Interview Vanessa Friedman

Moderecensent van The New York Times Vanessa Friedman: ‘Iedereen is met mode bezig. Vooral mannen die zeggen dat ze er niks mee hebben’

Vanessa Friedman Beeld Wikkie Hermkens

Vanessa Friedman van The New York Times is ’s werelds meest gelezen én gevreesde moderecensent. Vakgenoot Cécile Narinx sprak met haar over alles wat kleren soms zo controversieel maakt: leggingophef, de dresscode op kantoor en de opmerkelijke keuzes van Melania Trump.

Het vergde flink wat heen en weer gemail met The New York Times en een hoop geduld. En net toen ik dacht: het zal wel niet meer gaan gebeuren, kwam er een mailtje dat de grote Vanessa Friedman de volgende dag beschikbaar zou zijn voor een interview. Een uurtje. In Parijs. Tijdens de coutureweek waar we allebei waren om verslag te doen voor de krant.

Vanessa wie? denkt de modeleek nu waarschijnlijk, want als modeleken al weten dát er machtige vrouwen in de mode bestaan, dan komen ze niet veel verder dan Vogue-hoofdredacteur Anna Wintour (met dat pagekapsel) of moderecensent Suzy Menkes (met die krul).

Vanessa Friedman is sinds vijf jaar de opvolgster van die legendarische Suzy Menkes als fashion director and chief fashion critic van The New York Times, en dus de meest gelezen en meest gevreesde moderecensent ter wereld. Die in lange, literaire volzinnen collecties beschrijft en duidt. Die mode leest en in een context plaatst, die de maatschappij gereflecteerd ziet in de kleren en silhouetten die aan haar kritische oog voorbijtrekken. 

Dat Friedman over mode zou gaan schrijven lag trouwens bepaald niet voor de hand. Ze komt uit een intellectueel New Yorks gezin (moeder boekenredacteur, vader advocaat), studeerde geschiedenis aan Princeton, rolde de bladenwereld in als redactieassistent en begon met schrijven over kunst. Mode vond ze heus aantrekkelijk, maar nam ze als vakgebied nog niet serieus. In een eerder interview met Tyler McCall van Fashionista zegt ze daarover: ‘Op mijn 21e was ik superpretentieus en dacht ik dat ik grote, belangrijke stukken zou gaan schrijven over filosofie, en dat mode daar niks mee te maken had – wat meer zegt over mijn onwetendheid dan wat ook.’ Via freelanceklussen voor The New Yorker, Vogue, Elle en Vanity Fair kreeg ze een aanstelling als eerste moderedacteur ooit van de gezaghebbende Financial Times, wat ze elf jaar deed. Martin Wolf, chef economie van de FT, kwam tijdens een diner ooit in gesprek met Friedmans broer Alexander. Hij vroeg: ‘Had je ooit gedacht dat je zus dit zou gaan doen?’ Alexander zei: ‘Nee, ik had gedacht dat ze grote stukken over filosofie en identiteit en sociale bewegingen zou schrijven.’ Waarop Wolf zei: ‘Wat denk je dán dat ze aan het doen is?’ 

En dat, geeft Friedman zelf ook toe, is wat ze net als haar broer heeft moeten leren: dat mode niet alleen – en soms totaal niet – over ijdelheid gaat, maar ook over identiteit, politiek, maatschappelijke kwesties en diversiteit. Zo is de populariteit van hoodies en sneakers een simpel gevolg van het feit dat de grote zakenmannen tegenwoordig uit Silicon Valley komen, en niet van Wall Street. Dat Friedman het nu wél weet, en donders goed ook, maakt haar werk zo fascinerend en lezenswaardig. En maakt haar, de rossige dame met de strakke knot, een uitgelezen interviewkandidaat voor dit modenummer. Dus gaan we akkoord met het krappe uur interviewtijd, op de binnenplaats van ontwerper Azzedine Alaïa’s hotel in het vierde arrondissement. Op de foto gaan doet ze later wel, thuis in Brooklyn.

Tijdens de coutureshows zie je vaak mensen een traan wegpinken, zó mooi vinden ze het. Is mode, net als kunst, pas geslaagd is als het je raakt? 

‘Nee. Persoonlijk hou ik meer van kleren die me aan het denken zetten. In mijn baan moet ik mijn hoofd gebruiken en niet mijn buikgevoel. Dat is het grote verschil tussen traditionele moderecensenten en bloggers. Bloggers hebben de neiging om als ze iets zien meteen te reageren, te roepen of ze iets ‘liken’ of niet. Ik doe juist mijn best om mijn persoonlijke mening uit te schakelen, en te denken: wat wil deze ontwerper zeggen met deze kleren? Slaat het ergens op? Soms totaal niet. En als een collectie eenmaal in de winkels hangt kan het ook zo zijn dat de kleding voor de dragers een heel andere lading krijgt dan de ontwerper bedoeld had. Het is uiteindelijk aan de drager om er betekenis aan te geven.’

Kost het je moeite om een heel kritische recensie te schrijven?

‘Dat niet, maar het is wel moeilijk om iets negatiefs te schrijven over mensen van wie je weet hoeveel werk en liefde ze in hun kleding hebben gestopt. Ik kan me daar best slecht over voelen, maar als ik zou schrijven dat het goed was omdat ik ze niet durf te kwetsen, zouden mijn woorden helemaal niks betekenen. Ik probeer altijd constructief te zijn, nooit gemeen. En ik doe mijn best om er humor in te stoppen, dat maakt het wat makkelijker te verteren. Heel veel modemerken zitten in een soort echoput. Soms is het goed om van buiten die put te horen dat er iets niet helemaal goed is, beter kan. Een silhouet dat niet werkt bijvoorbeeld. In dat opzicht kan een merk ook profijt hebben van een kritische recensie.’ 

Vanessa Friedman Beeld Wikkie Hermkens

Heb je altijd gelijk?

‘Je weet nooit of je gelijk hebt natuurlijk. Maar tegenwoordig is het nog veel lastiger om een mening te vormen. Door sociale media neemt de druk toe om ergens meteen iets van te vinden, en nemen we minder tijd om iets te laten verteren. Ik neem een nacht om een show te verwerken. Daardoor heb ik nooit iets geschreven waar ik spijt van kreeg.’

We zitten nu in de week van de couture, peperdure arbeidsintensieve kleding die speciaal op maat wordt gemaakt voor vermogende klanten. Lange tijd werd beweerd dat couture dood is. Nu lijkt er een opleving plaats te vinden. Hoe zie jij dat?

‘Couture leeft, maar in een gekrompen versie. De functie van couture was altijd dat het een voorbode was van wat er komen ging, de plek van waaruit de trends doorsijpelden naar de prêt-à-porter. Maar tegenwoordig heeft couture een andere functie. Het gaat nu over tijdloosheid, over ambacht, over vaardigheden en geschiedenis. Voor ontwerpers is het een geweldig podium, het is een luxe om zulke dingen te kunnen maken.’

In The New York Times van 2 juli 2019 schreef Friedman over de coutureshow van Iris van Herpen:

‘(Haar kleren) kunnen gebaseerd zijn op wiskundige formules en wetenschappelijke precisie, en worden uitgelegd in ondoordringbare taal die ‘de hypnotische variëteiten in onze ecologieën prijst’. Maar in de praktijk vloeien ze rond het lichaam als geluidsgolven die vorm hebben gekregen, of lagen van geologische tijd; ze zweven van de schouders met plissévleugels; en glinsteren met vage suggesties uit het verleden – ziet die vorm er niet een beetje Renaissance uit, die een beetje 19de-eeuws? – en uit de toekomst.’

Wat vind je van de Nederlandse ontwerpers in Parijs?

‘Ik vind Iris van Herpen een ongelooflijk talent met een unieke visie. Haar begrip van couture vind ik echt modern, fascinerend om te zien. Viktor & Rolf zetten me aan het denken, en ze zijn grappig. Wat Rushemy Botter en Lisi Herrebrugh afgelopen voorjaar hebben gedaan met hun eerste prêt-à-portershow voor Nina Ricci vind ik veelbelovend, we zullen zien waar dat toe leidt.’

Welke jonge ontwerpers vind je nog meer veelbelovend?

Marine Serre uit Parijs is echt heel goed. In New York zijn er ook veel nieuwe helden: Pyer Moss, Telfar. In Londen heb je Richard Quinn en Charles Jeffrey Loverboy. Milaan? Lastig te zeggen... Het belangrijkste en moeilijkste voor nieuwe merken is dat ze moeten weten wie ze zijn en waar ze voor staan, waarom het belangrijk is dat hun stem gehoord wordt. Er zijn veel designer awards omdat iedereen voortdurend op zoek is naar nieuw talent, en er worden allerlei veelbelovende nieuwe talenten gespot, maar er zijn er maar weinig daarvan die op dat punt al weten wie en wat ze zijn. Een talent te vroeg in de spotlights zetten kan schadelijk zijn.’

Wat vind je van dat dolgedraaide systeem in de mode, van steeds nieuwer, sneller, meer?

‘Het systeem is nu eenmaal het systeem. Het is aan de ontwerpers zelf of ze eraan mee willen doen. Of er weer uitstappen, zoals Raf Simons ruim een half jaar voor het einde van zijn contract bij Calvin Klein heeft gedaan. Hij heeft er precies geleverd waar hij voor was ingehuurd: ervoor zorgen dat mensen weer interesse kregen in het merk en de shows, de handel opnieuw uitvinden. Maar de omzet ging omlaag, dus in die zin verraste het me niet dat de leiding van Calvin Klein mopperde dat zijn werk niet commercieel genoeg was. Ze hadden wat meer vertrouwen moeten hebben. Om het merk weer winstgevend te krijgen had hij veel meer tijd moeten krijgen. Ik vind het een verlies voor New York Fashion Week dat zowel Calvin Klein als Raf Simons er nu geen deel meer van uitmaken, en dat het modelabel nu verder gaat als jeans- en ondergoedmerk.’

Had je zien aankomen dat het deftige Franse modeconglomeraat LVMH eerst streetwearontwerper Virgil Abloh en sinds kort ook zangeres Rihanna zou contracteren?

‘Nee, ik ben geen modevoorspeller, wat ik zie verbaast me tot op zekere hoogte altijd weer. Ik vind alle nieuwe ontwikkelingen interessant. Na eb komt weer vloed, de vormen veranderen, de technologie speelt mee, de sociale media. Dat heeft allemaal invloed op de manier waarop we onszelf uitdrukken.’

Zo lang als Friedmans zinnen in de NYT zijn, zo zuinig is ze, nippend van haar citron pressé, in het geven van antwoorden op precaire vragen. Ze spreekt zich uit, heus wel, maar niet per ommegaande. En in debatten die aan mode raken mengt ze zich wel degelijk, maar: in weloverwogen, geschreven vorm. Zo barstte in april van dit jaar in de Verenigde Staten een controverse los toen een moeder van vier zonen in de krant van de University of Notre Dame du Lac in Indiana pleitte voor een verbod op het dragen van leggings, omdat het voor mannen moeilijk zou zijn om zich te beheersen met studentes in strakke broekjes om zich heen. Friedman schreef een pittig stuk met als conclusie (en in het Engels was het nog lezenswaardiger): ‘Wat de leggingophef bloot heeft gelegd is niet zozeer iemands lichaam, maar eerder een culturele breuklijn die door de generaties heen loopt. Dit historische patroon omvat minirokken en spijkerbroeken, Mary Quant en James Dean, en kledingstukken die flagrant en onverklaarbaar leken voor wat we over het algemeen aanduiden als de gevestigde orde, maar een zeer zichtbare sleutelrol spelen in het omverwerpen van oude normen om plaats te maken voor nieuwe.’

Vanessa Friedman Beeld Wikkie Hermkens

Ik las dat stuk en dacht: goh. Zo had ik de legging nog nooit bekeken. 

‘Het gaat allemaal over de sociale context, over individu versus groep. Wat kun je wel en niet dragen op school of kantoor, wie heeft er macht en wie niet? Die vragen maken een groot deel uit van de hedendaagse conversatie, waarbij je steeds meer ziet dat individuen het met succes opnemen tegen de massa, en tegen de gevestigde orde. Dat vormt de manier waarop we ons in de openbare ruimte kleden.’

Heb je nog een voorbeeld?

‘Het nieuws dat vrouwen in Japan niet langer verplicht zijn om hakken naar het werk te dragen bijvoorbeeld. Of een nieuwslezeres die in problemen kwam omdat ze een mouwloze jurk droeg. Het gaat allemaal om: wat is de norm? Wat is acceptabel in een bepaalde rol, versus: wat maakt dat jij je jóú voelt? Waarom mannen pakken aan moeten naar hun werk, of met sneakers naar kantoor kunnen komen, of hun stropdas thuis kunnen laten. Er is in de Verenigde Staten discussie over of presidentskandidaten jasjes aan moeten of in hemdsmouwen rond kunnen lopen. In Engeland streden buschauffeurs vorig jaar voor het recht om korte broeken te mogen dragen bij hitte. Sinds kort mogen schoolkinderen in Wales zelf weten of ze de rok of de broek van hun schooluniform dragen. Fascinerend. Al deze onderwerpen gaan over identiteit versus groepsnormen. Welke kleding past bij jouw rol in de maatschappij? Hoe kun je uitdrukken wie je bent? Mag je zijn wie je wil zijn? De mode-industrie speelt daar een rol in, door bijvoorbeeld genderfluïde kleding te ontwerpen geef je mensen die zich niet in een hokje willen laten stoppen gereedschappen om zich uit te drukken en zichzelf te kunnen zijn.’

Noem jij jezelf een discipel of een activist?

Lachend: ‘Geen van beide. De enige manier waarop ik me een activist voel is door mijn best te doen mensen mode serieus te laten nemen. Toen ik in 2003 begon als modejournalist voor The Financial Times merkte ik dat veel mensen afwijzend staan ten opzichte van mode als onderwerp van een kwaliteitskrant. Ze zijn bezorgd dat als ze interesse tonen in mode ze voor frivool en niet intellectueel versleten worden. Terwijl er drie dingen universeel en essentieel zijn om te kunnen overleven: dat je iets je in je lichaam stopt, voedsel dus; dat je een dak boven je hoofd hebt en dat je iets aan je lichaam draagt om warm te blijven. De rest is allemaal context en smaak. Je kunt bijna over alles schrijven door de lens van de mode. Iederéén draagt kleding en is er, onbewust misschien, elke dag mee bezig. Vooral mannen die zeggen dat ze er niks mee hebben, zijn ermee bezig. Ik zou mode heel graag willen destigmatiseren. In politieke kringen is het voor vrouwen nu bijvoorbeeld lastig om te praten over mode. Vrouwelijke politici voelen ze zich niet serieus genomen als iemand vraagt wat ze dragen, terwijl: elke slimme politicus gebruikt kleding om de publieke opinie over hem of haar te beïnvloeden, en zijn communicatie te ondersteunen. Ik vind het jammer om te zien dat bijvoorbeeld Theresa May, die eerst graag over haar schoenen praatte – wat toch een teken van zelfvertrouwen is –, zich begon te verontschuldigen voor die schoenen en zich terughoudender ging kleden toen ze premier werd. Het zou moeten mogen dat je én vrouw bent én hoofd van een politieke partij of een land. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten. 

Het zijn allemaal overblijfselen van traditionele stereotypen. Ik denk dat hoe krachtiger vrouwen worden, hoe meer ze gebruik moeten maken van hun imago om duidelijk maken dat, al draag je een bloemetjesjurk, dat nog niet wil zeggen dat je geen moeilijke beslissingen kunt nemen. Hoe eerder de stereotypes verdwijnen, hoe beter.’

In The New York Times van 21 juni 2018, de dag nadat Melania Trump gekleed in een jas met op de rug de tekst ‘I really don’t care, do U?’ een vluchtelingenkamp had bezocht, schreef Friedman:

‘Misschien, heel misschien, was het een boodschap voor diegenen onder ons die graag boodschappen in haar kleren lezen. Een boodschap die zei: “Ik ga dragen wat ik wil en het kan me niks schelen wat je ervan vindt.” Uiteindelijk droeg ze het jasje opnieuw, later in Andrews - zonder zich te verontschuldigen, terwijl ze wist hoeveel hoo-ha, verwarring en aanstoot het kledingstuk had veroorzaakt (...). Ze droeg het alsof ze de woorden op haar rug direct moest bewijzen. Dat zou nogal meta zijn.’

Hoe vind je dat Melania Trump haar kleding een rol laat spelen?

‘Ik denk niet dat zij haar kleren doorgaans op een andere manier gebruikt dan dat ze er goed in uit te wil zien. In de Verenigde Staten is het een ongeschreven regel dat presidentsvrouwen Amerikaanse ontwerpers dragen om hun land en de economie te promoten. Nancy Reagan deed dat, Jackie Kennedy. Er worden van zulke vrouwen tijdens publieke evenementen miljoenen foto’s gemaakt, dus heeft het een sneeuwbaleffect. Sophie Gregoire Trudeau, Brigitte Macron, Meghan Markle en Michelle Obama hebben die gewoonte naar een nog hoger plan getild. Obama heeft op die manier platforms gecreëerd voor jonge designers, voor kleine onafhankelijke labels en voor ontwerpers met een buitenlandse of migratie-achtergrond. Daarbij droeg ze bij staatsbezoeken altijd kleding van ontwerpers uit het land dat ze bezocht, dat is een diplomatiek protocol. Mevrouw Trump lijkt daarin minder geïnteresseerd, zij gaat gewoon in haar lievelingskleren, een Dolce & Gabbana-jurk en Manolo Blahnik-stiletto’s, de deur uit. In die zin is ze niet zozeer een boegbeeld van het land, maar wel van de huidige regering. En dan was er dus nog die jas waarvan niemand begreep waarom ze hem droeg...’

Vanessa Friedman Beeld Wikkie Hermkens

Hoe zou je, in één Friedmaniaanse volzin, beschrijven wat je  aan de mode kunt aflezen over de huidige tijd waarin we leven?

(Betrapt lachje) ‘Mijn eindredacteuren willen graag dat ik wat meer punten gebruik en wat minder komma’s, klopt. Maar ik heb hier niet eens een hele zin voor nodig, ik heb aan één woord genoeg: messy! Het is een grote zooi. We staan op een enorm keerpunt, op alle niveaus. Kijk naar hoe we communiceren, naar de mogelijkheid voor individuen om hun stem te laten horen, sociale media, politiek. De Amerikaanse eeuw loopt ten einde, de Chinese eeuw begint. De hele balans van macht tussen landen verschuift.’

Hoe zien we dat terug in de mode?

‘Als je kijkt naar mode, kun je het zo gek niet bedenken of het is er. Er is niet meer zoiets als één roklengte of één broekvorm. Er is voor elke smaak en voor elke persoonlijkheid wel wat te vinden. Het varieert van pantsers tot doorkijkstoffen, van helemaal bedekt tot bijna bloot. Het gebeurt allemaal op hetzelfde moment. Dat is geweldig, maar het is dus ook rommelig.’

Wat vind jij ervan als mensen, of lezers van je krant, mopperen dat mode zo ontzettend duur is?

‘Mode ís ook duur. Iets waar ik de laatste tijd veel over nadenk is het begrip waarde. Toen de fast fashion opkwam was dat aanvankelijk vanuit een sympathieke gedachte. Het maakte mode democratisch, want hippe kleren waren nu voor elke portemonnee betaalbaar. Maar langzaamaan is het veranderd in het recht om de hele tijd door nieuwe spullen te kunnen kopen, en dat is een heel gevaarlijk idee. Het heeft zich tot elk niveau van mode uitgestrekt, niet meer alleen de goedkopere confectie. Er zijn dure modemerken die doen aan ‘see now, buy now’, of elke maand een ‘drop’ hebben. Het is niet voor niks dat de tweedehandsmarkt zo floreert en er zoveel kledingoverschotten zijn. H&M heeft voor 4 miljard dollar aan onverkochte spullen liggen. De grote vraag is: hoe krijgen we consumenten zo ver dat ze gaan nadenken over wat ze kopen? Dat ze zich realiseren dat één T-shirt van 20 dollar langer meegaat dan tien shirts van 2 dollar per stuk, die na twee keer wassen uit elkaar vallen. Ik weet niet echt hoe we dat gedrag kunnen veranderen. We moeten duidelijk zien te maken dat je kleding ook kunt bewaren en koesteren, dat je ervoor kunt zorgen en door kunt geven aan een volgende generatie. Moderne consumenten weten niet meer hoe ze moeten strijken, stoppen, herstellen, opvouwen en wegbergen omdat ze het nooit geleerd hebben. Ik heb het zelf ook nooit uitgelegd gekregen, maar iedereen, man en vrouw, zou het moeten kunnen. Om z’n kleren beter te kunnen behandelen.’

Ik heb het idee dat de jonge generatie ontwerpers meer verantwoordelijkheidsgevoel heeft voor het milieu dan de gevestigde orde. Hoe zie jij dat?

‘Ik denk dat de merken ook zelf verantwoordelijkheid moeten nemen. Elk label dat achter zijn eigen producten staat zou zijn eigen afgedragen spullen weer terug moeten nemen. Outdoormerk Patagonia doet dat al, zij halen de retouren uit elkaar en maken er weer nieuwe spullen van. Dat is belangrijke informatie, want we moeten gaan nadenken over het tweede leven van kleren. Bij het eerste leven van een kledingstuk hebben merken de mond vol over duurzaamheid, materialen, ecologische voetafdrukken, het gebruik van water en chemicaliën, maar zodra een stuk de winkel uitgaat, trekken ze hun handen ervan af. Het lijkt me goed als ze nadenken hoe ze dingen weer uit elkaar kunnen halen en splitsen, vooraf bedenken of iets biologisch afbreekbaar is, dat maakt het een stuk makkelijker om te recyclen.’

Ondertussen duiken er overal ter wereld nieuwe modeweken op: Lagos, Lodz, Tbilisi. Vind je het jouw taak om daar poolshoogte te gaan nemen?

‘Nee. Wat Lagos betreft: we houden het in de gaten en zullen een ticket kopen en erover schrijven als we denken dat er een verhaal is dat verteld moet worden. Als je wil kun je elke week wel ergens naar een fashion week, maar ik ga al tweeënhalve maand per jaar naar fashion weeks. Of ik zou er een andere week voor moeten opgeven, maar dat zie ik niet zo snel gebeuren.’

Vanessa Friedman Beeld Wikkie Hermkens

Wat wordt het nieuwe mekka van de mode?

‘Dit is geen wereld van modemekka’s meer, macht is nu veel diffuser. De mode wordt niet meer, zoals vroeger wel het geval was, gedicteerd door een kleine groep insiders. De nieuwe opwindende merken als Pyer Moss en Telfar waar iedereen het over heeft, zijn klein, onafhankelijk, zonder geld, zonder staf. Die weten wat ze willen en denken. Het goeie van social media is dat dit soort merken nu gehoord kunnen worden op een manier die eerder niet mogelijk was.’ 

En wat is het slechte van social media?

Lachend: ‘Te veel stemmen die gehoord kunnen worden. Maar nee: de snelheid waarmee mensen reageren. En de agressie en de kwaadheid die eruit voorkomt, vaak zonder al te veel nadenken of kennis.’

En dan zit het uur er al op, en gaat Friedman weer door: show in, show uit. Twitterend, kijkend, denkend. Een nachtje slapend, en dan schrijvend: in lange, wijze volzinnen zoals die alleen maar uit de knappe pen van de frêle Friedman kunnen komen. 

CV Vanessa Friedman

1967 Geboren in New York

1989 Afgestudeerd in geschiedenis aan Princeton University met een novelle over Bauhaus en de Weimarrepubliek

1991 Redactieassistent bij Vanity Fair

1992 Begint te schrijven over kunst voor The New Yorker, Vanity Fair, Vogue en Elle

1996 Verhuist naar Londen en schrijft freelance voor Elle US en The Economist

2000 Fashion features editor voor InStyle UK

2003 Fashion editor (de eerste ooit) bij The Financial Times

2008 Verhuist terug naar New York

2014 Fashion director en chief fashion critic voor The New York Times

Friedman woont met haar man, twee dochters, een zoon en katten Bella en Boo in Brooklyn, New York.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden