MICHAEL SCHUMACHER

Over het leven van de beste autocoureur van het moment is weinig bekend, wat ook zo hoort bij iemand die op 28-jarige leeftijd al een held is en die de komende jaren tot een mythe zal uitgroeien....

BAS VAN KLEEF

Het was niet zozeer het vraaggesprek, want daarin hield de sportman op vertrouwde wijze het achterste van zijn tong verborgen, wat mede bijdraagt aan de fascinatie van velen voor hem. Mij troffen vooral de foto's bij het verhaal. Ze zijn genomen op de bovenverdieping van de exclusieve Londense juweliersfirma Asprey (persoonlijk sponsor van de Duitser) in Bond Street, waar ook de Britse vorstin haar inkopen doet. Omgeven door antiek meubilair en schilderijen poseert daar een gesoigneerde jongeman. Hij zit in een met klassieke stof beklede fauteuil en is gekleed in een driedelig krijtstreepje. Elleboog op de stoelleuning, wijsvinger bestudeerd aan de kin, als een filmster. Ook zijn zijden overhemd en das stralen rijkdom uit. Aan zijn linkerpols een duur horloge met schakelarmband, aan de rechter iets onduidelijks met een leren riempje (een zilveren doosje met zijn bloedgroep er zorgvuldig in gegraveerd?).

Verzorgde, gladde, ogenschijnlijk zelfs gemanicuurde handen, gepolijste nagels, slanke vingers. Maar dat gezicht. Het is een gezicht dat jeugd en onschuld uitstraalt - die indruk wordt nog versterkt door de lichte vochtigheid van het haar - en dat hier en daar zelfs nog restanten van puppy fat lijkt te bevatten. Dit is niet de man die met 240 kilometer per uur door een bocht gaat, sturend met het gaspedaal in een staartlastige racewagen die anderen in zulke omstandigheden al in de grindbak had doen belanden, die doodstil in zijn cockpit zit omdat elke beweging van het lichaam er een te veel kan zijn als je het uiterste uit zo'n wagen wilt halen, en die het stuurwiel slechts gebruikt om te schakelen. We zien op de foto's een leerling-makelaar in onroerend goed, een beurshandelaar die het voor de wind is gegaan, in het ergste geval de manager van een supermarkt.

Hij poseert als de nette man die hij wil zijn, die het leven en zijn sport ernstig neemt en er alles voor over heeft. Hij is niet verbaasd over zijn succes, vindt het eerder vanzelfsprekend, zoals hij het ook vanzelfsprekend vindt dat hij de beste is, dingen met een auto kan die anderen niet kunnen, op slicks in een wedstrijd met nat weer nog een concurrent op regenbanden kan verslaan.

Hij heeft het in zijn vingers, meer nog in zijn hoofd, of eigenlijk in zijn gehele lichaam. Waar anderen zeggen het gevoel voor de auto, voor wat nog net wel kan en wat net niet meer, te ontlenen aan de informatie die hun achterwerk doorgeeft, beschikt Schumacher in zijn gehele lichaam over sensoren. Hij laat zich in de cockpit zakken en lijkt op slag met de techniek te versmelten. Mens en machine worden één. Hem wordt wel verweten dat hij een automaat is, wat een onderschatting is en zijn wezen geweld aandoet. Hij behandelt de auto niet koel en gevoelloos, als een robot zou doen, op het juiste moment sturend, gas gevend en remmend - in zijn auto is hij werkelijk een geheel met de techniek, de techniek wordt een deel van hem, een verlengstuk van zijn zintuigen, zijn armen en benen. Zo wordt hij groter dan zichzelf en dus ook dan de anderen.

Hij lijkt meer te durven dan die anderen, lijkt geen angst te hebben, maar zo is het niet. Hij stuurt geen auto over een circuit, maar stuurt zichzelf. Het is meer dan begrip en gevoel voor de auto: hij ís dan een auto, een denkende en voelende, die zichzelf zo goed kent dat hij weet waar de grens ligt en dus ook die van de anderen. De auto wordt zijn tweede huid, zijn wezen. Zo sterk is de vereenzelviging met de machine dat hij geen angst meer kent, niet meer kán kennen, ook.

Dat is wat de fans aanspreekt: de held die geen mens meer is, maar een welhaast bovenaardse, bijna mythische figuur, die nauwelijks nog van vlees en bloed kan zijn. Slechts dan kunnen ze hem toejuichen en vereren. Niet als de goedgeklede en vriendelijke jongeman, maar als de onzichtbare, diep weggezakt in zijn kuipstoel, slechts de helm en de handschoenen als bewijs van zijn aanwezigheid. Een onherkenbare en mogelijk niet-bestaande, die juist daardoor wonderen en het onmogelijke kan verrichten. Ongelukken hebben slechts de anderen, niet hij.

Hij moet dus ook geen interviews meer geven. Niet meer zeggen dat hij een normaal leven wil leiden met zijn vrouw en dochtertje en het liefst met een camper door het land trekt. Een held dient te zwijgen en wordt beoordeeld op zijn wondere daden. Niet op zijn gewoon-doen. De mensen dienen het wonder niet te begrijpen en de verrichter ervan moet een mysterie blijven. Als hij in tweede positie langs de tribune raast en in de volgende ronde op kop ligt, dan is het goed. Dan heeft hij, als vanzelfsprekend, buiten het gezichtsveld en in een onmogelijke bocht een concurrent gepasseerd. Liefst in een bos, waar geen mensen en camera's staan, zodat niemand weet hoe het gebeurde, slechts dát het gebeurde, en dat is waar het om gaat.

Maar helaas staat nu overal televisie en die camera's hebben de topsporter dichter bij de mens gebracht en zo meer mens gemaakt. Het is een droeve ontwikkeling. De Messiaanse kwaliteiten van de voetballer Johan Cruijff zouden een stuk minder hoog zijn aangeslagen als in zijn tijd de televisiecamera elk van zijn onnavolgbare bewegingen in vertraagd tempo had vastgelegd en de kijker ze dus in eindeloze herhalingen kon volgen en begrijpen, zij het niet in essentie doorgronden. De kijker mag zelfs niet het begin van een blik in de ziel van de held kunnen werpen, teneinde het geheim niet te onthullen. Een onthuld geheim maakt een mens van de held, wat nu juist niet de bedoeling is.

Dat heeft Schumacher voor op zijn voorgangers: in de tijd van Nuvolari en Caracciola troonden de coureurs hoog in hun racewagens, je zag ze sleuren aan het stuur in de bocht. Het was knap wat ze deden, maar je zag dat het mensen waren. Besmeurd met olie, zand, stof. Soms gingen ze over de kop of reden ze tegen een berg. Ze konden in theorie iedereen zijn. De toeschouwer kon zich met hen identificeren. Schumacher kan zijn geheim nog bewaren. Hij klapt zijn vizier naar beneden en waar kort daarvoor nog wel zijn ogen boven de brandwerende muts zichtbaar waren, is hij nu als mens geheel verdwenen. Hij wacht op het groene licht. Zij hartslag komt zelfs op dat moment nooit boven de 120. Niemand weet meer wat er dan gebeurt tijdens de race, slechts hijzelf weet het. We kijken toe, zien het gebeuren, en doorgronden het niet. Slechts hij kan het begrijpen, omdat het zo vanzelf gaat dat het niet valt uit te leggen.

Maar heel soms is hij daar nu juist het slachtoffer van. Onlangs, in de laatste race om het wereldkampioenschap, werd Schumacher door Villeneuve binnendoor ingehaald in een bocht. De held was er niet van uitgegaan dat zoiets daar zou gebeuren, kón gebeuren. Hij moet een moment van zwakte hebben gekend, zal wellicht niet goed in zijn spiegels hebben gekeken. Hij was dus voor even een gewone coureur en hij reageerde dienovereenkomstig, als mens: ik word gepasseerd, wat niet mogelijk is en niet mag. Hij stuurde naar rechts, ramde zijn opponent met kennelijke opzet in de flank, raakte van de baan en verloor het wereldkampioenschap. Niet door slechtheid maar door zwakheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden