Met de hele familie gebarentaal leren: 'mijn handen moeten vertellers worden'

Belofte aan mijn dove nicht: op Pakjesavond zijn alle gedichten in het 'Gebaars'

Toen Hedi doof werd, leerde haar hele familie gebarentaal, onder wie haar nichtje, verslaggever Afke van der Toolen. Haar handen vochten zich een weg in die nieuwe taal.

Vertaling: doof Foto Studio V

Volstrekte stilte. Alleen verbroken door af en toe een giechel of een half ingeslikt eh... Spraak mag op deze plek niet. Taal is hier: gecontroleerd bewegende handen, gebalde vuisten, uitwaaierende vingers. En geconcentreerd geboetseerde gezichten: bollende wangen, tuitende lippen.

Ik neem een kijkje bij een les van eerstejaars studenten Nederlandse Gebarentaal, in het Instituut voor Gebaren, Taal & Dovenstudies van de Hogeschool Utrecht (HU). Extra nieuwsgierig, omdat ikzelf ook ga leren gebaren. Mijn handen moeten net als die van deze studenten vertellers worden.

Mijn nicht Hedi, sinds haar 5de slechthorend en nu als vijftiger steeds dover, hoopte op een cochleair implantaat (CI), een elektronische bypass die de geluidsgolven van buitenaf naar de gehoorzenuw brengt. Maar ze kreeg te horen dat dat om medische redenen niet kon doorgaan. Kort daarna ontving ze van haar familie - haar eigen gezin en dat van haar zus - een uniek verjaardagscadeau: met z'n allen gebarentaal leren.

Een streefdatum stond erbij. Op pakjesavond, een half jaar later, moesten alle gedichten in het 'Gebaars'. Hedi, die zelf nooit gebarentaal had geleerd, wist niet wat haar overkwam. 'De hele familie op jacht naar een nieuwe taal: dat is genieten', merkte ze op. Ook ik haakte aan. Terwijl Hedi een docent-aan-huis aanvroeg bij de Geestelijke Gezondheidszorg en Maatschappelijke Dienstverlening voor Doven en Slechthorenden, begon ik alvast aan mijn eigen zoektocht naar deze nieuwe taal.

In de klas

Wat in de klas meteen opvalt, afgezien van de stilte, is hoe groot deze taal is. Wat je zegt rolt niet vanaf je lippen de wereld in, maar speelt zich in de ruimte voor je lichaam af, soms wel tientallen centimeters voor je uit. Sommige studenten lijken daar geen enkele moeite mee te hebben. Ze sturen hun handen alle kanten op en kneden hun mimiek in de meest uiteenlopende standen. Anderen 'praten' veel terughoudender.

Docent Yfke van der Woude vertelt dat de eerstejaars vanaf het begin in het diepe worden gegooid. Geen gesproken taal, geen geschreven tekst. 'Ze moeten uitbeelden wat ze willen zeggen, al is het het bij wijze van spreken met handen en voeten.'

Daarom begint de studie ook met twee onderdompelingsweken, waarin nog geen gebarentaal wordt gebruikt, maar de studenten wel worden uitgedaagd om zich zoveel mogelijk gesticulerend uit te drukken. Zo wennen ze alvast aan het lijfelijke van deze taal, leren ze spelenderwijs hun stembanden te verruilen voor hun handen, en overwinnen ze alvast wat van hun eventuele gêne.

Doof geboren

Van der Woude is doof geboren. Toch kwam haar eigen onderdompeling niet eerder dan op haar 3de. Het was haar ouders afgeraden om gebarentaal te gebruiken. Pas toen ze naar een doveninternaat ging, zag ze voor het eerst kinderen die met hun handen praatten.

Eenmaal weer thuis maakte ze steeds hetzelfde gebaar, terwijl ze ergens naar wees. Haar ouders hadden geen idee waarover ze het had. Er ging een briefje naar het internaat, er kwam een briefje terug. Van der Woudes gebaar bleek de universele peutervraag: 'Wat is dat?' Het was de eerste keer in haar leven dat ze de dingen kon benoemen. Haar eerste ervaring met taal.

Op de laatste warme avond van het jaar gaan we als familie voor het eerst aan het werk. Nog zonder docent, maar een bevriende gebarentolk leert ons alvast het handalfabet: het abc met de vingers gespeld.

Onze vingers knopen zich nog onwennig in de vereiste vormen. De E is makkelijk: een vuist met de duim omklemd. De S ook: een vuist met de duim buitenom. Maar dan de K, die is zo ingewikkeld dat-ie alleen met heel veel woorden te beschrijven is.

Echt gebarentaal is dit nog niet eens. Het handalfabet is niet meer dan een hulpstuk, voor jargon, of plaatsnamen, of voor als je een gebaar niet kent. In ons geval dus zo ongeveer voor alles.

In de weken erna maak ik wandelingetjes waarbij ik alles vingerspel wat ik tegenkom.

f-i-e-t-s-e-r

s-t-o-e-p

Ietwat besmuikt, want het staat een beetje raar, maar het is een begin. Mocht een doof persoon me nu de weg vragen, sta ik niet meer met de mond vol tanden.

Foto Doof.nl

Geen echte taal?

Lang is door taalkundigen en dovenpedagogen gedacht dat gebarentaal geen echte taal was, maar meer zoiets als communicatie à la aap. Wat maaien met de armen, wat trekken met de bekken, maar praten, op een subtiele, genuanceerde manier betekenis overbrengen, nee, dat was het niet.

Daar wordt tegenwoordig anders over gedacht. Gebarentaal is een volwaardige taal, compleet met woordenschat en grammatica. Taalwetenschapper Onno Crasborn van de Radboud Universiteit tekent een heel simpel 'boompje' voor. Je hebt taal, laten we zeggen de stam en die vertakt in twee loten: taal die zich manifesteert in spraak en eventueel schrift, en taal die zich manifesteert in gebaren en mimiek.

Nog zo'n mythe: dat gebarentaal internationaal zou zijn. Maar Nederland heeft toch echt zijn eigen gebarentaal. Want net als andere talen zijn gebarentalen plaatselijk ontstaan: al is dat in dit geval op een bijzondere manier gebeurd. 'Pas met de oprichting van dovenscholen in de 18de eeuw kregen dove mensen in Nederland voor het eerst de gelegenheid om regelmatig met elkaar in contact te komen', legt Trude Schermer van lexicografisch instituut Gebarencentrum uit. Vervolgens bloeiden in en rond die scholen vanzelf taalgemeenschappen op.

Verbod

Dovenonderwijs in gebarentaal is lang taboe geweest. In 1880 besloten onderwijskundigen op een internationale conferentie dat gebarentaal meer slecht deed dan goed. Gebarentaal werd nog niet als echte taal gezien, en het gebruik ervan zou in de weg staan van de taalontwikkeling. Doven werden voortaan gedwongen om zich oraal uit te drukken en zich met liplezen te redden. Pas in de zestiger jaren van de vorige eeuw keerde het tij. De Amerikaanse taalonderzoeker William Stokoe toonde aan dat gebarentalen wel degelijk echte talen zijn. Sindsdien kan de Nederlandse Gebarentaal, die ondergronds voortbestond, weer vrij worden gebruikt.

Het brein tijdens Gebarentaal

De Nederlandse Gebarentaal zoals de HU-studenten die leren, en wij als familie nu ook, is gevormd uit die regionale varianten. Die is zo eigen dat zelfs de Vlaamse Gebarentaal al heel anders is. Wij zijn inmiddels aan de basiscursus begonnen en hebben de eerste rijtjes gebaren doorgewerkt. Van goedemorgen tot en met goedenavond, van koffie met melk tot en met thee zonder suiker.

Ons spiergeheugen maakt overuren, ons taalcentrum ook. We kunnen het niet zien, maar in onze hersenpan hebben dezelfde gebieden het druk als die voor Nederlands, Engels of Chinees. Ons brein zegt: dit is taal. Dat is onder andere aangetoond door onderzoek naar letsel aan de linker frontaalkwab. Horenden met zulk letsel krijgen problemen met praten; doven met dezelfde aandoening krijgen het moeilijk met gebaren.

Mijn handen moeten nog wennen, maar doen hun best. Ze leren zich plooien, zoeken naar de juiste vorm, de juiste expressie, reizen langs nauwkeurig voorgeschreven paden door de gebarenruimte die zich voor ons uitstrekt; een ruimte die uitdijt en krimpt naarmate je schreeuwend of juist fluisterend gebaart.

Iconische gebaren

Bij deze taal gaat het niet alleen om bewegen, het gaat omgekeerd net zo goed om kijken. Het zicht moet immers de functie van het oor vervangen. Heel precies de afzonderlijke vormen en bewegingen identificeren en die razendsnel omzetten in begrip.

Daarvoor doen we speciale oefeningen. Zo tekent docent Mariëlle Stoop twee geometrische figuren in de lucht, waarvan wij moeten zeggen of ze exact hetzelfde zijn of niet. Hoe visueel ingesteld mensen ook zijn, zo gedetailleerd elkaars handbewegingen volgen, zijn we niet gewend.

Woordjes stampen in gebarentaal blijkt veel leuker dan in andere talen. Dat komt doordat veel gebaren iconisch van aard zijn; ze beelden het bedoelde uit. Elk moment van herkenning geeft plezier. 'Thee' is zichtbaar ontleend aan het dopen van een theezakje in een kopje water, in 'koffie blijkt de ouderwetse handkoffiemolen nog te bestaan, en in de 'ochtend' gaat de zon op.

Maar er zijn ook genoeg gebaren waarvoor dat niet geldt. Zo'n 20 procent, vertelt taalwetenschapper Crasborn. Het gebaar voor vakantie bijvoorbeeld, waarbij je met de zijkant van je hand tegen je wang tikt? 'Geen idee waar dat vandaan komt. Misschien van zwaaien? Maar dat is wel heel vergezocht.'

Wij cursisten worden zo overspoeld met iconische gebaren, dat we het het maar niks vinden als er één langskomt die we niet meteen herkennen. De verleiding is groot om dan tóch naar een aanwijsbare oorsprong te zoeken. Vergeefse moeite vaak, maar taalhistorisch gezien niet eens zo gek. Het zou namelijk zomaar kunnen dat ook de meest onherleidbare gebaren ooit wel degelijk concreet iets uitbeeldden.

Neologismen in gebarentaal zijn altijd iconisch, zegt Crasborn. Er is geen reden om te veronderstellen dat dat ooit anders is geweest. Dat wordt ondersteund door Amerikaans onderzoek, waaruit blijkt dat iconische gebaren hun uitbeeldende karakter langzaam verliezen. Het dagelijks gebruik slijpt er gewoonweg het al te omslachtige af. Wie weet raakt ooit op die manier ook het gebaar voor 'Trump' zo afgevlakt, dat niemand er meer die kunstmatig gedrapeerde haarlok in ziet.

Gemakscompromis

Hoe meer gebaren we leren, hoe moeilijker het wordt. Het theegebaar van de rechterhand betekent gekanteld ineens 'thuis'. Of met een polsdraai van de mond af naar voren: 'antwoorden'. De echte taal ligt sowieso nog buiten ons bereik. Wij als familie leren 'Nederlands ondersteund met Gebaren', waarbij je de zinnen die je uitspreekt met losse gebaren ondertitelt. Een kruising van het Nederlands en de Nederlandse Gebarentaal dus. Een gemakscompromis.

Sommige familieleden zijn daar snel heel vaardig in. De dochters van Hedi voeren op een avond zelfs liedjes ondersteund met gebaren op - het onvertaalbare 'oehoeh' keurig op de maat gevingerspeld.

Toch blijft het een logge manier van communiceren, omdat je twee dingen tegelijk moet doen. Onherroepelijk ga je er anders van praten; er komen langzame en kromme zinnen van. Gelukkig leren we gaandeweg wat grammaticale snufjes die voor versnelling zorgen.

Als je het gebaar voor antwoorden naar iemand toe beweegt, zeg je: 'Ik antwoord jou', terwijl de omgekeerde beweging 'jij antwoordt mij' betekent.

Een ander voorbeeld: localiseren. In de gebarenruimte die zich voor je uitstrekt, kun je personen neerzetten, of bomen, of auto's. In je verdere verhaal hoef je daar alleen maar even naar te wijzen.

Er is nog veel meer mogelijk. Iets heeft HU-docent Yfke van der Woude me al laten zien: dat je in gebarentaal verschillende dingen tegelijkertijd kunt uitdrukken. Neem de complexe situatie van een bijna-botsing. Je steekt de straat over, er komt onverwacht een auto aan, even is het spannend, maar het gaat net goed. Om dat sprekend te beschrijven, heb je veel woorden nodig, maar gebarend is het in een mum verteld.

Het doet me verlangen naar meer; naar een bevrijding uit het compromis. Dat gebarentaal niet meer uit inerte blokken bestaat, maar gaat vloeien.

'Als mijn moeder boos is, zet ik mijn implantaat wel eens uit'

Steeds meer doven maken gebruik van een cochleair implantaat, een hulpmiddel dat de stilte doorbreekt.

Hoe is het om een CI te hebben? Lees het hier.

Dovenontmoetingscentrum

Nogmaals dompel ik me onder in stilte. Nu alleen onderbroken door een glas dat wordt neergezet, een stoel die verschuift. Ik ben in het dovenontmoetingscentrum van Swedoro, de Stichting Welzijn Doven en Slechthorenden Rotterdam. Een paar mensen zitten aan de bar, verderop groepjes aan tafeltjes, biljarters. Net als overal en toch anders. Hier klinkt geen geroezemoes, geen muziek. Maar gekletst wordt er volop. Handen dansen, veel te snel voor mij om te kunnen ontcijferen.

Gelukkig kan ik inmiddels wel zonder haperen 'goedenavond' zeggen. En het lukt me om te vragen naar degene met wie ik hier heb afgesproken: Lenny Vos, docent Nederlandse Gebarentaal en Dovencultuur. Maar zodra zij echt gaat vertellen, moet ik me behelpen met een tolk. Zo hoor ik dat mensen uit de verre omgeving hiernaartoe komen. Als taalgenoten onder elkaar kunnen ze pas echt zichzelf zijn en als gemeenschap bestaan. Daar zie ik overal de tekenen van: prijzenkasten van dovensportclubs. Posters van dovenactiviteiten. Er is ook een vitrine met een verzameling historische hulpstukken, zoals buitenmodel gehoorapparaten en een koperen oortrompet. Zo prijken hier, midden in de gebarenwereld, al die vroegere pogingen om de doven de horende wereld in te trekken.

Muurgedicht

De 101 muurgedichten van Leiden, een project van stichting Tegen-Beeld, krijgen een bijzondere aanvulling. Het nieuwe muurgedicht zal niet uit letters bestaan, zoals alle andere, maar uit geprojecteerde beelden. Het is een gedicht in Nederlandse Gebarentaal, van de dove dichter Wim Emmerik. Taalkundige Victoria Nyst van de Universiteit Leiden, die onderzoek doet naar Afrikaanse gebarentalen, nam het intiatief. 'Gebarenpoëzie werkt met rijmende handvormen en ritme van beweging. Samen vormt dat een esthetisch beeld.' Het gebarengedicht wordt in september op Werelddovendag onthuld. Er staat een vertaling bij.

Pakjesavond

Nog voor de cursus is afgelopen breekt voor de familie het uur U aan: pakjesavond met gebarenrijmelarij. Het loopt uit op een dappere poging en een onvermijdelijke nederlaag. Het ontbreekt ons nog aan de nodige woordenschat, aan snelheid ook. Het wordt onvermijdelijk de langste pakjeavond ooit. Dat is geen ramp. En er is nieuws: Hedi krijgt toch nog haar cochleair implantaat. Was daarmee de hele onderneming voor niks? Niet per se. Zo'n CI is geen wondermiddel. Het is uiteraard beter dan een gehoorapparaat, maar het blijft een hulpstuk met beperkingen. 'CI's leveren een elektrische reconstructie van het geluid, waarbij noodgedwongen erg veel informatie verloren gaat', vertelt fonetiek-wetenschapper Daan van der Velde van Universiteit Leiden. Uit simulaties blijkt dat het resultaat een pover en mechanisch geluid is. Ritme is goed te onderscheiden; maar tonen slecht. Emoties zijn daardoor lastig te ontwaren.

Het is afwachten hoe goed Hedi op haar implantaat reageert. 'We blijven gebaren oefenen, hè', vraagt ze dan ook aan het eind van onze laatste les. 'Doen we!', antwoorden mijn handen blij.

Hoe breng je muziek over zonder geluid?

Muziek vertalen voor doven is een vak apart.

Ze wiegt haar heupen rustig heen en weer, op het ritme van de muziek. Haar arm blijft laag, als de tonen van de bas. Als er een hoge noot van een viool klinkt, beweegt ze haar armen omhoog en verandert haar mimiek. Haar wangen zuigt ze naar binnen, haar ogen knijpt ze dicht en met haar mond maakt ze een ronde vorm, alsof ze fluit.

Dit is hoe muziektolk Ellen Both (30) een klassieke compositie uitbeeldt. Ze heeft een opleiding gedaan in 'visuele muziek', waarin je leert muziek te vertolken voor doven en slechthorenden. Er zijn geen vaste regels, al is creativiteit een pre. Bijvoorbeeld door zinnen in een andere volgorde uit te beelden of meerdere gebaren te combineren tot één vloeiende beweging. Hoe dit het beste kan, verschilt per uitvoering: I Will Always Love You klinkt anders als Dolly Parton het zingt dan wanneer Whitney Houston dit doet. Both: 'Wat wil de zanger precies overbrengen? De letterlijke tekst moet je vertolken, maar belangrijker is dat je het gevoel overdraagt.' Dit doet Both door haar lichaam expressief te bewegen. 'Nog meer dan bij normale gebarentaal speelt het gezicht een belangrijke rol. Soms hoef je woorden niet te vertalen, omdat je met je mimiek alle emoties kunt uitdragen. Deze vrijheid heb je niet in normale gebarentaal.' De klanken moeten overkomen, aldus Both: 'Dat gaat verder dan doen alsof je luchtgitaar speelt: doofgeborenen hebben geen idee hoe instrumenten klinken. Mijn heupen geven het ritme aan, voor de toonladders gebruik ik mijn armen. Als een nummer een lage bas heeft, blijf ik vaak met mijn linkerhand lage, golvende bewegingen maken.'

Judith Vogels (29), zelf slechthorend, is docent Nederlandse Gebarentaal en heeft muziek vertolkt bij Sencity. Dit is een feest voor doven waar zintuigen worden geprikkeld; door een aroma-dj die geuren verspreid, gekke hapjes, een trilvloer, lasershows en muziektolken. 'Genoeg doven en slechthorenden kunnen muziek een beetje horen, door middel van een gehoorapparaat of implantaat. En we voelen de bas. Muziektolken kunnen dat aanvullen door de tekst, ritmes en emoties uit te beelden.'

Dit beaamt Margot Bakker (49), op latere leeftijd doof geworden. 'Het is fijn via een tolk van muziek te kunnen genieten. Als het goed vertaald wordt, vergeet je even dat je doof bent.'

Dorien van Linge

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.