InterviewHoe besta je na?

Na lang aarzelen besloot harpiste Lavinia Meijer haar biologische vader in haar leven toe te laten

Lavinia Meijer staat in het midden van de sculptuur: 'Batara' van Anne Holtrop.Beeld Anouk van Kalmthout

Voor harpiste Lavinia Meijer (37), één van ’s lands meest gelauwerde klassieke musici, betekende een bericht van haar biologische vader het begin van een zoektocht. ‘Ik wilde gezien worden in het land dat mij verstoten had.’ 

‘Ik worstel al een tijdje met een vraag’, zegt Lavinia Meijer (37). ‘Ga ik later spijt krijgen van iets wat ik niet doe?’

We zitten op gepaste afstand en met gewassen handen in haar appartement in Amsterdam-Noord. Haar rode harp staat majestueus in de kamer.

‘Vlak nadat mijn biologische ouders waren gescheiden, werd ik geadopteerd en verhuisde ik naar Nederland. Ik was 2. Voor vrouwen in Korea was het in die tijd not done om kinderen van de ene man mee te nemen naar een nieuwe man. En nóg – de schaamtecultuur daar is heel groot. Ik wil niet goedpraten dat mijn ouders me hebben weggedaan, maar met die empathie maak ik de rouw lichter voor mezelf. Zeker nu het erop lijkt dat ik ze nooit meer zal zien. Tegelijkertijd voel ik schuld, als dochter. Waarom onderneem ik niets om mijn vader en moeder terug te vinden, in Seoul? Straks zijn ze dood. Misschien ís het al te laat.’

Op 1 januari 2009 ontmoette ze haar biologische vader voor het eerst. Tijdens een groots nieuwjaarsconcert in Seoul zat hij in de zaal, op haar uitnodiging. Na lang aarzelen had ze besloten haar verwekker in haar leven toe te laten, maar eerst moest hij naar haar luisteren, naar haar spel, naar de harp.

‘Muziek is mijn ziel, mijn reden van bestaan – op het podium kan ik het beste van mezelf laten zien. Maar muziek was toen ook wel een schild. In eerste instantie om naar Korea te gaan. Ik dacht: 25 jaar geleden moest ik hier met stille trom vertrekken, samen met mijn broer, en nu halen ze mij terug als een ster. Dat had iets dubbels. Hoe kijken zij eigenlijk tegen een geadopteerde Koreaanse aan? Ben ik een van hen? Ben ik niet een van hen? Met mijn muziek maak ik de grootste kans om geaccepteerd te worden. Daarom had ik heel sterk de gedachte: ik wil indruk maken. Bewijsdrang zit sowieso in mij, maar ik wilde gezien worden in het land dat mij verstoten had. Tijdens dat nieuwjaarsconcert droeg ik bewust een opvallend rode jurk, met allemaal glittertjes.

‘Er waren drieduizend mensen in de zaal, maar ik speelde voor één persoon. Ik wist niet waar mijn biologische vader precies zat. Naast mij, voor mijn gevoel. Ik speelde alsof ik vleugels had – in Händels harpconcert zit ook veel vrolijkheid. Ik wist: we spreken elkaars taal niet. Hij spreekt geen Engels, en ik geen Koreaans. Maar met muziek kun je communiceren zonder woorden. Mijn boodschap was: kijk eens wat jouw dochter van haar leven heeft gemaakt. Luister, luister maar. Je hoeft geen spijt, schuld, pijn of verdriet meer te voelen om wat je hebt gedaan. Het is goed. Ik was trots.’

Voelde ze geen wrok? Of woede?

‘O, die gevoelens zijn er zeker geweest. Met het aanvaarden van het ouderschap doe je een belofte voor het leven. Hoe kun je je kind afstaan, onder welke omstandigheden dan ook? Ik kon dat niet begrijpen. Een jaar vóór het nieuwjaarsconcert had mijn biologische vader mij een brief gestuurd. Hij vertelde dat hij klusjesman en lasser was. Na de scheiding van mijn biologische moeder was hij hertrouwd, kreeg opnieuw twee kinderen, en nu was hij weer gescheiden. Twee vragen had hij voor mij. Eén: ben je gezond? Twee: ben je gelukkig?

‘Ik kreeg eerst een telefoontje van Wereldkinderen, in 2007: hij was naar me op zoek.’ Ze schatert. ‘Weet je wat mijn eerste reactie was? Misschien kan hij een concert in Korea voor mij regelen. Vreselijk! Instinctief verbond ik dit aan mijn muziek, aan de uitbreiding van mijn wereldrijk, dan voelt het al snel veiliger. Mijn toenmalige echtgenoot keek me aan alsof ik gek was geworden. Is dít je eerste gedachte? Toen brak ik. Hevig huilen. Dat heeft twee weken geduurd, bijna non-stop. Ik belandde in een soort identiteitscrisis. Heel boos was ik ook: hoe durft hij? Waarom wil hij nu wéér alles in mijn leven overhoop gooien? Tot dan toe hadden mijn biologische ouders nooit voor mij bestaan. Dat waren poppetjes in Zuid-Korea, neutrale, witte poppetjes zonder gezicht. Ik dacht: mijn bestaan is hier. Ik heb alles wat mij compleet maakt. Ik schreef een heel kort briefje terug, met twee keer een ja op zijn antwoorden. Was getekend: Soo-Ji No. Mijn Koreaanse naam. Klaar. Dacht ik.

‘Tijdens die eerste reis naar Korea, gewoon voor dat concert, verder was ik niets van plan, kwam er bezinning. In een urenlange treinreis van Seoul naar Gyeongju kreeg ik een soort visioen. Ik zag mijn vader met mijn broer en mij naar het kindertehuis lopen. Wij waren peuters. Als klein meisje keek ik naar hem op en dacht: wat doe je me nu aan? Denk je dat wij niet weten wat er gebeurt? Ik klampte me aan hem vast, maar moest loslaten. Het verhaal was: na de scheiding kreeg mijn vader de zorg over ons. Als rondtrekkende arbeider was hij daar niet toe in staat. De situatie werd zo nijpend dat hij ons moest wegbrengen. Hij kon niet anders.

‘In hetzelfde visioen zag ik ineens mijn adoptieouders voor me. Rob en Inge Meijer uit Bennekom. Mijn redders. Mijn helden. Mensen die zich hadden ontfermd over de kinderen van een ander. Wat heb je dan een groot hart. Ineens vond ik dat zo bijzonder. Ik realiseerde me: ik ben met liefde grootgebracht, en ik moet proberen vanuit die liefde de spanningen uit mijn verleden achter me te laten. Ik vond ruimte voor begrip, en misschien ook wel voor vergeving van mijn Koreaanse ouders. De wereld ging open. Een dag later nodigde ik mijn biologische vader uit voor het concert.’

Beeld Anouk van Kalmthout

Ze troffen elkaar in haar kleedkamer, in het bijzijn van een tolk. Hoe ervoer ze de ontmoeting?

‘Heel schuchter en bedremmeld kwam hij binnen. Hij bleef zich maar verontschuldigen, minstens tien keer: het spijt me, het spijt me, het spijt me. Dat overweldigde me. Ik ken verhalen van geadopteerden die een dna-test willen doen. Die had ik helemaal niet nodig. Ik zag het direct. Daar staat mijn broer, maar dan dertig jaar ouder. In uiterlijk, maar ook in de hoekige motoriek leek mijn biologische vader sprekend op hem. Later die avond troffen we elkaar nog in de lobby van mijn hotel. Mijn biologische vader zag de kuiltjes in mijn gezicht. ‘Die heb je van mij’, zei hij. Met het ouder en dikker worden waren die bij hem verdwenen. Pas op de late avond kwam bij mij de ontlading. Tránen. Ik wilde geen afscheid meer nemen.’

Op een lentedag in 1985, het jaar waarin Evert van Benthem de Elfstedentocht wint, paus Johannes Paulus II een bezoek brengt aan de Lage Landen en Wubbo Ockels de eerste Nederlander in de ruimte is, komt Soo-Ji No met haar broer aan op Schiphol. Wat weet ze nog van de eerste dagen?

‘Ik lig op de buik van mijn nieuwe moeder en laat mijn plas lopen. Dat is mijn eerste herinnering aan Holland. Veilig bij haar, zo veilig dat ik onbewust weer een baby was – om helemaal opnieuw te beginnen. Mijn ouders hadden toen al een eigen dochter. Ik was dus niet geadopteerd omdat zij geen kinderen konden krijgen. Dat heb ik altijd een plezierige gedachte gevonden, want dan kom je niet op de tweede plaats. Met een Ethiopisch broertje dat later nog kwam was ons gezin compleet. Een bloedband was bij ons niet nodig om familie te zijn. Alleen mijn vader is honderd procent Nederlands, mijn moeder is oorspronkelijk Oostenrijkse. We zijn een rare combinatie van kleuren en smaken, maar wel heel harmonieus en liefdevol. Eén keer zei iemand vrij onnozel dat ik sprekend op mijn vader leek. Waarop mijn moeder zei: ‘Ja, mijn man heeft toverballen.’

Op een dag zag ze een harp staan, bij een vriendinnetje.

‘Die vond ik magisch. Mysterieus. Intiem. Je omarmt het instrument, je beroert de snaren met je blote vingers en poing – er is meteen geluid. Het was liefde op het eerste gezicht, en dat gevoel is nooit verdwenen. Uren en uren heb ik gestudeerd. Ik was een enorme streber. Op mijn 13de deed ik al mee aan concoursen, en het moest helemaal perfect, want minder dan de eerste prijs was niet goed.

‘Ik predik het evangelie van de harp. Het is mijn obsessie om mijn liefde voor de muziek te delen, om wat ik doe te koppelen aan een hoger doel. Troost. Harmonie. Verbinding. Ik heb ook opgetreden in hospices. Dan kom je dichtbij de essentie van leven en dood. Een meisje van in de 20 had de spierziekte ALS. Twee dagen na mijn optreden overleed ze. Haar ouders schreven: ‘In de laatste uren van haar leven heb je haar veel plezier gebracht.’ Dat raakte mij diep.

‘In deze stille coronatijd voel ik toch de behoefte om te spelen. Bij mooi weer treed ik op voor psychiatrische patiënten – nu een vergeten groep – op een groot plein binnen de muren van de instelling. Daar haal ik zoveel positieve energie uit! Heerlijk om weer even de adrenaline van een performance te voelen. Mijn grootste wens is: optreden in Noord-Korea. Ik zou daar heel graag het Arirang willen spelen, een soort volkslied dat alle Koreanen kennen. Met mijn roots heeft dat nog een diepere betekenis, natuurlijk. Dan heb je het niet over verbinding, maar over het verlangen naar hereniging.’

Beeld Anouk van Kalmthout

Een halfjaar na het nieuwjaarsconcert trof ze haar biologische vader opnieuw. Ze had een optreden in China en besloot op vakantie te gaan naar Seoul.

‘Die tweede ontmoeting verliep heel anders. Hij was nerveus. Dronk veel – soju, een soort Koreaanse jenever. Ik zag zijn radeloosheid. Zijn gezondheid ging hard achteruit, vertelde hij. Door versleten knieën kon hij misschien niet blijven werken. Zijn zoon had een leerachterstand en leek psychisch niet in orde. Ik wist niet zo goed hoe ik daarmee moest omgaan. Ik hoopte de last van het schuldgevoel dat hij jaren met zich had meegedragen van hem af te nemen. Dat was mijn cadeau. Ik wilde niet meegezogen worden in zijn wereld van wanhoop.’

Tot haar verrassing kwam haar vader met een herziene versie van het scheidings- en adoptieverhaal.

‘Wat bleek nu? Mijn moeder had het gezin verlaten omdat ze wilde studeren, omdat ze zich wilde ontwikkelen, haar dromen wilde volgen. Het was haar wens dat ze mij en mijn broer zou blijven zien. Dat verbood mijn vader. Hij stuurde haar weg. ‘Ze had haar keus gemaakt’, zei hij. Mijn biologische moeder was dus nooit betrokken geweest bij de beslissing om mijn broertje en mij naar het kindertehuis te brengen. Maar van wie was dan de handtekening op het adoptieformulier? Van een nicht, zei mijn vader. Hij voegde daaraan toe dat die handtekening ons het leven had gered. Hij was zo ten einde raad dat hij het huis in brand wilde steken, met ons erin.

‘Hoe ongemakkelijk dit gesprek ook was: ik kon het verleden het verleden laten. Het was goed. Ik liet het los. Een jaar later besloten mijn ouders met mijn Koreaanse broer naar Korea te gaan. Eerst met de Transsiberië Express, een lang gekoesterde droom van mijn moeder, en dan van Beijing naar Seoul. Alles was geregeld voor een ontmoeting van mijn broer met onze biologische vader. Maar mijn broer stond er helemaal niet voor open. Pijnlijk. Mijn ouders, zo goed als ze zijn, hadden medelijden met mijn biologische vader en zeiden: kunnen we nog iets voor je betekenen? Toen vroeg hij om geld.

‘Ik kan het wel begrijpen – vanuit zijn standpunt. Mijn ouders gaven hem een paar honderd euro. Dat voelde vreemd. Daar was ik boos over. Dit schaadde mijn band met hem. Het werd nog erger. Ik heb sindsdien nooit meer contact met mijn biologische vader kunnen krijgen. Er komt geen enkele reactie meer op mijn mails. Waarom niet? Zijn die terechtgekomen in een spambox? Is het schaamte? Heeft hij het gevoel dat hij zijn gezicht heeft verloren door zijn hand op te houden bij de adoptieouders van zijn kinderen? Is dat de reden dat hij zich nu voor dood houdt?’

Ze heeft het opvallend weinig over haar biologische moeder. Als zij geen bemoeienis had met het besluit de kinderen te laten adopteren, heeft zij dan niet het recht haar dochter weer te zien?

‘Ze heeft sowieso recht op contact met mij. Maar het feit dat ze mij nooit heeft gezocht, weerhoudt mij ervan zelf die stap te zetten. Ik denk wel elke dag aan mijn biologische moeder. Zij is voor mij de grote onbekende. Mijn Koreaanse vader zegt dat ik als twee druppels op haar lijk – uiterlijk, maar ook qua karakter. We hebben allebei onze passie gevolgd. Dat maakt me nieuwsgierig. Maar mis ik haar? Ik héb al een moeder, denk ik dan. Voor de volle honderd procent. Zij is een sterke vrouw.

‘Ik ben ook wel bang voor de pijn die zo’n hechte moeder-dochterband met zich mee kan brengen. Met mijn vader heb ik nooit problemen gehad, maar de relatie met mijn moeder... Ik wilde voor haar de perfecte dochter zijn. En van haar verwachtte ik dat zij de perfecte moeder was. In mijn puberteit en daarna gaf dat een constante spanning en strijd tussen ons. Ik had steeds het gevoel dat ik moest opwerken tegen haar kracht, dat ik mij moest bewijzen. Daar bood ik weerstand tegen: alles wat ze zei legde ik op een goudschaaltje – en het was zelden goed. Gelukkig ligt die tijd achter ons. Maar als ik nu bedenk dat ik twéé van zulke sterke moeders in mijn leven heb? Haha! Kan ik dat aan?’

Het is een verhaal van verlies en eindigheid. Welke muziek associeert zij daarmee? Waar haalt zij troost uit?

‘De 7de van Beethoven. Die mogen ze bij mijn uitvaart laten horen. Omdat het een stuk met lichte en donkere tinten is. Een soort draaglijke zwaarheid, prachtig. In de muziek van Philip Glass herken ik het ook, daarom werk ik heel graag met hem – hij is mijn muzikale kompas. Zelf noemt hij het een ondergrondse rivier: je weet niet waar-ie ontspringt, je weet niet waar-ie naartoe gaat, maar hij is aanwezig en stroomt, altijd, luister maar. Ik probeer zelf ook bij die onderaardse stroom te komen. In diepe concentratie daal ik af, al bij de eerste klanken. Stel dat morgen de aarde vergaat en dit is mijn laatste dag? Dan voel ik zoveel liefde en rust. Het is een bevestiging dat ik doe wat ik het liefste doe.

‘Ik weet nu wat rouw is. Niet alleen omdat ik afscheid heb moeten nemen van mijn biologische ouders. Je kunt ook rouwen als een liefde eindigt. Drie jaar geleden ben ik gescheiden van Kas, na een relatie van 16 jaar, waarvan 13 jaar huwelijk. Het was mijn keuze. Voor hem was het zo pijnlijk dat hij niet in staat was om contact met mij te houden. Daar was hij heel stevig in. Kas is Amerikaan, en keerde terug naar Amerika. Tegelijkertijd bleef hij wel contact houden met mijn moeder – zij hebben een hele goede band. Puur door het feit dat ik afstand moest houden en hem niet meer kon zien, ben ik gaan rouwen. Omdat hij echt dood voelde.’

Ze is 37 jaar. De klok tikt.

Ze knikt. ‘Ik wil nog graag een gezin. Zelf kinderen krijgen vond ik vroeger heel egoïstisch. Ik ging adopteren, daar was ik van overtuigd, net als mijn ouders. Maar bij Wereldkinderen zag ik hoe Chinese kinderen, al dan niet met hazenlip of horrelvoet, worden aangeboden aan het Westen: bied maar. Vanaf dat moment heb ik de gedachte van adoptie een beetje losgelaten. Wat ook meespeelt: de ontmoeting met mijn biologische vader gaf betekenis aan het begrip bloedband, zo van: ik ken hem niet, maar ik ken hem. Dat vond ik bijzonder. Ik ben nu ook nieuwsgierig geworden: ik kom van hem, wie komt er na mij?’

Perfectionisme schrijft ze met hoofdletters. Ook als ze moeder wordt?

‘Ik kan mezelf niet verloochenen: ik wil voor mijn kind de beste voorwaarden scheppen voor een volwaardig en gelukkig leven. Eigenlijk zoals ik die in tweede instantie ook heb gehad.’ Ze pauzeert even. ‘Kas raakte in een depressie. Die heb ik heel lang tijd niet zien aankomen. Wat ik voelde was: verwijdering. Op het moment dat je een gezin wilt stichten, wil je juist dichtbij elkaar komen. Ik kreeg angstaanvallen – omdat ik niet langer vertrouwen voelde dat het goed zou komen.

‘Mijn moeder zegt dat mijn scheiding te maken heeft met mijn adoptieverleden. Door mijn kinderwens speelde die geschiedenis op; in haar ogen was dat te confronterend, te heftig voor mij. Daarom stapte ik eruit, durfde ik me niet te binden. Zelf denk ik dat de waarheid gelaagder en genuanceerder is. Misschien wil ik niet dezelfde fout maken als mijn biologische moeder. Zij had al kinderen toen tot haar doordrong dat ze een leven voor zichzelf wilde. Mijn keuze moet weloverwogen zijn.

‘Het is een vreemde tijd. Ik ben net uit een andere relatie gestapt. De man na Kas. Ik heb in de liefde tot nu toe het gevoel gehad dat ik mijn muziekcarrière moest opofferen voor een gezin. Ik weet nu heel zeker dat ik dat niet kan. Je zou kunnen zeggen: de harp is mijn kind. Een kind voor het leven – dat ik nooit zal afstaan. Ik omarm haar ook in figuurlijke zin.’ Schiet in de lach. ‘Een perfect kind is het sowieso: het is stil wanneer ik wil.’

Beeld Anouk van Kalmthout

Enkele weken geleden, kort voor de lockdown, was ze nog in Zuid-Korea.

‘Ik merk dan dat ik alles heel strak plan en de tijd helemaal vul met reizen en optredens – als een soort excuus om mij niet te hoeven bezighouden met die roots-situatie. Ik kan mij er niet toe zetten om een weekje extra te plannen om op zoek te gaan naar mijn Koreaanse ouders. Stel dat ik bij mijn biologische moeder op de stoep sta. Ze doet de deur open en schrikt van me. Ze wil mij helemaal niet zien. Die angst blijft. Maar voor mij staat de deur op een kier. Het feit dat ze elke dag in mijn hoofd voorbijkomt... Daar zit toch een sprankje hoop. Mijn moeder mag zich dood houden, mijn vader mag zich dood houden, maar dat wil niet zeggen dat zij voor mij werkelijk dood zijn. Ik ben aan het wachten, denk ik. Moet ik nog een stap zetten? Of definitief afscheid nemen? In een muziekstuk kunnen noten ver uit elkaar liggen. De stilte daartussen is prachtig, vanwege de spanning. Wat volgt? Voor één keer weet ik het zelf niet.’ 

Hoe besta je na?
In de onregelmatig verschijnende serie ‘Hoe besta je na?’ spreken Frénk van der Linden en Pieter Webeling mensen die een geliefde, kind, ouder of goede vriend(in) hebben verloren. In deze ongebruikelijke aflevering spreken ze harpiste Lavinia Meijer, die geen contact meer heeft met haar biologische ouders. Hoe ga je om met het verlies van iemand die (waarschijnlijk) nog leeft? 

CV Lavinia Meijer

12 februari 1983 Geboren in Bucheon, Zuid-Korea.

1992 Eerste harplessen in Bennekom, Gelderland.

1994 Toelating Jong Talent-klas Utrechts Conservatorium.

1997 1e Prijs Prinses Christina Concours.

2004 Eerste cd in eigen beheer: 1685 (werken van Scarlatti, Händel en Bach)

2005 Wint Vriendenkrans Concertgebouw Amsterdam

2006 Fellowship Borletti Buitoni Trust, Londen

2007 Debuut in Carnegie Hall, New York

2008 Contract bij Channel Classics (Divertissements, Visions, Fantasie&Impromptus, Glass Metamorphosis/The Hours)

2009 Nederlandse Muziekprijs

2012 Start samenwerking met componist Philip Glass

2013 Start samenwerking met componist Ludovico Einaudi

2013 Contract bij Sony Classical International. Albums o.a. Einaudi by Lavinia, Voyage, In Concert (met Carel Kraayenhof).

2016 Album The Glass Effect, ode aan Philip Glass bij zijn 80e verjaardag.

2017 Brief aan mijn dochter, muzikale theatervoorstelling met schrijver Abdelkader Benali.

2019 Untitled 1: eerste deel van meerdelig levenswerk Untitled, een zoektocht naar de essentie van deze tijd.

2020 oprichting #unitedmusic75-campagne in samenwerking met de Verenigde Naties (zie @unitedmusic75 voor meer informatie).

Lavinia Meijer heeft voor 2021 een tournee gepland met rockheld Iggy Pop.

Ze is single en woont in Amsterdam. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden