Je kunt het maar één keer doen

‘Mijn vader had het gevoel dat hij na zijn dood naar het licht zou gaan’

null Beeld Krista van der NIet
Beeld Krista van der NIet

De dood kunnen we niet ontlopen. Afscheid ­nemen van het leven kan op veel ­manieren. Hoe je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt ­Barbara van Beukering ­nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

Eelke Bekhuis (70, gepensioneerd leidinggevende van een groothandel in kindermeubelen) overleed op 8 juli 2018 aan de gevolgen van niercelkanker. Hij was getrouwd met Rita (70) en ze hadden vier kinderen; Joost (42), Moniek (45), Marc (46) en Inge (48, docent hogeschool Windesheim) en acht kleinkinderen.

Inge: ‘Voor zijn 70ste verjaardag hebben de vier kinderen hem een weekend weg gegeven. Begin december zaten we met z’n 22’en, mijn ouders, de kinderen met aanhang en alle kleinkinderen, in een groot huis in Gelderland. Lekker eten, spelletjes doen, als vanouds. Mijn vader, een echte familieman, genoot met volle teugen.

Een paar weken later voelde hij zich niet zo lekker, hij begon te hoesten en was moe. Er heerste een zware griep dus aanvankelijk dachten we dat hij die had. Maar hij vertrouwde het niet en liet begin januari een longfoto maken. De longfoto was goed. Ik kreeg een appje van hem: ‘Gelukkig geen longkanker.’ Hij heeft altijd veel gerookt en was een aantal jaar gestopt. Niet dat hij het ooit heeft uitgesproken, maar blijkbaar was hij toch bang voor longkanker. Hij bleef hoesten en toen hij ook pijn in zijn buik kreeg, werd er een scan gemaakt. De internist liet ons de scan zien en het leek alsof er een uitgebloeide paardenbloem in zijn buikvlies was verstuift. Er dwarrelden allemaal uitzaaiingen door zijn buikwand en zijn longvlies. De internist wond er geen doekjes om en maakte ons duidelijk dat het foute boel was. Hij zei meteen dat het niet te genezen zou zijn, noemde het een sluipmoordenaar. Mijn vader zei niks maar keek heel verschrikt, met grote, donkere ogen. We werden van het ziekenhuis in Hoogeveen doorverwezen naar het UMCG in Groningen. Na verschillende onderzoeken bleek de oorsprong van de uitzaaiingen niercelkanker te zijn. De oncoloog twijfelde of de conditie van mijn vader nog goed genoeg was om te beginnen met een behandeling. Maar hij was er helemaal niet aan toe om te bevatten dat hij in een terminale fase zat. Hij wilde ontzettend graag tijd rekken. De arts vertelde ons dat hij zich wel moest realiseren dat het een lot uit de loterij was als het zou aanslaan. Mijn vader barstte in huilen uit. Mijn moeder en mijn zusje doken op hem om hem te troosten. Ik weet nog dat ik op dat moment dacht: ‘Mijn God, ik win nooit in de loterij, dus hij gaat gewoon dood.’

Inge en Eelke Bekhuis. Beeld Privéfoto
Inge en Eelke Bekhuis.Beeld Privéfoto

Toen we thuiskwamen was zijn boodschap aan zijn vrienden en familie: ‘Ik heb uitgezaaide niercelkanker, daar ga ik dood aan, maar dat duurt nog wel een paar jaar.’ Ik was stomverbaasd. Ondertussen ging mijn vader heel hard achteruit. Als hij een hapje eten nam, kreeg hij het nauwelijks weg. Hij zei: ‘Het eten wordt me groot in de mond.’ Hij viel in hoog tempo af en was ontzettend moe. Op een gegeven moment kon ik het toch niet laten om erover te beginnen. Misschien heeft hij niet goed begrepen wat de oncoloog heeft gezegd, dacht ik, en weet hij niet dat hij de dood misschien als een razende tegemoet treedt. Dus op een gegeven moment vroeg ik: ‘Pap, heb jij eigenlijk wel goed gehoord wat die arts heeft gezegd?’ Waarop hij antwoordde: ‘Inge, ik heb het wel gehoord, maar ik heb dit nodig om me aan vast te houden.’ Toen ik me realiseerde dat hij het niet had verdrongen, maar dat hij deze stip aan de horizon nodig had, kon ik het loslaten. Hij deed het op zijn manier, ik hoefde hem alleen maar te volgen.

Mijn vader stond midden in het leven, hij had ontzettend veel vrienden en familie die allemaal meeleefden. Hij kreeg heel veel bezoek, bloemen en kaarten. Hij was ontzettend dankbaar: ‘Mijn jeugdjaren heb ik niet als liefdevol ervaren, maar dit is echt een bad van liefde.’ Mijn vader kwam uit een streng christelijk gezin en dat dogmatische heeft altijd wel in hem gezeten. Niet zozeer qua geloof maar van ‘zo is het en niet anders’. Waar hij tijdens zijn gezonde jaren een zwart-witdenker kon zijn, kreeg hij tijdens zijn ziekte veel meer gevoel voor nuance. Hij werd een zachte, mildere versie van zichzelf. Hij had een haat-liefdeverhouding met het geloof. Hij ging gewoontegetrouw naar de kerk, maar toen hij ziek was, verdween het beeld van God in de hemel. Hij had het gevoel dat hij na zijn dood naar het licht zou gaan. Hij vond het liedje Imagine van John Lennon heel mooi. In de videoclip loopt John Lennon met zijn vrouw over een tuinpad naar een huis. Zijn vrouw doet allemaal zware luiken open waardoor het licht in het huis naar binnen stroomt. Mijn vader zei dat hij zich de dood zo voorstelde: dat de luiken opengaan en je in het licht bent. Hij ging niet naar de hemel, de hel of naar een God, hij ging naar het licht.

Het ging snel bergafwaarts met zijn gezondheid. Dat had hij goed door, want hij zei regelmatig: ‘Inge, het gaat me veel te snel.’ Begin juni zei hij dat hij er nog wilde zijn op mijn moeders verjaardag, dat is 17 augustus. Ik begreep dat hij zijn stip op de horizon noodgedwongen naar voren aan het halen was.

Toen mijn vader de trap niet meer op kon komen, werd op maandag 2 juli een ziekenhuisbed in de huiskamer geïnstalleerd. Op dezelfde dag had hij nog een afspraak in het UMCG. Mijn moeder vond dat hij daar niet meer heen moest gaan omdat ze bang was dat hij onderweg zou overlijden. Maar hij wilde per se nog een keer naar de oncoloog. Hij had het nodig om van haar te horen dat het echt over was. Of niet. ‘Ik weet wat ik ga horen, maar misschien hebben ze toch nog iets uitgevonden.’ De oncoloog schrok van hoe mager hij was geworden. Ze zei: ‘Bereid je erop voor dat het echt niet lang meer duurt.’ Mijn vader vroeg: ‘Hoe ga ik dan dood?’ Ze antwoordde: ‘Je gaat vermoedelijk als een kaars uit.’ Toen we weggingen, gaf ze hem een hand en zei: ‘Meneer Bekhuis, geniet deze laatste paar dagen of weken nog van uw prachtige gezin.’ Op de gang pakte hij de handen van mijn zusje en mij vast. We keken elkaar met tranen in onze ogen aan, waarna hij zich snel herpakte en zei: ‘Nou, laten we dan maar een sigaret gaan roken.’

Ik besloot bij hem te blijven, mijn broertjes en zusje ook. De harde kern, zoals wij ons gezin zonder aanhang noemen, sliep de laatste dagen in het huis van mijn ouders. Twee dagen voor zijn dood, zei mijn vader tegen mijn broertje en mij: ‘Ik voel dat mijn geest zich losmaakt van mijn lichaam.’

Zaterdagochtend lag hij er raar bij, onrustig. Ik belde de huisarts. Ze vroeg aan mijn vader wat ze voor hem kon betekenen. Van meet af aan had mijn vader gezegd dat hij palliatieve sedatie wilde, want hij wilde zelf op de knop drukken. Dat moment was aangebroken. Hij antwoordde dat hij graag in slaap zou worden gebracht. Ik lag naast mijn moeder te slapen toen mijn broertje midden in de nacht naar boven kwam om te vertellen dat papa onrustig ademhaalde. We gingen meteen naar beneden. We zaten met elkaar om het bed toen hij zijn laatste adem uitblies. Met de harde kern om zich heen. De tekst op zijn kaart had hij zelf bedacht: ‘In liefde losgelaten vanuit het vertrouwen dat het licht mij omarmt.’’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden