo overgevoelig voor zijn.’ Maar ondertussen wel een diversiteitsafdeling hebben.’

Volgens jouw vroegere FunX-collega en goede vriendin Aashna Sewpersad is dit een breed probleem. Zo wordt FunX ook nog altijd gezien als ‘allochtonenzwembad’: niet echt serieus te nemen. Ze gaf het voorbeeld van Morad El Ouakili, die de ster van FunX was maar een showtje kreeg bij NPO Radio 1 op een slecht tijdslot in de nacht. ‘Maar omroepbazen kunnen wel mooi zeggen dat ze iemand van kleur in dienst hebben.’

‘Ja, die pijn zie ik veel. En Morad zít dan tenminste nog ergens. Ik zie zoveel jong talent dat volkomen over het hoofd wordt gezien, redacteuren en producers die maar niet doorstromen naar de rest van Hilversum. FunX vált nota bene onder de NPO. Maar ze zien ons niet: ze zien diversiteit als hobby, als een afdeling, als een moetje, in plaats van iets dat essentieel is voor de kwaliteit van media.’

Jullie manifest is uiteindelijk door meer dan driehonderd personen ondertekend.

‘Het is tof om in een tijd te leven waarin dit soort dingen niet meer wordt gepikt.’

Jullie wilden onderzoek starten naar discriminatie en institutioneel racisme op de mediawerkvloer. Hoe staat het daarmee?

‘We zijn daarna in zee gegaan met stichting Radar en de NvJ, want we kwamen er al snel achter dat het enorm veel werk is om al die klachten fatsoenlijk te registeren. In eerste instantie dachten we: we maken een zwartboek, hier, in your face, maar ja, en dán? Je wil wel dat er vervolg aan kan worden gegeven. Radar doet dat. In het voorjaar van 2022 verschijnt er een rapportage die naar de Tweede Kamer gaat, zodat er beleid op kan worden gemaakt. Wij hebben daar het geld niet voor, de infrastructuur niet en de kennis ook niet – daar moet je echt voor opgeleid zijn. Het moet ook heel zorgvuldig gebeuren, want het laatste wat je wil, is dat klachten ongegrond blijken te zijn.’

Precies daar kwam veel gemopper over.

‘Er zijn mensen die ons een NSB-club noemden. Maar dan denk ik: wat vind je dan van een Ombudsman? Vind je dat ook niet kunnen? Je wil toch gewoon dat er een veilige werkvloer is, voor iedereen?’

Maar een kapotte stekker is niet hetzelfde als een veilige werkvloer. Hoe toets je dat? Uitsluiting is vaak zo subtiel.

‘Dat is zo, maar juist die microagressies staan nooit op zichzelf. Het is de opeenstapeling die telt. En ik denk trouwens niet dat er veel mensen zijn die bij de eerste opmerking jankend opbellen. En al doe je dat wel: dáár heb je dan die professionele mensen voor, om die toetsing zorgvuldig te doen. Wat we ook willen, is dat er meer diversiteit komt op de plekken waar de besluiten worden genomen. Nu is dat nul. Nul! In geen enkele directie zit iemand van kleur, in niet één omroep. Daar begint het al. Als ik praat met iemand die begrijpt hoe complex onze maatschappij in elkaar zit, heb ik zo’n ander gesprek dan met iemand die dat niet weet. Dan heb je andere items, andere invalshoeken, andere alles.’

Wat is het einddoel?

‘Nooit meer op eieren lopen.’

Op eieren lopen – ook privé had Natasja daar al vroeg mee te stellen. Het gezin Gibbs woont in de flats aan de Kamerlingh Onnesweg, pal aan de Hilversumse hei. Het huwelijk van haar ouders is niet goed, en dat wordt er niet beter op wanneer ze in de ban raken van de Jehova’s getuigen. Om de dag zijn ze daar, en daarbuiten mag niets: geen verjaardagen, geen kerst, geen Sinterklaas, niks. Tot op zekere leeftijd weten ze niet beter, maar op een dag komt Natasja’s zus met een tolletje thuis, ze is dan een jaar of 7. ‘Kennelijk had iemand op school getrakteerd. Ik weet nog dat ze het me stiekem liet zien, en dat we als de dood waren dat papa erachter zou komen. Dat was volgens mij de eerste keer dat ik dacht: hier klopt iets niet.’

null Beeld Passian Smit
Beeld Passian Smit

Want wat zou er dan gebeuren?

‘Dan zouden we een flinke afranseling krijgen.’

Was dat godsdienstwaanzin?

‘Nee, mijn vader had echt psychische problemen. Hij mishandelde mijn moeder ook. ’s Nachts werd ik weleens wakker en hoorde ik allemaal rare geluiden uit de woonkamer komen. Dan ging ik kijken en zag ik hoe hij haar keel aan het dichtknijpen was. En dan schreeuwde ik wel, van ‘laat los, laat mama los!’ maar vervolgens kwam hij achter mij aan met een stofzuigerslang. Dat soort dingen. Er was continu angst. Want als iets niet door je ouders werd verboden, dan wel door God. Het was nooit goed. Waarbij ik wel moet zeggen dat mijn moeder ons ondertussen van alles meegaf over literatuur, spelletjes, lezen. Daarin kwamen we nooit te kort. En ook mijn vader kon superleuk zijn, en opgewekt. Als hij niet gewelddadig was dan.’

Dat lijkt me precies het akelige, en het verwarrende. Die onvoorspelbaarheid.

‘Hij was mijn held en mijn nachtmerrie. Soms kwam de politie aan de deur en lagen mijn zusje en ik boven in bed, muisstil. Dan kwam er uiteindelijk een agent naar boven en die vroeg dan: ‘Alles goed hier?’ En dan antwoordden wij in koor: ‘Ja hoor!’ Want wij dachten altijd dat ze óns zouden meenemen. Zo surrealistisch. Op een gegeven moment werd mijn broertje geboren. Toen ging het een tijdje goed, want mijn vader was heel blij met een zoon. Maar dat duurde maar even, daarna werd het eigenlijk alleen maar erger. En op een dag, ik zal het nooit vergeten, mijn vader was naar zijn werk, trok mijn moeder de kasten open, en daar kwamen twee van die enorme shoppers uit, van die tassen die je op de Albert Cuyp koopt weet je wel, van die geruite. Vol met kleding. ‘Snel, jassen aan,’ zei ze. En een minuut later werden we opgehaald door een kennis en in Vianen afgezet bij vrienden. Daar hebben we toen ondergedoken gezeten. Eerst was dat nog wel leuk, want die mensen hadden ook kinderen, maar er heerste natuurlijk ook iets raars. Want gingen we dan nooit meer terug? En zou ik mijn vader nog zien? Ik had ook voortdurend nachtmerries over hem.

‘Op een gegeven moment is hij erachter gekomen dat we daar zaten, en toen zijn we naar een Blijf-van-mijn-lijf-huis in Amsterdam gevlucht. Dat was ook weer raar, want daar woonden allemaal mensen met psychische problemen. Vrouwen die gillend over de gang liepen, spullen die werden gejat. Ik bewaarde mijn wekker onder mijn kussen. En steeds opnieuw werden we door mijn vader ontdekt. Ik had bijvoorbeeld een lievelingstrui, en die wilde ik per se aan, maar die moest eerst gewassen worden. Na lang zeuren ging mijn moeder overstag. Maar toen hing dat ding te drogen aan de lijn en liep mijn vader stomtoevallig langs dat huis. Moesten we wéér weg.’

En toen was dat jouw schuld. Want zo denken kinderen.

‘Zo voelde dat ja, vreselijk. Hij heeft ons daarna nog já-ren gestalkt. Het is de reden dat als nu ineens de deurbel gaat, of iemand achter me iets zegt, ik enorm kan schrikken. Dat zit gewoon ingesleten.’

Met jouw goede vriendin Lotte de Vos stond je tijdens jullie studie achter de bar van het Amsterdamse Replay Café. Zij vond jou geweldig vanwege je uitbundige persoonlijkheid, altijd lachen, altijd avontuur, veel make-up, grote bek. Maar, zei ze, achter die présence broeide een ander verhaal. Het was duidelijk een copingmechanisme.

‘Ja, dat was natuurlijk één grote façade. Ik genoot ook wel, hoor, wat denk je: eindelijk kon het een keer. Maar het was natuurlijk ook een masker.’

Ze vertelde dat veel mensen om die reden zijn afgehaakt.

‘Klopt. Want het ging nooit dieper dan dat. Ik maakte ook altijd heel harde grappen, over mezelf, maar ook over anderen. Erop en erover. Daardoor dachten mensen, en dat heb ik lange tijd onderschat: Natasja zit nergens mee. Mijn zusje ook. ‘Jij bent zo koud’, zei ze dan. Ik verzweeg ook altijd alles, had het jarenlang heel neutraal over ‘mijn ouders’. Maar zo kom je natuurlijk niet dichterbij jezelf. Het maakt eenzaam. En uiteindelijk ontploft het.’

Hoe ging dat bij jou?

‘Ik kreeg paniekaanvallen. Geen adem, hyperventileren, alles werd één grote blur. En ik merkte ook dat mijn relatiepatroon… Ik ging van de een naar de ander, kon niks onderhouden, zodra het moeilijk werd ging ik weg. Uiteindelijk heb ik een psycholoog gezocht en die wilde EMDR (een traumatherapie, red.) met me doen, met van die tikjes weet je wel. Toen gingen we ineens terug naar mijn jeugd. Ik weet nog dat ik dacht: jezus, moet dat, dat is wel klaar, hoor. Nou, niet dus.’

Gek hè. Zit je op zo’n bult verdriet, heb je het niet door.

‘Ik denk echt dat dat komt omdat ik 30 jaar bezig ben geweest met overleven. Hoe religie kijkt naar het leven en de dood, dat vormt je. En daar vluchtte ik voor. Joladiee, dronken in een club. Zelfs mijn correspondentschap was in zekere zin een vlucht. Weg, altijd maar weg. Maar dat is niet echt leven, daar kom ik pas de laatste tien jaar aan toe. Als ik nu weleens jongeren zie die hele gesprekken kunnen voeren met hun ouders, dat is toch geweldig?’

Hoe is de band nu met je ouders?

‘Met mijn moeder heb ik contact, met mijn vader niet.’

Leeft hij nog?

‘Ik weet het niet. Ik denk haast van wel, zoiets krijg je toch via de tamtam te horen. En hij heeft me recent ook nog weleens foto’s gestuurd, van mezelf, dat ik ergens op een terras zat. Zo van: ‘Ik weet waar je bent.’ Heel creepy. Maar goed, die man is ziek. Hij spoort niet. In slechte periodes ben ik weleens bang geweest dat ik ook gek zou worden. Dacht ik: straks ga ik ook mensen lastigvallen.’ Lachend: ‘Nou ben ik wel de journalistiek in gegaan maar dat is toch net iets anders.’

En je moeder?

‘Vanaf mijn 18de heb ik een tijd lang geen contact met haar gehad. Dat hebben wel meer 18-jarigen niet, maar de meesten kunnen dan wel in het weekend terugkomen om de was te doen. Als ik mijn moeder belde zei ze rustig: ‘Hoezo bel je mij?’ Rond mijn 30ste ben ik toen ineens, dat was ook zo gek, een tijdje juist heel verzorgend naar haar geweest, mama-dit-mama-dat, wat natuurlijk ook niet gezond was. En nu, sinds een paar jaar, zijn we eindelijk allebei volwassen. Ik besef nu hoe vreselijk het ook voor haar moet zijn geweest. Zonder wat dan ook te vergoeilijken. Het is goed zo. Zij voelt zich ook schuldig.’

Over welk deel?

Aarzelend: ‘Ja, toch het afstraffen. Het naar beneden praten, het vermorzelen van mijn identiteit. Ooit was ik een vrolijk kind, dat wéét ik. Maar dat is er wel echt eh… uitgeslagen. Sorry, hoor.’

Verontschuldigend: ‘Ik voel me niet zielig hoor, er zijn mensen die veel ergere dingen meemaken, maar het ís toch ook gewoon een kutconclusie? Dat je vrolijkheid, je vrijheid eruit is geslagen? Tegelijkertijd vind ik het ook zielig voor mijn moeder. Ik begrijp hoezeer je van jezelf walgt als zoiets gebeurt, als moeder.’

Zij is ook slachtoffer, in zekere zin?

‘Precies. Het duurt alleen even voor je dat door hebt. Daarvoor moet je eerst zelf ouder worden, gelukkig worden.’

Heeft ene Wessel Damman daar toevallig aan bijgedragen?

Glunderend, ineens: ‘Absoluut.’

Op een donderdagmiddag in 2017 wordt Natasja door collega’s meegevraagd naar de BNNVARA bar op het Mediapark omdat daar ‘een heel leuke man rondloopt’. Die man is er inderdaad, en hij draagt een leren jasje. Knappe vent ook. Groot, fíjn, Wessel heet-ie. Jammer dat hij zo bot doet wanneer zij biertjes voor hun beiden haalt. Natasja: ‘Misschien kwam het door zijn lengte, maar Wessel keek gewoon finaal over me heen.’ Nou dan niet, denkt ze nog. Later die avond raken ze alsnog in gesprek en omdat Natasja tegen die tijd haar eerlijke, ongepolijste zelf is, roept Wessel: ‘O, dus je bent wél leuk!’

Wat een opsteker.

Lachend: ‘Ja precies, want ik dééd dus niet eens leuk. En nog steeds niet, haha. Ik kan best wel een graftak zijn, en hij ook, maar omdat we precies dezelfde humor hebben gaat dat heel goed. We laten elkaar ook volledig zijn wie we zijn. Het enige waar we ruzie over maken is het huishouden.’

null Beeld Passian Smit
Beeld Passian Smit

Wessel zei daarover: ‘Ze is opgevoed met strikte regels die totaal niet logisch waren. Er mocht heel veel niet, wat de volgende dag ineens weer wel mocht. Ze is daardoor niet echt flexibel: als we hebben afgesproken dat we dit of dat gaan doen, móéten we dat ook echt gaan doen, anders krijgt ze kortsluiting.’

‘Ja, en dat zegt hij dan ook echt: je hebt weer kortsluiting, hè? Maar het is zo heerlijk dat iemand dat gewoon zegt en dat ik dat dan gewoon kan toegeven. Het kost me ook nul moeite om te zeggen: het spijt me, ik zat verkeerd. Andersom ook niet. Hj kan echt heel agressief zijn in het verkeer, dat ik echt denk: jezus, doe effe normaal. Maar daarna komen er geen discussies, geen gezeik, niks. Zo raar. Mijn hele leven was gecompliceerd en ineens is alles zo… símpel.’

Hoe vindt je moeder Wessel?

‘Ja heel lief, hij heeft haar helemaal ingepakt. Ouwe charmeur.’

Daarbuiten hebben jullie wel te maken met vooroordelen, begreep ik. Over het leeftijdsverschil bijvoorbeeld, dat hij 31 jaar is en jij ‘ál’ 41.

‘Mensen hebben een soort blauwdruk van hoe iets zou moeten, en als je daarvan afwijkt vinden ze het al snel gek. De kindervraag bijvoorbeeld, die krijgen wij altijd.’

En dan meteen erachteraan: ‘Jullie krijgen vast héél mooie kindertjes.’

‘Die is standaard inderdaad. Mensen bedoelen dat goed hoor, maar het is zo bekrompen, zo stereotype. Want waarom is dat dan mooi, in welke zin? Maar ik heb ook geen behoefte om mensen voortdurend college te geven.’

Jij hebt ook weleens het verwijt gekregen met een witte man te zijn.

‘Ja. Alsof je een soort verrader bent. Ik snap dat wel. En dat klinkt misschien raar, want andersom zou dat racisme zijn, maar het hangt samen met hoe onze maatschappij helaas in elkaar zit. Je moet niet vergeten: voor mijn grootouders was het echt een vooruitgang als je thuiskwam met iemand met lichtere ogen en een lichtere huidskleur. En zo is het lang geweest: ik had slecht haar, mijn zusje goed haar, omdat er minder krul in zat. Donkere kinderen zijn lelijke kinderen, dat is van eeuwenlang. Dus als jij dan voor een witte man valt zeggen sommigen: die keuze komt voort uit zelfhaat. Het ís niet zo, maar ik snap het wel. Wat niet betekent dat het oké is. Ik zou het nooit pikken als iemand racistische opmerkingen over Wessel zou hebben, net zo min hij het zou pikken als mensen racistische opmerkingen over mij zouden hebben. Dan geef ik wel graag college.’

Dan, lachend: ‘Dat bedoel ik, ik heb dingen te doen.’

CV Natasja Gibbs

1979 Geboren op 16 november in Hilversum

1991 Middelbare school A. Roland Holst College

1998 Studie Journalistiek in Utrecht

2002 Studie Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam

2011 Correspondent voor de Wereldomroep

2012 Correspondent voor NPO Radio 1

2013 Coördinator Caribisch Netwerk, een journalistennetwerk onder de vlag van de NTR

2014 Presentatie van programma’s Jouw Stad Amsterdam en Critix bij radiozender FunX

2016 Presentatie en redactie NPO Radio 1 Kwesties

2018 Presentatie NPO Radio 1 wetenschapsprogramma ’s Focus en Lezen in het Donker

2018 Podcast NPO Radio 1 Koninkrijkskwesties

2020 Co-presentator (samen met Petra Grijzen) van NPO1 radioprogramma Hilversum Uit

2020 Presentator van NPO1 radioprogramma De Nieuws BV, van maandag tot en met donderdag van 12:00 tot 13:30 uur

Natasja heeft een relatie met Wessel Damman en woont samen in Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden