Zinvol levenMarcel Worms

‘Mensen met het mantra ‘genieten’. Vreselijk’

Twijfel, ambivalentie, angst. Hoe prettig zijn leven ook is, er is altijd iets dat knaagt, zegt pianist Marcel Worms. Dissonantie. ‘Ik weet dat ik maar één van miljarden mensen ben, maar toch wil ik iets bijzonders bijdragen.’

Marcel WormsBeeld Jitske Schols

‘Op vakantie kan ik me onthecht voelen. Dan zit ik aan de rand van zo’n Italiaans meertje en denk ik: ‘Nu zou ik het fijn moeten hebben.’ Elk mens kent die twijfel wel, denk ik. Wie doet alsof het altijd maar fijn is, wantrouw ik.’

Dat wantrouwen van pianist Marcel Worms valt niet los te zien van zijn familiegeschiedenis. Zes jaar na het einde van de oorlog komt hij in Amsterdam-Zuid ter wereld, als enig kind van Joodse ouders. Beiden hebben de oorlog overleefd, maar dat geldt niet voor de ouders, drie broers en de eerste echtgenoot van zijn moeder. Zelf overleeft ze in Westerbork dankzij een baantje bij de Joodsche Raad, later duikt ze onder. Na de oorlog trouwt ze met de vader van Marcel, een advocaat. Over de voorgeschiedenis wordt thuis niet of nauwelijks gesproken, niettemin groeit de jonge Marcel op met het besef ‘dat de wereld geen prettige plek is om te vertoeven’.

De oorlog mag dan als onderwerp worden gemeden, toch is die er dagelijks – in de huilbuien van zijn moeder over trivialiteiten, zoals een krasje in de autolak; in de gordijnen die al ’s middags dicht worden getrokken (‘de boze buitenwereld werd dan buitengesloten’); in haar paniek als ‘Marcelleke’ wat later uit school komt (‘dan dacht ze meteen dat ze mij ook kwijt was geraakt’). Zijn rol in het gezin is vergelijkbaar met die van journalist Ischa Meijer, die het boek Een jongetje dat alles goed zou maken schreef.

Gebreken mag hij niet vertonen, dus ‘breekt de pleuris in huize Worms uit’ wanneer hij een 4 voor wiskunde haalt. Zijn stotteren waar hij vanaf de basisschool last van krijgt, wordt door zijn ouders genegeerd of gebagatelliseerd. Als scholier en student is hij gebrand op hoge cijfers. Na een tentamen neemt hij geen vrij, zoals zijn medestudenten, maar duikt hij meteen weer in de boeken. Zijn studie biologie duidt hij later, na jaren van psychoanalyse, als een poging zijn ­vader te behagen. Pas wanneer die is overleden, besluit hij, dertiger inmiddels, zijn jongensdroom in vervulling te laten gaan: piano studeren aan het conservatorium. Met optredens en cd’s maken verdient hij sindsdien zijn geld. Hij trouwt met zijn niet-Joodse jeugdliefde. Ze krijgen twee kinderen, inmiddels twintigers. Ondanks zijn gezinsgeluk belandt hij in de voorbije decennia geregeld in een depressie. Afgelopen herfst barst de 68-jarige Worms op bezoek bij goede vrienden spontaan in tranen uit: ‘Toen wist ik dat het weer menens was. Gelukkig behoud ik in die perioden mijn zin in pianospelen.’

Wat is voor u een zinvol leven?

‘Waar ik naar streef, is samenhang in mijn leven. Afzonderlijke activiteiten die ik onderneem, kunnen ieder op zich prettig zijn: een goed maal, intimiteit, de krant lezen, pianospelen. Maar dat is niet genoeg, het geheel moet ook zinvol zijn. Daarvoor heb ik muziek nodig, daardoor kan ik samenhang ervaren. Muziek brengt me in contact met een wereld die groter is dan mijn kleine belevingswereld. In het dagelijks leven heb je veel triviale conversaties, in de trant van ‘een goede vakantie gehad?’. Met muziek kun je die small talk overslaan en direct bij grote onderwerpen uitkomen als troost, eeuwigheid en vergankelijkheid.

‘Ik voel me dan opgenomen in een groter geheel. Wanneer ik Bachs Wohltemperierte Klavier speel, maak ik met mijn handen dezelfde bewegingen als Beethoven en Chopin destijds. Hoe klein en nietig ik ook ben, ik sta dan in contact met het verleden. Dat gaat over mijn plek in de wereld. Dat ik daar de nadruk op leg, heeft met mijn Joodse identiteit te maken. Ik heb vaak het gevoel een buitenstaander te zijn.’

Bent u dat ook?

‘Vrienden zeggen weleens: ‘Jij staat volop in het leven, je kent zo veel mensen over de hele wereld, je staat helemaal niet aan de zijlijn.’ Dat is op zichzelf waar, toch ervaar ik het anders. Ik kan me erg onthecht voelen, ook als ik het middelpunt van de aandacht ben. Dat gevoel van buitenstaander ervoer ik bijvoorbeeld ten tijde van de MH17-ramp. Een vriend was erg onder de indruk van de tv-beelden: de doodskisten, de politici die ernaast stonden, de mensen langs de kant van de weg – hij voelde op dat moment grote verbondenheid met Nederland. Dat had ik helemaal niet. Natuurlijk was het een verschrikkelijke ramp, maar in die tijd verdronken ook vele honderden vluchtelingen op zee. Met hen voel ik net zoveel verbondenheid. Zeker, ik ben honderd procent Nederlands. En ik leef dankzij de Nederlanders die mijn ­ouders een onderduikplek boden. Maar het waren ook Nederlanders die mijn moeder de deur wezen toen ze na de oorlog naar haar ouderlijk huis terugging, ook al was het wettelijk haar huis.

‘Ik wantrouw grotere groepen – ik ben geen lid van een politieke partij, ook al stem ik al decennia op GroenLinks. En in de muziek hoor ik ook niet bij de jazzscene, al improviseer ik veel, of bij de klassieke-muziekscene, al speel ik die muziek veel in kerkjes, musea of bij mensen thuis. Ik heb wel een hechte vriendengroep, maar het zou me niet verbazen als de meesten van hen ook wantrouwig tegenover grote verbanden staan.’

Is het vooral uw Joodse identiteit die u tot buitenstaander maakt?

‘Ik denk het wel. Als kind heb ik een somber beeld van de wereld meegekregen – als een plek waar je godverdomme van je bed kunt worden gelicht omdat je bent wie je bent. Een foto die enorme indruk op mij heeft gemaakt, is die van mijn moeder eind jaren dertig in een Italiaans berglandschap. Je ziet haar samen met haar drie broers op wie ze dol was, genieten van het leven en verwachtingsvol in de lens kijken, zich van geen kwaad bewust. Vijf jaar later zijn ze allemaal dood, behalve mijn moeder.

‘Ik was erg geraakt door de familiegeschiedenis Ons kamp van Marja Vuijsje, een generatiegenoot van me, ook Joods. In dat boek herkende ik veel. Ik heb contact met haar gezocht en we zijn hechte vrienden geworden. Als we elkaar zien, is er meteen die verbondenheid: ‘Zo meneer Worms, hoe gaat het?’, vraagt ze en ik antwoord dan: ‘Hoe zal het gaan?’ Achter dat zinnetje gaat een wereld schuil. Zulke begroetingen kon je bij ons thuis horen, wanneer een tante met een Auschwitznummer op haar arm op bezoek kwam. Het betekent: we hoeven elkaar niks wijs te maken, het leven is een tranendal.’

Leestip: In dépôt door Philip Mechanicus

‘Deze Joodse journalist (1889-1944) schreef een ooggetuigenverslag van zijn verblijf in Westerbork. ‘Alsof ik als officieel reporter een schipbreuk versla’, zo omschreef hij zijn dagboek over het leven in het kamp – gedurende negen maanden tot februari 1944 hield hij het bij, hij stierf enkele maanden later in Auschwitz. Mechanicus laat zien hoe je ook onder de meest deprimerende en bedreigende omstandigheden toch iets zinvols kunt doen. Door nieuwsgierig te blijven en jezelf doelen te blijven stellen. Dat spreekt me enorm aan.’

Ervaart u dat ook echt zo?

‘Ik heb een fijn leven, maar er is altijd iets dat knaagt – twijfel, ambivalentie, angst. Ik kan niet tegen mensen die het alleen maar over de vrolijke kant van het leven hebben – mensen met het mantra ‘genieten, genieten, genieten’. Verschrikkelijk. Wat nou genieten? Je weet niet of er wat valt te genieten, laten we proberen het beste ervan te maken. Het leven heeft van zichzelf een tragische kant, al is het maar omdat we tot de doodstraf zijn veroordeeld. Er is veel wrijving, dissonantie, tegelijk is er hoop. Die beide kanten zie je bij Bach sterk: wat in ­mineur begint, eindigt vaak in majeur. Hij laat je verdriet en vergankelijkheid voelen, maar toont je ook hoe harmonieus God de wereld heeft geordend. Voor mij is er geen God, dus is het de kijk van Bach op die ordening. Wat hij heeft gemaakt, is voor mij van een goddelijke schoonheid. Als ik Bach speel, geloof ik, al weet ik niet waarin. Bij mijn laatste depressie hielp het om zijn muziek te blijven spelen. Hij is hoofd en hart, vreugde en tragiek, alle emoties zitten erin. Muziek troost me vaak. Met het ouder worden is die troostende kracht van muziek voor mij alleen maar belangrijker geworden.’

Hoe duidt u uw depressies?

‘Ik ben meestal geen sombermans. Mensen kunnen mij grappig vinden, ik sta te boek als een positief denkend mens met wie je veel kunt lachen. Maar ik heb sinds 1995 met enige ­regelmaat depressies. Dan zie ik de zin van het bestaan niet meer, mijn belangstelling voor de ander valt weg. Dat voelt als heel bedreigend. Het leven heeft voor mij geen van buitenaf gegeven zin, dus moet ik die zelf bedenken. Dan kom ik uit op mijn ­talent ontwikkelen en uitdrukken, waardoor ik aan anderen de ongrijpbare schoonheid van muziek kan doorgeven tijdens lessen en concerten. Maar me verbinden met anderen lukt me in een depressie niet meer. Ik kan nog wel een concert spelen, maar kan daarvan niet meer nagenieten. De angst voor het volgende concert bouwt zich dan alweer op.’

Hoe kijkt u aan tegen uw dood?

‘Ik heb altijd haast, dat heeft voor mij onmiskenbaar met de dood te ­maken. Ik vind het zonde tijd te vermorsen. Iedere dag moet iets opbrengen: ik wil iets hebben geleerd, iets hebben ervaren dat me verrijkt, beter Bach begrijpen bijvoorbeeld. Ik ken mensen die na een dag hard werken een avond zappen, dat lukt mij niet. Ik heb een ambivalent gevoel over die haast. Er zit een obsessieve kant aan, een onvermogen te ontspannen, waar ik wel van af zou willen. Maar het is ook wat me voortdrijft, energie geeft. Dat vind ik belangrijk.

‘Ik wil ook iets achterlaten. Ik weet dat ik maar één van miljarden mensen ben, maar toch wil ik iets bijzonders bijdragen. Al maak ik me geen enkele illusie over de omvang daarvan. Mijn volgende project is een cd met muziek van vervolgde, meestal vermoorde Joodse componisten. Hun lot is dubbel wreed, want hun muziek werd na de oorlog niet meer gespeeld, dat werd als te pijnlijk beschouwd. Binnenkort krijg ik geld van de NS, omdat mijn moeder op de trein naar Westerbork is gezet. Dat is van oorsprong Joods geld, want Duitsland heeft dat destijds geroofd en daarmee de NS betaald. Door dat ten goede te laten komen aan de muziek van Joodse componisten, vind ik dat ik mijn leven zin geef.

‘Tegelijkertijd is er een stemmetje dat zegt: die cd kent een oplage van vijfhonderd, daarmee zet je die componisten heus niet op de kaart, het stelt niks voor. Maar een andere stem zegt: wie één mens redt, redt de mensheid. Ik zit vol met dat soort twijfels. Ik zou het niet anders willen – onzekerheid is de basis van alle creativiteit. Als je zeker bent van je zaak, is er geen reden meer iets te doen. ‘Twijfel is een mensenrecht’, zei de Keniaanse Nobelprijswinnaar Ngugi. Dat vind ik een mooie gedachte.’

Zie hier het overzicht van alle tot nu toe verschenen afleveringen van deze interviewserie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden