InterviewHans Klok

Met deze goocheldoos begon de carrière van Hans Klok

Hans Klok, de eerste keer dat hij de krant haalde. Beeld Privé-archief Hans Klok

Omdat ook de naoorlogse Nederlandse popcultuur een geschiedschrijving verdient: 100 voorwerpen uitgekozen, belicht en verklaard. Aflevering 95: de goocheldoos van Hans Klok (1979).

‘Tijdens de afwas had mijn moeder gezegd: ik denk dat jij morgen iets krijgt wat je héél graag wilt hebben. Het was aan de vooravond van Sinterklaas, 1979. Ik was 10, mijn grootste wens was een goocheldoos. Mijn opa en oma hadden stad en land afgezocht om er een te vinden; overal waren ze uitverkocht. Mijn opa had het al opgegeven, die zei: ‘Bep, we geven hem wel iets anders.’ Maar mijn oma zei: ‘Laten we nog die ene winkel proberen.’

‘Hij was van Jumbo. Je had ook andere merken. Maar die van Jumbo was de bekendste.

‘Een goocheldoos was voor mij een heilig iets. Ik had al lang een fascinatie voor dingen die niet kunnen. In die tijd kwam Hans Kazàn, een twintiger toen, langs in het televisieprogramma Ren je rot, van Martin Brozius. Hij deed altijd twee trucs; eentje legde hij uit en bij de andere zei hij: ‘Als je wilt weten hoe ik het doe, moet je volgende week weer kijken.’ Dus heb ik als kind vijfhonderd afleveringen Ren je rot gezien. Daarom wilde ik zo graag die goocheldoos hebben.

De eerste goocheldoos van Hans Klok

Merk: Jumbo

Echte naam: Magic Hocus Pocus Show

Aantal trucs volgens de handleiding: 60

Jaar: 1979

‘Toen ik hem kreeg, was het een soort desillusie. Want ja, er zaten wat objecten in. Maar dan kun je nog niks, dan moet je het nog gaan leren. Die doos was een beetje te moeilijk voor de doelgroep. Er zat zo’n boekje bij, daar moest ik als 10-jarige dan uit zien op te maken hoe je met je linkerduim het puntje van de doek vasthoudt en met je rechterwijsvinger linksom draait: best ingewikkeld. Tegenwoordig heb je filmpjes op YouTube. Ik had geluk met mijn vader en oudere broer die me op weg wilden helpen.

De eerste goocheldoos van Hans Klok.Beeld Annabel Miedema

‘Ja, wat zat erin? Drie plastic bekertjes met een balletje – dat is een van de oudste trucs die er bestaan, dat komt uit Egypte. Zo’n goochelstok die kan groeien en krimpen. Een spel kaarten natuurlijk. Veiligheidsspelden met gekleurde kralen. Ik ging bij de hobbywinkel een potje verf halen en schilderde alles meteen over. Hoe klein ik ook was, ik dacht: andere kinderen mogen niet weten dat mijn trucs gewoon uit een goocheldoos komen.

‘Mijn eerste repertoire bestond, behalve die goocheldoos, uit de trucs van Hans Kazàn, die ik zelf in elkaar knutselde. En in de Donald Duck stond af en toe ook hoe je bijvoorbeeld een naald in een ballon kon steken zonder dat-ie knapte. Mijn eerste optredens waren in de huiskamer, thuis in Purmerend. Mijn eerste publiek waren de buurtkinderen. En als we visite hadden – en dat hadden we nogal vaak – trad ik altijd op.

‘Verder hield ik het een beetje stil. De kinderen op school mochten het niet weten. Ik schaamde me er een beetje voor. Goochelen had natuurlijk een suf imago. In 1980 overleed Fred Kaps, de enige die ooit drievoudig wereldkampioen goochelen is geworden: hij had een enorme sterrenstatus. De eerste keer dat de Beatles in The Ed Sullivan Show optraden, was Fred Kaps daar ook te gast. Maar iedereen die na hem kwam, was nogal ouderwets. Ik had al jong door hoe men over goochelen dacht. Een goochelaar, dat is een man met een konijn uit een hoed en een echtgenote die zijn assistent moet spelen.

Grote trucs

‘Ik wilde illusionist worden, op een podium grote trucs doen: zweven, verdwijnen, zwaarden door lichamen steken. Dat vond ik een veel interessanter beroep. Omdat het dramatischer is, met muziek, je treedt op in teamverband. Op televisie werden shows uit Amerika uitgezonden. Een van de allereerste die ik zag was die van Siegfried & Roy, twee Duitse mannen die optraden met witte tijgers in Las Vegas. Dat waren mijn helden, die kant wilde ik op. Maar ik begreep natuurlijk wel toen ik 10 was dat ik niet gelijk mijn buurmeisje kon gaan doorzagen. Ik wist: je moet bij de basis beginnen. En dat is toch de vingervlugheid.

‘Een paar maanden nadat ik de goocheldoos had gekregen, vertelde ik mijn vader dat ik les wilde van een echte goochelaar. We keken in de Gouden Gids onder ‘goochelaars’. Daar zag ik er een die vlakbij woonde, in Middenbeemster: Jan Ossebaar, artiestennaam John Hedi. Mijn vader belde hem op en Jan Ossebaar zei: ‘Meneer Klok, er zijn zoveel vaders die bellen om te vertellen dat hun zoon de nieuwe Fred Kaps is. Als uw zoon over een half jaar nog enthousiast is, belt u maar terug.’ Dus moest ik zes maanden wachten. Je weet zelf: voor een kind is dat een eeuwigheid.

Hans Klok met zijn vader Klaas in 1984. Beeld Privearchief Hans Klok

‘In augustus 1980 mocht ik bij hem langskomen. Ik had een programma gemaakt op karton, met de volgorde van de trucs erop en een stukje goochelgeschiedenis. Mijn eerste truc was een vulpen waaruit ik water zou laten stromen.  Dat water zou ik uit een watje knijpen dat ik van tevoren achter mijn oor had verstopt. Het was een kwartiertje rijden van Purmerend naar Middenbeemster. Halverwege de rit begon dat watje uit te drogen. Toen is mijn vader, vlak voor we er waren, gestopt en heeft met de ruitensproeier dat watje weer nat gemaakt. Jan Ossebaar vond het heel leuk wat ik deed, hij leerde me die avond de eerste betere trucs. Hij zei me ook dat ik naar goochelcongressen zou moeten gaan; daar waren wedstrijden, daar kwamen dealers van trucs, daar waren lezingen.

‘Ik trad op op de verjaardag van mijn buurmeisje, en van het een kwam het ander: kinderpartijtjes, braderieën, carnavalsverenigingen. Ik ben ook een keer voor John Hedi ingevallen op een groot Sinterklaasfeest. Mijn tante had een pak van fluweel gemaakt, ik had lakschoentjes en een strik gekocht. Kwam ik daar met mijn vader, de organisator schudde hem de hand: ‘Goedendag, u bent de goochelaar?’ ‘Nee, dat is hij’, zei mijn vader, terwijl hij op mij wees. Ik zal 12 of 13 zijn geweest, en ik was klein voor mijn leeftijd. Die man trok wit weg. Er zaten vijfhonderd kinderen in de zaal, hij had er totaal geen vertrouwen in. Maar het werd een succes, ik mocht het jaar erop terugkomen.

‘Ik noemde mezelf Dalati. Kinderen wisten dus niet dat ze naar Hans Klok gingen. Ik had een keer een optreden in de plaatselijke bibliotheek, en daar zaten allemaal kinderen van school. Toen wist iedereen het. En toen bleek iedereen het wel heel leuk te vinden.

Een geschiedenis van de Nederlandse popcultuur in 100 voorwerpen

Ook de naoorlogse Nederlandse popcultuur verdient een geschiedschrijving.  En omdat die vorm zo ontzettend leuk is, doen we het aan de hand van concrete voorwerpen. Op deze pagina vind je alle 95 voorwerpen die tot dusver werden besproken.

Artiestennaam 

‘Mijn vader had mijn artiestennaam bedacht. Hij had een zakenrelatie in Irak, die Mister Dalati heette. Op een dag kwam hij thuis: ‘Ik heb nou iemand ontmoet!’ Hij liet het visitekaartje zien en zei: ‘Dat is een mooie naam voor jou. Mijn vader heeft later ook een tafeltje gemaakt, met daarop mijn naam geschilderd: Mister Dalati – ik was toen 12. Mijn broer en zijn vrienden riepen me altijd na: ‘Dalati, daar gaat-ie!’ Dat vond ik natuurlijk minder leuk.

‘Bij een van mijn eerste optredens kwam de goochelaar Stefani kijken. Die vroeg mij: ‘Hoe heet jij?’ Dus ik zei: ‘Mister Dalati, meneer'.’ Stefani zei: ‘Nee, hoe heet je echt?’ Dus ik zei: ‘In het echt heet ik Hans Klok.’ Toen moest hij enorm lachen. Hij zei: ‘Dat is zo’n geweldige naam! Dat is zo’n boerenlullennaam, die vergeten mensen nooit meer. Je moet jezelf vanaf nu weer Hans Klok gaan noemen.’ Daar heb ik naar geluisterd.

Hans Klok, in 1983, met zijn vader Klaas (midden) en illusionist Edwin Borsora. Beeld Privéarchief Hans Klok

‘Waarom die goocheldoos bij mij wel een succes werd, in tegenstelling tot al die andere kinderen die hem in de jaren zeventig kregen? Ik vond het heel erg leuk. Ik was goed in geheimpjes bewaren. En ik was er heel erg mee bezig: hoe doe je het zo, dat het leuk overkomt op de mensen. Het is echt mijn tweede natuur.

‘En ik heb in mijn leven veel geluk gehad. Ik had een ontzettend leuke vader die dat allemaal stimuleerde. Vanaf mijn 11de ging ik met hem naar goochelcongressen. En ik had gewoon de mazzel dat veel mensen me wilden helpen. Misschien omdat ik zo enthousiast was, dat ze geheimen met me wilden delen of advies gaven. Die Stefani, die zei dat ik mezelf Hans Klok moest blijven noemen, zei ook: je moet naar dansles, want de basis van alle entertainment, van alle variété, is dat je je goed kunt bewegen. Nou, dan ging ik naar jazzballet, tapdance, klassiek ballet – elke dag na schooltijd, en op zaterdag de hele dag. Ik wilde dat niet echt, maar ik dacht: ja, daar zal die man best gelijk in hebben. Ik ben hem er tot op de dag vandaag dankbaar voor.

‘Op mijn 17de maakte ik de overstap van goochelaar naar illusionist. Dan gaat het niet meer om de vlugheid van je vingers, maar de beheersing van je hele lichaam. Ik had wat geld gespaard, en ben teruggegaan naar Jan Ossebaar, die vooral beroemd was omdat hij attributen voor illusies bouwde. Hij adviseerde me Houdini’s Metamorphosis, de verwisseltruc, waarbij de illusionist wordt opgesloten in een kist, de assistent erbovenop gaat staan en beiden, na het ophouden van een doek, van plek verwisselen. Korte tijd later kwamen daar een nummer met zwaarden, een zweefnummer en een verschijning in een glazen kist bij.

‘De grote ommekeer kwam toen ik in 1992 werd gevraagd een half uur op te treden tijdens het World Press Photo Gala. Ze wilden dat ik een olifant liet verdwijnen en een paar grote acts deed, en gaven me twee tickets voor Las Vegas om inspiratie op te doen. Vanaf daar is het balletje gaan rollen, ik ging avondvullende shows doen, mijn acts werden groter, ik ging met meerdere assistentes werken, met mijn Divas of Magic, ik toerde door Duitsland, mocht in Carré staan, trad op met Pamela Anderson in Las Vegas, stond in de West End in Londen, en heb nu een meerjarencontract voor mijn show in Vegas – het mekka voor illusionisme.

Corona in Vegas

Naast David Copperfield en Chris Angel is Hans Klok is de derde grote magician op The Strip in Las Vegas. Sinds juli vorig jaar heeft hij een meerjarencontract om zes dagen per week op te treden met zijn show The World’s Fastest Magician. Door corona zijn alle optredens voor onbepaalde tijd opgeschort. ‘Mijn team is grotendeels terug in Nederland. Ik ben in Las Vegas veel aan het oefenen. Daar word ik eerlijk gezegd wel een beetje gallisch van. Maar ik probeer er maar een werkdag van te maken: anderhalf uur kaarten, anderhalf uur verdwijntrucs, anderhalf uur dit en anderhalf uur dat.’

‘Nederland had destijds helemaal geen illusionisten. Die waren er wel geweest: in de jaren dertig en veertig had je de legendarische Rotterdammer Crochet en er was Okito, telg van de beroemde joodse illusionistendynastie Bamberg, hij heeft die truc met de zwevende kogel uitgevonden. Maar de Tweede Wereldoorlog zette een streep door die traditie. Daarna kreeg je goochelaars die optraden in variététheaters en nachtclubs of cabarets – een nachtclub kreeg alleen een vergunning als die naast de stripteasedanseressen ook variété programmeerde. Ook een filmtheater als Tuschinski had in de pauze een goede goochelaar. Die mensen hadden één act van een minuut of tien waarmee ze door heel Europa toerden: de een liet vissen in aquariums verschijnen, de ander liet objecten door de lucht zweven. Toen ik opgroeide, eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, heb ik daar nog net het staartje van meegekregen. Daarna was het over, in Nederland. Ik heb mijn stijl van illusionisme echt zelf moeten ontwikkelen.

Windmachines 

‘Hans Klok, dat is die man met dat haar en die windmachines. Ik speel een prins op het witte paard en ben een soort James Bond, omringd door sexy vrouwen. Wat mijn optredens onderscheidt van de rest, is het fysieke, de vaart, het rocksausje. Natuurlijk ben ik beïnvloed door Siegfried & Roy. Kijk op YouTube naar hun oude shows uit de jaren tachtig – hun bewegingen, het spektakel, het showbizz-element; dat is een grote inspiratiebron. Ik vind zelf dat ik op Siegfried lijk, hij heeft alleen een nog bredere kaaklijn dan ik.

‘Maar dingen zijn ook vanzelf ontstaan. In de jaren tachtig liet ik mijn haar groeien. In een tv-studio stond ik een keer voor een ventilator. Toen ik dat terugzag, vond ik dat er wel stoer uitzien. Als alles beweegt, je haren en je hemd wapperen, lijkt het allemaal nóg wat sneller. Wat ook geholpen heeft: in de jaren tachtig werd MTV heel groot, dat stond altijd aan in de kantine van mijn dansschool. Dan zag ik Michael Jackson of Madonna en dacht: eigenlijk zou goochelen er zo moeten uitzien. Snel en cool, als in een videoclip.

‘Wat ik ook heb veranderd: in illusionisme is het altijd de vrouw die in de kist gaat liggen en wordt doorgezaagd. Ik heb dat omgedraaid: Ik ben vaak het lijdend voorwerp. Ik ben het die op een zwaard gaat liggen en er doorheen zakt. Ik heb van het illusionisme ook iets heel fysieks gemaakt. In mijn acts draait het niet zozeer om de props, om de kist waarin iemand verdwijnt of met zwaarden doorboord wordt ; het gaat om de techniek die wij beheersen, de snelheid, de grote risico’s die wij nemen. Dat een truc echt in een split second wordt beslist. Ik heb van het illusionisme een teamsport gemaakt. Ik en mijn Divas of Magic, we doen het echt samen.

‘Ik denk dat ik het illusionisme een porem heb gegeven. Als je ziet hoeveel mensen in Nederland het nu doen, en ook goed doen. Justin Ronday, Alfredo, Lorenzo – die hebben echt goed naar mij gekeken, maar ontwikkelen ook weer hun eigen stijl. Ik vind dat alleen maar leuk.

Beeld Annabel Miedema

‘Nee, je kunt niet zeggen dat wat ik nu doe zijn basis heeft in die goocheldoos. Daarvoor is mijn repertoire te zeer veranderd. Die goocheldoos van Jumbo legt zich toe op vingervaardigheid en manipulatiekunst; waar ik wel heel behendig in ben, maar niet per se bekend om ben. Ik ben heel goed met kaarten, ik kan oeverloos kaarten uit de lucht plukken, uit mijn mond halen ­– overal komen die kaarten vandaan. Ik doe dat ook in mijn show in Las Vegas: dan lijken die andere acts weer veel groter.

‘Wat ik 10-jarige jongens en meisjes van nu zou aanraden? Koop een goocheldoos en laat je haar groeien! Nee, ik zou zeggen: kijk op YouTube, daar worden zo veel leuke trucs verklapt. Wat natuurlijk ook jammer is, daardoor verandert het vak. Bestaan er over honderd jaar nog goochelaars en illusionisten? Ik weet het niet. Maar ik zou adviseren: begin bij de basis, begin bij vingervlugheid, begin klein. Ik ken illusionisten die nog geen spel kaarten kunnen vasthouden, en dat is tragisch. Want een goede illusionist is altijd ook een goede goochelaar.’

Kind en de clou

‘Mijn eerste publiek bestond uit kinderen, en ik denk wel eens dat mijn carrière daar ook weer mee eindigt. Optredens voor kinderen, in een professionele vorm. Het is heel moeilijk een kind voor de gek te houden. Als een kind een truc denkt door te hebben, dan zit het vaak ook echt dichtbij de clou. Het makkelijkste succes is een zaal vol wetenschappers: die denken zo ingewikkeld, die komen nooit achter een truc. Als een kind denkt de oplossing te hebben, is de kous ook meteen af – zelfs al klopt die oplossing niet, daar laten ze zich dan niet meer van overtuigen. Die onbevangenheid, dat vind ik heel erg leuk.’

Hoe Hans Klok een truc uit zijn jeugd verwierf
Op zijn tiende zag Hans Klok een truc die hem altijd zou bijblijven. Een man, geboeid en met kettingen om zijn ontblote torso, klom in een doos die vervolgens werd doorzeefd met zwaarden. Dat de man er heelhuids uitkwam was een raadsel voor Hans.  Na een zoektocht van jaren kwam hij erachter hoe de truc werkt. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden