De eenzame uitvaartvan Miranda Zitman

Miranda Zitman was een 51-jarige kapster uit Soest. Ze werd gevonden in een koffer op Zeeburgereiland

Beeld Merel Corduwener

Lange tijd was onduidelijk van wie de romp in de koffer was. Joris van Casteren las het gedicht dat hij voor Miranda Zitman schreef twee keer voor: eens bij haar begrafenis als onbekende vrouw, en nog eens, op verzoek van haar familie, bij haar crematie. 

Poule des Doods

Schrijver Joris van Casteren doet verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor. Vandaag Miranda Zitman.

Op de Zuider IJdijk te Amsterdam liet een man op vrijdag 11 januari 2019 zijn hond uit, of eigenlijk liet de hond de man uit, want het dier was niet aangelijnd en rende weg van zijn baas, die erachteraan moest omdat het niet goed luisterde.

In de uiterwaard van het Zeeburgereiland, iets ten zuiden van de sluiswachterswoningen – biologen hebben er kikkerpoelen aangelegd die op kraters lijken – verdween de hond in het riet.

Moeizaam hupte de man van basaltblok naar basaltblok, die wiebelen als losse tanden. Hij vond de hond terug met zijn snuit aan een koffer, door de onstuimige golfslag van het IJ-water opgestuwd tot in de bramenstruiken.

Het was een mooie koffer, een degelijke Samsonite. De man trok de hond ervandaan, lijnde hem aan en liep naar huis: een zelfgetimmerd bouwsel dat deel uitmaakt van de bescheiden kunstenaarskolonie die hier een kwarteeuw geleden ontstond, pal naast de plek waar met de aanleg van de Piet Heintunnel werd begonnen.

In het zelfgetimmerde bouwsel, dat ook fungeert als atelier voor de merkwaardige schilderijen die de man produceert, belde hij de politie, de koffer leek hem verdacht. Ze zouden iemand sturen. De man zei dat hij door niemand benaderd wilde worden (ik kon slechts kort met hem spreken); hij leidt een stil bestaan en wil dat graag zo houden.

***

Een poosje later arriveerden aan de Zuider IJdijk twee agenten. Ze deden hun best maar konden de koffer niet vinden; de zuidkant van het Zeeburgereiland is ruig en uitgestrekt. De aanwijzingen van de man, die zijn telefoon niet meer opnam, waren niet concreet genoeg.

Acht dagen later, zaterdag 19 januari, liep de man opnieuw over de dijk met zijn hond. Wederom verdween het dier in het riet, waar de Samsonite nog altijd lag. Toevallig reed op dat moment een politiewagen over de smalle weg achter de dijk; de man stak zijn hand op.

De agenten trokken de koffer onder de bramenstruiken vandaan. In het gras van de uiterwaard ritsten ze hem open. Iets later was de Zuider IJdijk een plaats delict, boven de koffer kwam een witte tent te staan, in de lucht hing een helikopter.

Forensisch rechercheurs stelden vast dat de Samsonite een vrouwelijke romp bevatte: hoofd, armen en benen ontbraken. De romp droeg een rok, een doorschijnend hemd, een bh en een deel van een panty.

***

Ruim twee maanden later, donderdag 28 maart 2019, loop ik over de Zuider IJdijk. Het is een sombere dag met regen en harde wind. Boven het water hangt nevel, de stad aan de overkant is nauwelijks te zien.

De Zuider IJdijk werd aan het einde van de 19de eeuw aangelegd, toen Amsterdam met een modderoverschot kampte: het Oostelijk Havengebied verrees, de bodem van het IJ moest flink worden uitgediept zodat grote schepen er konden komen.

De dijk kreeg de vorm van een driehoek. Eenmaal gereed werd de driehoek, die ruim honderd hectare omvatte, met havenblubber volgestort. Een drassig land ontstond, pas na jaren kon je erop lopen.

Nescio deed dat, met de personages Bavink, Bekker en Hoyink uit zijn Titaantjes (1915). In het verhaal ‘Buiten-IJ’, een pendant van dat boek, roemt hij het uitzicht: Durgerdam met z’n kleine huisjes in de verte, de toren van Ransdorp, de rook van stoomboten op de Zuiderzee.

Het kunstmatige eiland zelf is niets dan troosteloosheid: ‘Eenzaamheid kroop op uit ’t grasland buiten den dijk, tegen ’t oosten; aan ’t eind er van lag een poel met bruin riet aan de kanten; de verlatenheid zelf.’

De verlatenheid zelf diende een tijdje als militair terrein, in de oorlog was er een marinevliegveld gevestigd. Daarna kwam er een betoncentrale, een groothandel in bouwmaterialen en een rioolzuiveringsinstallatie, die zoveel stank verspreidde dat ze na verloop van tijd weer werd gesloten.

Er kwamen dubieuze garages, onduidelijke loodsen en een parkeerterrein dat als afwerkplek fungeerde. Kermisexploitanten streken er neer, en een gepensioneerde circusartiest die in zijn woonwagen alligators en wurgslangen hield.

Een goedkope manege waar arme kinderen op uit het slachthuis geredde paarden konden rijden vond er een onderkomen, net als smeeroliefabrikant Slurink en vuilophaalbedrijf Snelbak, dat het met de milieuwetgeving niet zo nauw nam.

Er werden bruggen over het Zeeburgereiland heen gebouwd, tunnels onderdoor gegraven. Er kwamen kruispunten, een snelweg-afslag en een spoorbaan richting IJburg. Er is een woonwijk op verrezen, de tweede is in aanbouw.

***

Om half 1 arriveren de mensen met wie ik heb afgesproken: drie Amsterdamse rechercheurs en de medewerkers van het televisieprogramma Opsporing verzocht. Met de rechercheurs loop ik het riet in.

Bij de vindplaats zie ik een tas liggen. Die is leeg hoor, zegt een van de rechercheurs. De regisseur van Opsporing verzocht vraagt of we uit het riet willen komen, de figuranten zijn gearriveerd.

Op de dijk stelt de regisseur ons aan hen voor: twee mannen en een vrouw. De rechercheur zegt tegen de mannen dat zij de agenten zijn. En jij gaat in de koffer, zegt hij tegen de vrouw.

Ze kijkt geschrokken, het was maar een grapje. Niemand hoeft in de koffer, bovendien is zij juist een van de agenten, de tweede mannelijke figurant speelt de teruggetrokken schilder die zijn hond uitliet.

Terwijl de twee in een politiebus de uniformen aantrekken vertelt de figurant dat hij via een castingbureau is ingehuurd. Hij heeft in een aantal reclames opgetreden en hoopt nog altijd op een doorbraak.

Als de opnamen gaande zijn praat ik met de rechercheur die het grapje maakte; een wat oudere man. Boeven van nu zijn volgens hem heel anders dan boeven van vroeger. Tegenwoordig leggen ze voor 1.500 euro iemand om.

Vroeger maakte een boef nog weleens een praatje, er was een vorm van wederzijds respect. Zo’n zaak als deze – een in stukken gesneden vrouw – zou in het milieu van toen door niemand zijn getolereerd.

De regisseur van Opsporing verzocht stelt mij ook een aantal vragen. Ik zeg dat deze eenzame uitvaart geen gewone eenzame uitvaart is, voor zover je van een gewone eenzame uitvaart kunt spreken. Gewoonlijk heb je in ieder geval de naam van een overledene, en meestal ook het hele lichaam.

Beeld Merel Corduwener

***

Donderdagmiddag 4 april, begraafplaats Sint Barbara. In de aula lees ik het gedicht voor dat ik schreef. Voor een tamelijk groot publiek, met rechercheurs en journalisten. Ook heel anders dan normaal.

Ik laat Ravels Pavane pour une infante défunte afspelen, gevolgd door Hello Stranger van Barbara Lewis. Op het adagio van Pergolesi’s Sinfonia in F Major lopen we achter de baar aan naar buiten, het zonlicht in.

Aan het einde van de middenlaan slaan we niet rechtsaf, waar de eenzaam teraardebestelden liggen, maar linksaf, naar het speciale veld voor onbekende doden.

Een half jaar later, 27 september 2019, lees ik het gedicht nogmaals voor, in een crematorium in Bilthoven, waar de romp, herenigd met hoofd en armen, voor de tweede maal uitgeleide wordt gedaan. De benen zijn nog zoek.

Miranda Zitman is haar naam, een 51-jarige kapster uit Soest. De moeder en de broer hebben mij gevraagd. Omdat het gedicht, schreven ze, de essentie wist te raken van wat haar is aangedaan.

***

Maandag 15 juni 2020, rechtbank Utrecht. De ex-partner van Miranda Zitman is kaal en draagt een bril. Tot aan zijn arrestatie was deze Bart B. regiomanager bij een beveiligingsbedrijf.

In 2017 verhuisden ze van Amsterdam naar Soest, een ruime woning aan de Lange Brinkweg. Zij had haar zaken op orde, kapsalon Medusa in de Jordaan floreerde. In Soest zou ze het rustiger aan gaan doen, een selecte klantenkring knipte ze aan huis.

Twintig jaar waren ze samen, in Soest haperde de relatie. Zitman bezweek voor een oude liefde die in 2018 naar Canada verhuisde. Ze wilde hem bezoeken, Bart B. begreep dat het menens was. Hij zei haar te steunen, ze waren als broer en zus voor elkaar.

Ze kocht een ticket maar stapte nooit op het vliegtuig. Op de avond van Tweede Kerstdag sloeg de regiomanager haar dood en zaagde haar in stukken. Hoofd en armen begroef hij in de tuin, onder de buxussen.

De romp ging in de Samsonite, de benen in een hockeytas, het leek wel een postmoderne scène uit een van de fantasyboeken van de Engelse schrijver Tanith Lee, die hij zo graag las.

Als Uhlume, de Zwarte Meester van de Dood  – zijn Facebookprofiel was vernoemd naar dit Tanith Lee-personage – reed hij naar Amsterdam. Op de Oostelijke eilanden, waar haar naar Vancouver verhuisde liefde had gewoond, smeet hij de koffer en de tas in het water.

Intussen dacht iedereen dat ze in het vliegtuig zat. Met haar telefoon verstuurde hij berichten, ook aan zichzelf, dan schreef hij ‘lieve Bart’. Oudejaarsavond bracht hij bij haar moeder door, ze proostten met een mooie fles champagne op het nieuwe jaar.

Het was zielig voor hem, hij bleef in zijn eentje achter, moest op zoek gaan naar een nieuw huis, dat hij vanwege allerlei schulden niet zou kunnen betalen. Met geld was hij het tegenovergestelde van haar.

Haar rekeningen werden geplunderd, nog voor hij haar verzaagde sluisde Bart B. tienduizenden euro’s weg. Wekelijks at hij bij haar moeder, huilde uit op de schouder van haar beste vriendin, informeerde of zij nog iets van haar had vernomen.

Niemand begreep wat haar bezielde, er kwam een volgend bericht: ik val op vrouwen, ben niet in Canada maar bij mijn nieuwe levensgezellin in Engeland, misschien kom ik van de zomer nog eenmaal naar Nederland om wat zaken af te handelen, kapsalon Medusa te Soest is voorgoed gesloten.

Haar moeder was geschokt en verdrietig, haar broer vertrouwde het niet en ging naar de politie. In april werd op zijn aandringen dna bij hen afgenomen, zo kreeg de romp die ik begroef haar naam.

***

In de rechtszaal zegt Bart B. dat ze van de trap is gevallen, hij stond op het punt haar naar Schiphol te brengen. De zware koffer en een beautycase vielen bovenop haar, ze was op slag dood.

Hij raakte in paniek, om haar naasten leed en verdriet te besparen besloot hij te doen alsof ze nog in leven was. Hij zaagde haar uit respect in stukken, niet omdat hij haar het lot van de slangharige Medusa, die door Perseus werd onthoofd, wilde laten ondergaan. Zodoende kon hij haar op twee plekken die haar dierbaar waren – de tuin in Soest en het IJ, waar ze samen weleens gingen varen – uitgeleide doen.

Hij ziet in dat het fout is, hij had om hulp moeten vragen maar lost liever zelf zijn problemen op, vreselijk dat haar benen nog steeds niet zijn gevonden. Hij snapt ook niet hoe het kan dat zo’n beetje alles aan haar hoofd kapot en verbrijzeld was, behalve de bovenste nekwervel.

Als die bovenste nekwervel intact is, kan een val van de trap niet dodelijk zijn, aldus de specialisten. En het geld? Dat heeft ze zelf overgemaakt, al klopt het tijd-technisch niet helemaal. Het was om bepaalde zaken recht te trekken, bovendien moest er iets voor hem beschikbaar zijn mocht ze in Canada onder een bus terechtkomen, dat had ze zo tegen hem gezegd.

Hij gelooft in deze flauwekul, is er heilig van overtuigd, zelfs zijn advocaat staat het schaamrood op de kaken. De rechters geloven er geen snars van, ze veroordelen hem tot 18 jaar.

Transferium Zeeburg

In dit schunnig niemandsland
van opgeworpen modder ben je
door een hond met wandelaar gevonden

Tussen riet en slijk lag je
in een degelijke Samsonite
tijdelijk verpakt te wezen

Je mocht van hen voorgoed verdwijnen
In de letterloze lelijkheid van
afval-bv’s, toekomstige woningbouw

De volledige vernietsing van je zijn
Van iemand werd je niemand,
zelfs je naam maalden ze fijn

In de mist van deze klanken
bouw ik je op en verrijs je
als een waternimf, mijn Galatea

Als ’t IJ jouw Styx moest zijn
dan Piet Heins tunnelbuis
een snelweg uit de Hades,

Transferium Zeeburg,
waar dit voertuig op je wacht,
de Park & Ride van dood en leven

Joris van Casteren

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden